De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voorrecht en praktijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voorrecht en praktijk

Bijbellezen de eeuwen door [1]

11 minuten leestijd

De kerkvader Augustinus belijdt in zijn Confessiones dat de Bijbel voor zijn moeder haar eten en haar drinken was. De kerk noemt hij de plaats waar ‘het gastmaal der Heilige Schriften’ gereed staat.

‘Mijn moeder ging tweemaal daags, ’s morgens en ’s middags, zonder ooit te verzuimen naar Uw kerk, niet om ijdele fabels of oude vrouwenpraat te horen, maar om U te horen in Uw woorden, en opdat Gij háár zoudt horen in haar gebeden’, aldus Augustinus. Als Augustinus de kerk de plaats noemt waar het ‘gastmaal der Heilige Schriften’ gereed staat, vertolkt hij daarmee de overtuiging dat God zelf ons in de stem van de Schriften ontmoet. In de letter van de Schrift waait de Geest ons tegemoet. Hoe ondoorzichtig Gods hándelen in schepping en geschiedenis ook mag zijn, Zijn stém is glashelder (Jes.45). De eeuwen door heeft Israël, en in het voetspoor ook de christelijke kerk, van die stem geleefd. God geeft zich niet te kennen in een gestalte die waarneembaar is, maar in woorden die verneembaar zijn. Vandaar dat het Schrift-geworden Woord de kerk zo lief is. Nog kan men op boerderijen in de Cevennen de plek aanwijzen waar in de achttiende eeuw de Bijbel – destijds een verboden boek – als een kleinood werd verborgen. Voorzichtig haalde men die ’s avonds uit zijn schuilhoek om er in gezinsverband uit voor te lezen. De jonge Blanche Gamond had, toen gevangenschap dreigde, voor alle zekerheid een aantal bijbelgedeelten overgeschreven die ze in haar kleding had genaaid en bij zich droeg. ‘Want de Geest gaf mij in dat men ons de Bijbel wellicht zou afnemen’. Kennelijk was het Woord haar levensbrood, al was het in brokjes gebroken. Als je honger hebt, is elk kruimeltje kostbaar.

Verboden bezit
Vandaag hoeven wij het niet met fragmenten te doen. Ons staat een complete Bijbel ter beschikking. Dat maakt ons tot bevoorrechte mensen. Maar eerlijk is eerlijk: verbazen doet het ons al te sporadisch. Wat meer verwondering zou niet misplaatst zijn. Afgezien van perioden dat de Bijbel een verboden bezit was, heeft de christenheid zich geruime tijd tevreden moeten stellen met losse boeken of reeksen ervan (scripturae genoemd). Het duurde ettelijke eeuwen voordat een complete Bijbel voorhanden was. Nog in Augustinus’ tijd moest men met die scripturae genoegen nemen. De kerkvader zelf heeft nooit een compleet exemplaar in handen gehad. De eerste volledige Bijbel – in het Latijn – stamt uit de zesde eeuw. Trouwens, hoeveel mensen waren er oudtijds die de leeskunst machtig waren? Bovendien konden slechts weinigen zich permitteren de met de hand geschreven peperdure manuscripten aan te schaffen. Nog in de late middeleeuwen waren de exemplaren voor verreweg de meeste particulieren onbetaalbaar. De zogenoemde Zwolse Bijbel, een handschrift uit de kring van de Moderne Devotie, kostte een vermogen: 500 goudguldens, een som waarvoor men twee voorname kapittelhuizen aankocht. Begrijpelijk, als men bedenkt dat alleen al voor het perkament zo’n 900 huiden waren verwerkt. Bijbellezen was dan ook lange tijd vrijwel alleen aan kloosterlingen voorbehouden, althans aan de meer ontwikkelde onder hen, die de bijbelboeken niet alleen overschreven, maar ook memoriseerden en reciteerden. Het monastieke grondpatroon bestond uit lezen, horen en mediteren. In de zogeheten lectio divina van de Schrift las en bad men op halfluide toon de voces paginarum, de ‘stemmen van de pagina’s’, dag in dag uit. De ware monnik wilde de heilige tekst met heel zijn wezen opnemen: met de lippen die het Woord murmelden, met het geheugen dat het vasthield, met het denken dat de zin ervan doorzocht en met de wil die de daad bij het woord zou voegen. Vandaar de beoefening van de ruminatio, het herkauwen van de tekst, het smaken van Gods woorden en zo van God zelf. Niet iedereen was kloosterling. Hoe lag het nu voor het gewone volk? De overgrote meerderheid van de mensen was aangewezen op wat hen vanaf de kansel mondeling werd aangereikt of wat hen via geïllustreerde lekenboeken onder ogen kwam.

