Altijd op doortocht
Israël, een volk dat alleen woont [1]
‘De wereld bestaat uit twee delen: plaatsen waar Joden niet kunnen leven en plaatsen waar Joden niet mogen binnengaan’, zei Chaim Weizman, de eerste president van Israël in 1938.
Hij zei dit toen vertegenwoordigers van 31 landen waren bijeengekomen om het probleem van de Joodse vluchtelingen uit Nazi- Duitsland en Oostenrijk te bespreken. Alleen de Dominicaanse Republiek bleek bereid 100.000 vluchtelingen op te nemen. Een half jaar later deed Engeland onder druk van de Arabieren óók de deur naar Palestina dicht. De bekende Joodse jurist Abel J. Herberg, schrijver van het ontroerende boek Brieven aan mijn kleinzoon, deed de volgende uitspraak. ‘Ik ben de zoon van vervolgden en de vader van vluchtelingen.’ Een volk dat alleen woont. Dat beeldt trefzeker de situatie uit van het Joodse volk de eeuwen door. Bileam profeteerde het, tegen wil en dank. ‘Dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden’ (Num.23:9). De lutherse hoogleraar C.W. Mönnich noemde Israël daarom een trekkersvolk, altijd op doortocht, nergens thuis.
Schrift
We vinden de woorden van Bileam al gerealiseerd in de Schrift zelf. Abraham werd weggeroepen uit Ur, met onbekende bestemming, naar het land dat God hem wijzen zou. Het werd Kanaän. Maar wat een geschiedenis volgde erop. Het volk werd weggevoerd naar Egypte, waar het slavenarbeid moest verrichten. En toch werd het weer uitgeleid uit Egypte, op weg naar het beloofde land; maar wel na veertig jaar omzwervingen in de woestijn. De Babylonische ballingschap na de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in het jaar 586 voor Christus. Jeremia moest aan de ballingen in Babel van Godswege een brief schrijven dat ze daar huizen moesten bouwen, tuinen moesten aanleggen en zich moesten vermenigvuldigen (Jer.29:5,6). Alsof ze er altijd hun domicilie zouden hebben. Toch zouden ze, overeenkomstig de belofte, na zeventig jaar weer terugkeren naar Jeruzalem. Intussen hadden ze telkens weer de klacht aangeheven: ‘Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, daar weenden wij, als wij dachten aan Sion’ (Ps.137). Het door God verkoren volk Israël riep zelf vaak het oordeel van God over zich af. Het alleen wonen van Israël betekende namelijk dat het, afgezonderd van de volkeren, geheel voor God zou leven. Als uitverkoren volk waarmee de Eeuwige Zelf zijn verbond had gesloten, zocht het nochtans vaak de wegen van God af. Dan stond het op de nominatie om door God te worden verworpen. Maar tot twee maal toe lezen we in het Oude Testament bij de profeet Zacharia dat God zegt: ‘Ik zal Jeruzalem nog (nochtans) verkiezen’ (Zach.1:17, 2:12). Hij keerde tot Jeruzalem terug ‘met ontferming’ (1:16).
Ingrijpend
In de latere geschiedenis van het Joodse volk is de uiteindelijke verstrooiing onder de volkeren het ingrijpendst geweest. Toen brak de grote eenzaamheid aan. Na de Babylonische ballingschap was de tempel herbouwd (515 v. Chr.). Onder de Romeinen werd de tempel in het jaar 70 opnieuw verwoest. Daarmee ging overigens het woord van Jezus in vervulling dat geen steen op de andere gelaten zou worden (Matth.24:2). Toen werden de Joden voorgoed verbannen uit het land der vaderen. Het grote zwerven begon. De verwoesting van beide tempels werd jaarlijks herdacht op Tisja be’Aaw. De eeuwen door hieven de Joden de klacht aan uit Psalm 137 vers 5: ‘Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve! ’ Bekend is het verhaal van Ahasverus, de wandelende Jood. In een Duits volksboekje uit 1602 dook hij voor het eerst op. De bisschop van Sleeswijk had hem, zo luidde de legende, voor het eerst gezien in een kerk in Hamburg: een magere man met lange baard, sjofel gekleed en met afgetrapte schoenen. Hij had Jezus van zijn huis verstoten, toen Deze gebukt onder het Kruis op de Via Dolorosa even wilde uitrusten tegen het huis van Ahasverus. Voor straf moest hij gaan zwerven. Zo stond hij model voor het Joodse volk dat gedoemd was te zwerven omdat het bij het kruis hadden geroepen: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’ (Matth.27:25). Alsof er alleen Joden bij het kruis stonden.
Vervolgd
Het volk Israël was nergens thuis en werd vaak aan vervolgingen blootgesteld. Tijdens de kruistochten (van de elfde tot dertiende eeuw), die vaak zo romantisch zijn beschreven in geschiedenisboeken, zijn duizenden Joden afgeslacht en werden hun synagogen verwoest. Ze waren immers ‘Godmoordenaars’. Aan het eind van de dertiende eeuw moesten alle Joden Engeland verlaten, onder bedreiging van de dood door ophanging. In 1348 werden de Joden ervan beschuldigd de oorzaak te zijn van de zwarte pest in Europa. Meer dan miljoen Joden werden gedood. Omstreeks 1500 werden 300.000 Joden door de Inquisitie uit Spanje verdreven. Ze kregen overigens – ik memoreer het in dankbaarheid – asiel in Nederland en mochten daar de grootste synagoge ter wereld bouwen. Last but not least zijn er de gruwelen in de Tweede Wereldoorlog, toen zes miljoen Joden omkwamen in de vernietigings- kampen van Hitler: Auschwitz, Treblinka, Bergen Belsen. Het had een Holocaust, een totale vernietiging (letterlijk algehele verbranding) moeten worden. Zo wordt die massaslachting ook altijd weergegeven. Niettemin bleven er Joden gespaard; in Amsterdam zesduizend van de meer dan honderdduizend. In heel de wereld zijn er nu nog ongeveer 15 miljoen Joden, van wie ongeveer zes miljoen in Amerika en ongeveer vier miljoen in Israël wonen. Zo is het altijd weer gegaan tijdens vervolgingen. Als een Fenix herrees het volk uit de as.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's