Opzicht in de kerk
Het is niet met opzet maar na de laatste afl evering van deze rubriek, over misbruik in de kerk, las ik een informatief artikel over het opzicht. De kerk is gehouden – zegt onze kerkorde – om zich bij haar getuigenis in woord en daad te bewegen in de weg van haar belijden. Maar wat als een gemeente of individuele gemeenteleden dit spoor bijster raken? In het Ouderlingenblad (maart) beschrijft mr. A. Rigters gedetailleerd wat het opzicht in de kerk in de praktijk inhoudt. Mr. Rigters is lid van de protestantse gemeente De Bilt, advocaat te Utrecht en juridisch adviseur van het generaal college voor het opzicht.
Het opzicht is in zijn wezen een vorm van pastoraat. Het is er in de kerkrechtelijke formulering: tot bewaring van de gemeente en tot behoud van hen die dwalen. In bredere zin bestrijkt het ook de verkondiging, de catechese en de opleiding van predikanten, ook al komt toepassing daarvan in de recente tijd vrijwel niet voor. De uitoefening van het opzicht gebeurt door de ambtelijke vergaderingen of in hun opdracht door speciaal daartoe aangewezen onpartijdige kerkelijke organen. Het opzicht moet onderscheiden worden van visitatie. Visitatie richt zich op de gemeenten, opzicht op de personen. Hoewel er in de kerk van uitgegaan wordt dat het opzicht in de eerste plaats uitgeoefend wordt door ‘pastorale samenspreking en vermaan’ kan het ook scherpere vormen aannemen, want in ernstige gevallen gaat de kerk over tot toepassing van de kerkelijke tucht, die in de kerkorde is beschreven.
Hoe functioneert het in de praktijk? In de praktijk van het kerkelijk leven is er een tweedeling in de instanties die het opzicht uitoefenen:
a. Het opzicht over belijdenis en wandel van de gemeenteleden berust bij het pastorale deel van de kerkenraad; dit is het college van predikant en ouderlingen.
b. Het opzicht over ambtsdragers en degenen die (al of niet als vrijwilliger) kerkelijke diensten vervullen (organisten, kosters en andere functionarissen) berust bij de daarvoor apart ingestelde colleges voor het opzicht. Voor beide categorieën is er één college van hoger beroep.
Het uitoefenen van het opzicht door het college van predikant en ouderlingen komt sporadisch voor. In de praktijk blijkt het weinig nodig om over belijdenis en wandel van gemeenteleden opzicht of tucht toe te passen.
Mr. Rigters gaat niet in op de achtergronden van het ontbreken van de noodzaak tot opzicht door het consistorie. Is dat een kwestie van terughoudendheid bij de kerkenraad? Of ‘werkt’ deze vorm van opzicht niet (meer) omdat gemeenteleden zich aan een eventueel opzicht onttrekken? Het zou interessant zijn daar wat meer over te horen. Als het om ambtsdragers en functionarissen gaat, valt er meer te melden. Niet alleen wat betreft hun belijdenis en wandel, maar ook als het gaat over de manier waarop zij hun ambt of functie vervullen.
Bemoeienis van de colleges voor het opzicht vindt in de regel plaats nadat er een klacht bij hen is ingediend.
Als dat gebeurt volgt er een procedure die nauwkeurig omschreven is in de kerkorde. Die moet een zorgvuldige en onpartijdige behandeling garanderen. Een belangrijk beginsel daarbij is dat de betrokkenen (zowel degene die het bezwaar of de beschuldiging indient als degene die het betreft) op evenwaardige wijze gehoord worden, voordat er een beoordeling en een eventuele maatregel volgt.
En de kerkenraad dan? (…) Wat het opzicht betreft is het van oudsher regel dat daarin niet de kerkenraad alleen bevoegd is, maar dat daarin een rol toekomt aan de bredere organen in de kerk. Ten aanzien van ambtsdragers en functionarissen is de reden hiervan dat het voor een objectieve en onpartijdige behandeling van opzichtzaken van bijzonder belang is dat deze niet binnen de eigen kring van de kerkenraad blijft, maar door de bredere organen – met meer ervaring en distantie – plaatsvindt. Wat de predikanten betreft geldt daarnaast dat zij predikanten der kerk zijn (niet enkel van de gemeente). Eventuele maatregelen die hun ambt raken – en bij ernstige maatregelen tegelijk hun rechtspositie – moeten worden genomen door organen van de kerk als geheel. Het kerkelijke tuchtrecht brengt dan ook mee dat de kerkenraad in zaken van het opzicht de beslissingen van de bredere organen van de kerk heeft te respecteren.