Boekdrukkunst
Zelfs toen halverwege de vijftiende eeuw de boekdrukkunst op gang kwam, wijzigde de situatie aanvankelijk nauwelijks. In de eerste plaats doordat de boekdrukkunst het analfabetisme natuurlijk niet ophief. Maar in de tweede plaats doordat óók de eerste gedrukte exemplaren van de Bijbel uiterst kostbaar waren. Die van Johannes Guteberg uit Mainz bracht 50 gulden op, een bedrag dat in die tijd gelijk stond met tweemaal het jaarloon van een geschoolde ambachtsman. Pas na jaren werd de prijs tot redelijker proporties teruggebracht. Hoewel? Luthers Neue Testament Deutzsch dat op 21 september 1522 van de pers kwam – in 222 bladen klein folioformaat en in een oplage van 3000 exemplaren – kostte toch nog altijd anderhalve goudgulden per stuk, een bedrag dat overeenkwam met de waarde van een paard. Desondanks was de oplage binnen twee maanden uitverkocht. De geestelijke honger maakte gretig en offerbereid.

Van Luther zelf had men geleerd dat de vitaliteit van het christelijk geloof wordt gevoed door het in de Bijbel geboekstaafde Woord. Tijdens de roerige tijden van de zestiende eeuw en in de aanvechting van eigen geweten had hij ondervonden dat Anfechtung aufs Wort lehrt merken en dat men alles kan ontberen, maar niet het Woord Gods. Het vormde de grond onder zijn voeten, het dak boven zijn hoofd, de muur om hem heen. In zijn uitleg van Psalm 84 drukt hij het zo uit: ‘Wat voor het vee de weide is, voor de mens de woning, voor de vogel het nest, voor de vis de stroom, voor de gems de rots, dat is voor de gelovige de Heilige Schrift.’ Luther had er asiel in gevonden en woonde erin. Geen wonder dat hij, zoals hij dat in het klooster had geleerd, levenslang de gewoonte onderhield, de Schrift dagelijks vaak uren lang te lezen en te overdenken. Calvijn was uit hetzelfde hout gesneden. Hij kwam wel niet uit het klooster, maar ook deze humanistisch geschoolde geleerde beschouwde de Schrift als zijn ‘levensbrood’. Naar zijn overtuiging verschrompelt ons geloof als de dagelijkse lectuur van de Bijbel ontbreekt. ‘Oefen je dus voortdurend in het je eigen maken van zoveel goede woorden die ons in de Schriften zijn gegeven, en laat alles goed tot je doordringen, zodat je het direct bij de hand hebt als het nodig mocht zijn’, adviseert hij.

Verstaan 
In de inleiding van de herziene bijbelvertaling van Olivetanus, die in Luthers sterfjaar 1546 verscheen, brengt Calvijn in bijna even beeldrijke taal als Luther onder woorden wat het geheim van de Schrift uitmaakt. Ze is het kostbaarste goed van de wereld, omdat ze de sleutel is die tot Gods koninkrijk toegang verschaft. Ze is het licht dat ons leidt, de school van ware wijsheid, de spiegel waarin wij Gods aangezicht zien, de scepter waarmee Hij ons leidt, het document van Zijn verbond, de enige weide waarin Hij ons voedt. Wat Calvijn dan tegen het einde van zijn proloog meldt, is te treffend om er juist bij deze gelegenheid aan voorbij te gaan. Omdat de taal van Olivetanus wat moeizaam is – merkt hij op – en nogal ver afstaat van het gangbare spraakgebruik, is er iemand geweest (Calvijn bedoelt zichzelf ) die zich de moeite heeft getroost de taal wat soepeler te maken, niet alleen door die te verfijnen, maar ook door die aan te passen bij wat veel gemakkelijker door iedereen wordt verstaan. Ook in 1546 zag dus een herziene bijbelvertaling het licht, met het oog op de verstaanbaarheid. De reformator had goed begrepen dat dit Gods oogmerk is: dat we het Woord waarmee we omgaan, zullen verstaan. Om daaraan dienstbaar te zijn heeft een team van deskundigen de herziening van de Statenvertaling ter hand genomen. Het stemt ons dankbaar en verheugd, het resultaat van deze intensieve arbeid vandaag te kunnen presenteren.

