Waarnemingen rond doop
Op de opiniepagina’s van De Reformatie (gereformeerd vrijgemaakt), schrijft ds. J.W. Roosenbrand over de dooppraktijk in de Gereformeerde Kerk van Groningen-Oost. Jaarlijks worden daar zo’n vijf doopouderavonden belegd waarin het gesprek over de doop gevoerd wordt met ‘mensen die in verwachting’ zijn. Onder de kop ‘Waarnemingen rond de doop’ geeft Roosenbrand door wat hij op die avonden signaleert.
1. Formulieren werken niet meer. ‘Vaak hoor ik van jonge ouders dat het fenomeen formulier hen niet aanspreekt. Pas als ze thuis, ter voorbereiding op ons gesprek, het formulier lezen worden ze getroffen door een mooie gedachtegang uit een formulier. Kennelijk is tientallen jaren voorlezing van het formulier voornamelijk langs hen heen gegaan. En wie herkent dit niet? Tegenwoordig bereik je de gemeente steeds minder met een standaardformulering. Ik pleit ervoor in een doopdienst geen formulier meer te gebruiken, afgezien van de beloften die de ouders afleggen.’
2. Het doopformulier houdt geen rekening met de aanwezigheid van (nog-) niet-christenen of van ex-christenen. ‘De ervaring leert dat buren, collega’s, vrienden graag ingaan op een uitnodiging om de doopdienst bij te wonen. Maar het doopformulier gaat er vanuit dat alle aanwezigen gedoopt zijn, een gemiste kans.’
3. Het verdedigen van de ‘kinderdoop’ werkt niet.
‘Ik hou niet van het woord ‘kinderdoop’. Het wekt de suggestie dat als er kinderen gedoopt worden dit een speciaal soort doop is, anders dan die van een volwassene. Je krijgt dan twee dopen: kinderdoop en volwassendoop. Het gaat in de doop om de doop en niet om het tijdstip waarop je gedoopt wordt. Daarom gebruik ik het woord ‘kinderdoop’ tussen aanhalingstekens. Ik merk dat de meeste jonge ouders die ik spreek blij zijn met de doop van hun kind. Maar het valt me op dat de polemische toonzetting (met name in formulier 2 – [uit Gereformeerd Kerkboek – GvM]) op weinig instemming kan rekenen. Dit heeft twee redenen. Doopouders laten met overtuiging hun kind dopen, maar begrijpen dat anderen op grond van hún inzicht in de Bijbel tot andere conclusies komen. Op de een of andere manier zouden we dat onderlinge christelijke respect voor andere conclusies een plaats moeten geven in een doopdienst. Verder: liturgisch voelt het onprettig aan om in het onderwijzend deel van het formulier en ook in de eerste doopvraag als het ware een punt te scoren op ‘tegenstanders’.’
4. Behoren of mogen?
‘In de eerste doopvraag zeggen we dat onze kinderen ‘gedoopt behoren te zijn.’ Velen horen dit alsof je het niet kunt laten om terloops nog even de baptisten een draai om de oren te geven. Volgens mij kun je het woordje ‘behoren’ ook anders beluisteren. ‘Behoren’ heeft hier de klank van verwondering, of van een gezonde vanzelfsprekendheid: als het er zo voorstaat dat Christus ook met onze kinderen aan de slag gaat, dan kun je je toch niet indenken dat je je kind ongedoopt zou laten? Ik gebruik daarom graag de volgende formulering bij vraag 1: ‘en daarom als lid van de gemeente gedóopt mogen worden.’ Ik zou graag willen dat we ons niet opsluiten in de discussie over de vraag op welk tijdstip de doop moet plaatsvinden, maar dat we meer focussen op de inhoud van de doop: bij Christus mogen horen.’
5. Is jouw kind zondig en schuldig ter wereld gekomen?
‘Altijd brengen jonge ouders als punt van bespreking in dat ‘in zonde ontvangen en geboren.’ Tja, het is misschien wel zo, maar het komt wel heel hard over bij zulke lieve babytjes. En vergeet niet hoe negatief dit overkomt bij buitenstaanders! Wanneer in de Bijbel de erfzonde ter sprake komt, gaat het steeds om een uitspraak of aanklacht of schuldbelijdenis van volwassen en toerekeningsvatbare mensen, collectief en individueel, in hun schuld, die dieper zit en grotere consequenties heeft dan wij prettig vinden. De kortsluiting vindt plaats omdat in een doopdienst de aandacht gericht wordt op een lief babytje over wie dan ineens deze woorden van toorn en zonde worden uitgesproken.’