Gezindheid
De Bijbel wil worden gelezen en verstaan. Een toegankelijke vertaling is daaraan in hoge mate dienstbaar. Toch heeft men de eeuwen door beseft dat er om de Schrift werkelijk te verstaan, meer vereist is dan een toegankelijke vertaling. Het vergt een gezindheid die Gods Geest ons uit genade schenkt. Wat ik bedoel illustreer ik graag met het befaamde veelluik van Matthias Grünewald, dat bekendstaat als het Isenheimer Altar. Eén van de panelen toont Johannes de Doper. Met zijn linkerhand drukt hij de Bijbel aan zijn hart. Achter hem op het doek staat met kapitale letters getekend: Illum oportet crescere, me autem minuere (‘Hij moet wassen, maar ik minder worden’). Johannes’ rechterhand wijst naar het centrum van het doek, Jezus aan het kruis. De symboliek is veelbetekenend: ten eerste is de Bijbel een boek om in verwondering te omarmen. Ten tweede wil de Bijbel in ootmoed gelezen zijn. Ten derde heeft de Schrift een heilzaam brandpunt. De Johannesfiguur draagt de Schriften op zijn linkerarm, dichtbij zijn hart, in een toeëigenend gebaar. Ze vormen de bron waaruit hij put, de stem waarvan hij leeft, de lucht waarin hij ademt. Zo staat hij model voor een vruchtbare omgang met de Schrift. In wezen is de Bijbel geen object ter observatie en analyse, maar veeleer subject, in die zin dat God ons daarin aanspreekt in een lokroep die de intimiteit heeft van een liefdesverklaring die ons verzekert dat God geen onbehagen, maar een welbehagen heeft in mensen die daar allerminst om vroegen. Van deze goddelijke bewogenheid vormt de Schrift het manifest. De Duitse theoloog Bonhoeffer heeft dat begrepen: ‘Natuurlijk kan de Bijbel gelezen worden als ieder ander boek zoals dat gebeurt in de tekstkritiek. Daar is niets tegen in te brengen. Alleen dit, dat op die manier niet het wézen van de Bijbel wordt ontdekt, maar slechts de buitenkant. Wij maken het woord van iemand die we liefhebben ons toch ook niet eigen door het te gaan ontleden? Nee, zo’n woord aanvaarden we eenvoudig. Het klinkt nog dagen lang in ons na, eenvoudig als het woord van deze mens die we liefhebben.’ Ik denk dat Luther, aan wie Bonhoeffer zoveel ontleende, het zo bedoelde toen hij het advies gaf elke morgen op te staan met Johannes 3:16: ‘Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.’ Dit woord begroet ons na een bange nacht als morgenrood: genezend, troostrijk, verbazend ook. Want dat de heilige en verheven God met geringe schepselen communiceert, is al wonderlijk genoeg. Maar dat Hij het gesprek hervat met mensen die de communicatie willens en wetens verbraken, is ronduit overweldigend. Wie er iets van beseft, zal het niet bevreemden dat er volgens Martin Buber ooit een rabbi was die telkens als hij hoorde ‘En God sprak’ van ontroering bevangen naar buiten moest om op adem te komen.

Verborgen omgang
In het Woord ontmoet ons God, in Christus, die sprekend Zijn Vader is. Daarom zijn de woorden van de Bijbel heilig. Ze zijn dat niet als lettertekens, maar als aanspraak van de levende God die een gemeenschap sticht van hart tot hart. Godskennis is ontmoetingskennis. Hoe waar en legitiem het is dat het geloof, als het om leerstellige verheldering gaat, naar inzicht zoekt, bovenal zoekt het omgang. De verborgen omgang met God zelf. Quid Deus nisi meus, zei Augustinus puntig, ‘wat is God als Hij niet de mijne is.’ Voor bijbelgetrouwe mensen zijn dit bekende klanken. Maar vinden ze werkelijk weerklank in ons hart? Want ook wij ondergaan de impact van een intellectualisme dat ons vanaf de basisschool tot aan de academie wordt ingegoten. Het punt is dat puur verstandelijke bijbelkennis tekortschiet. Tegen de twijfel legt ze het af, in de aanvechting houdt ze geen stand en op het sterfbed biedt ze geen houvast. In het louter rationele kan het hart niet tieren. Het vindt geen rust totdat het rust in God. En rusten in God, is schuilen bij Hem die ons in de Schrift Zijn hart verklaart. Dit laatste betekent geenszins dat Hij ons Zijn bestaan met wetenschappelijke evidentie inzichtelijk maakt. De term ‘verklaring’ heeft hier inderdaad de lading van een liefdesverklaring. Die ontvang ik niet in koel begrip, maar in verwondering. De ziel van het geloof is niet dat we veel van Hem weten, maar dat we veel van Hem houden. Dit zal de reden zijn waarom Calvijn beklemtoont dat het Evangelie niet door intellect en memorie wordt gevat, maar dat het woning in ons maakt en het hart in liefde doet ontvlammen. God wil gezocht, gevonden en bevonden zijn, in die eigensoortige ervaring die wij ‘bevinding’ noemen. Het is een ervaring die berust op de openbaring van die God die ons in de Schrift ontmoet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Voorrecht en praktijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's