Ik zie hier zelf minstens drie problemen.
a. De leer van de erfzonde zegt iets over ons als mensheid, en over ons als ouders. En per conclusie geldt dit ook voor kleine kinderen, maar nooit los van dit grotere geheel. Maar in een doopdienst in de 21e eeuw is de aandacht automatisch allereerst op het individuutje gericht.
b. De leer over de erfzonde is niet hetzelfde als de leer over de mens, maar slechts een aspect ervan. Basaler is dat de mens en ook de kleine dopeling schepping is van God, door Hem gewild, door Hem geroepen, door Hem bemind. Dat krijgt allemaal extra kleur door de zwarte achtergrond van de erfzonde.
c. Door de hedendaagse psychologisering van ons mensbeeld zijn wij als mensen van nu geneigd om de woorden over zonde en toorn van het formulier op te vatten als een uiterst negatief mensbeeld van de kerk.’
6. ‘Zoals hier in de vrijgemaakte kerk geleerd wordt’? ‘De tweede doopvraag roept een allergische reactie op: moet ik nou bij de doop van mijn kind uitspreken dat onze kerk de enige ware is:‘zoals dat hier in de christelijke kerk geleerd wordt’? Ik leg het zo uit: je spreekt eerst uit dat je de Bijbel als Gods verlossende woord kent. Vanouds heeft de kerk als een leeswijzer de apostolische geloofsbelijdenis geformuleerd, als kern van het christelijke geloof in Vader, Zoon en Heilige Geest, de God van je doop. Met je doop sta je midden in deze brede wereldwijde en eeuwenoude kerk. En in die brede traditie willen we ook in de christelijke kerk hier, dat is de gereformeerde kerk van Groningen-Oost, staan. Ook hier merk ik weer hoe deze formuleringen belast zijn door ons recente ‘ware kerk denken’ .’
7. Onderwijzen en laten onderwijzen.
‘De derde belofte houdt in dat we onze kinderen in de leer van de kerk zullen onderwijzen en laten onderwijzen. In de jaren 60 van de vorige eeuw deed, ten dienste van het opkomende gereformeerde onderwijs, de volgende tweetrapsredenering dienst: in vraag 2 sprak je je uit voor de gereformeerde belijdenissen, in vraag 3 heb je beloofd dat niet alleen zelf te onderwijzen maar ook te laten onderwijzen. Dus: naar een gereformeerde school. Twintigers en dertigers kennen deze redenering niet meer, maar nog wel de gedachte dat je je kinderen automatisch naar een gereformeerde school zou moeten sturen, en ze koppelen dit soms ook nog wel aan de derde doopbelofte. En zetten daar een vraagteken bij. Mijns inziens betekent de belofte allereerst dat je ze door de kerk (daar ging vraag 2 over) wil laten onderwijzen. Dus dat je je kinderen mee laat doen met wat de kerk biedt aan onderwijs.’
8. Gods verbond.
‘Bij de uitleg van de betekenis van de doop is het idee van het verbond beheersend, met de beloften van Vader, Zoon en heilige Geest en de eis van nieuwe gehoorzaamheid. Daarbinnen komt wel de eenheid met Christus in zijn dood en opstanding ter sprake, als onderdeel van de belofte van de Zoon, maar niet als uitleg van de beeldtaal van de doop. Vanuit het Nieuwe Testament ligt het meer voor de hand om de doop vanuit de eenheid met Christus dan vanuit het verbond ter sprake te brengen. Bijkomend voordeel daarvan is dat uitleg over de doop als begrafenis- met-Christus het idee kan doorbreken dat de doop vooral leuk en fijn is.’
Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat ds. Roosenbrand een discussie wil losmaken over de dooppraktijk (zie www.dereformatie.nl). Dat lijkt op sommige punten (bijvoorbeeld 6) een typisch ‘vrijgemaakte’ discussie te zijn, maar dat is schijn. Veel van de dingen die hij waarneemt, roepen min of meer herkenning op. Ik denk aan het feit dat de afgewogen formuleringen van het doopformulier, vaak niet meer worden verstaan; zowel wat taal als inhoud betreft (punt 5). Ook kun je als voorganger voelen dat het ‘wringt’ tussen de vertolking van waar het in de doop om gaat in het formulier en de concrete situatie van de mensen met wie je een doopgesprek hebt gevoerd (aan de rand van de gemeente of, zonder kerkelijke wortels vanuit een missionair contact). Opmerkelijk vind ik Roosenbrands pleidooi de doop minder vanuit het verbond aan de orde te stellen (8). Het verbond is hoe dan ook een zenuw binnen de gereformeerde dooptheologie. Ik begrijp zijn punt als het om de beeldtaal van de doop gaat. Maar ligt er een tegenstelling tussen het spreken over de doop vanuit het verbond en vanuit de eenheid met Christus? Overigens: zolang collega Roosenbrand doopgesprekken voert met aanstaande ouders is zijn verbondsopvatting nog springlevend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's