In het verlengde van het voorgaande ligt dat de kerkenraad de bemoeienis van de opzichtorganen niet kan afwijzen. (…) Zo kan de kerkenraad, indien één van zijn leden geschorst is, hem of haar niet toelaten om zijn/haar ambtsvervulling toch nog te laten uitoefenen. De kerkenraad zal loyaal moeten meewerken aan de uitvoering van de opgelegde maatregel, ook al zou de kerkenraad intern een ander oordeel over de zaak in kwestie hebben gehad. Dit kan een kerkenraad en/of een gemeente, afhankelijk van de situatie, soms erg zwaar vallen. Bij zulke verschillen van inzicht moet bedacht worden dat alleen het opzichtcollege een compleet beeld heeft van de zaak en dat de kerkenraadsleden in het gros van de gevallen niet op de hoogte zijn c.q. konden zijn van de concrete details van de behandelde zaak.
Wanneer komt het opzicht eraan te pas? Als iemands belijdenis of gedrag of iemands vervulling van zijn/haar ambt of dienst aanleiding geeft tot bijzondere bemoeienis kan, als de fase van praten (‘pastorale samenspreking en vermaan’) geen oplossing heeft geboden, een klacht c.q. beschuldiging worden ingediend bij het bevoegde college voor het opzicht. Het initiatief daartoe gaat dikwijls uit van de kerkenraad, maar vaker nog van degene die persoonlijk last of leed heeft ondervonden van het bedoelde gedrag. Betreft het gedragingen in strijd met wat de kerk belijdt (voorbeeld: doop voor de tweede maal) dan zal het vaak de kerkenraad of een medegemeentelid zijn die een bezwaar inbrengt. Betreft het (…) seksueel misbruik of ander misbruik in pastorale of gezagsrelaties dan is de klacht in de meeste gevallen afkomstig van het slachtoffer daarvan of van zijn/haar partner of ouders. In alle gevallen is het college voor het opzicht ook bevoegd zelf, indien het op andere wijze kennis krijgt van bepaalde feiten, een onderzoek naar iemands belijdenis of wandel respectievelijk zijn/haar ambtsvervulling in te stellen.
In elk onderzoek vindt uitvoerig hoor en wederhoor plaats, zowel schriftelijk als mondeling. Zo nodig worden getuigen en/of deskundigen geraadpleegd. Na afronding daarvan volgt de schriftelijke – gemotiveerde – beslissing. Daarbij wordt tevens mededeling gedaan van de mogelijkheid van hoger beroep. De beslissingen worden behalve aan de rechtstreeks betrokkenen, ook toegezonden aan de betrokken kerkelijke organen.
Wie voeren het opzicht uit? Afgezien van het opzicht over de gemeenteleden, dat zoals al gezegd gehouden wordt door de colleges van de predikant en ouderlingen, wordt het opzicht – in opdracht van de bredere ambtelijke vergadering – gehouden door de colleges voor het opzicht. De leden daarvan worden benoemd door de regionale ambtelijke vergaderingen. Het college voor hoger beroep wordt door de synode benoemd. De colleges bestaan uit predikanten en ouderlingen die ruime ervaring in het reilen en zeilen van de kerk en de gemeente hebben en een zuiver oordeel over de voorgelegde zaak kunnen vellen. Zij worden in de behandeling en de beslissing bijgestaan door een jurist uit de belijdende leden. Daarnaast worden de colleges in zaken van misbruik van pastorale relaties of gezagsrelaties uitgebreid met twee extra leden, die door de generale synode benoemd zijn en uit hoofde van hun eigen beroep of bedrijf deskundig op dat gebied zijn. De colleges bestaan in die gevallen dus uit zeven leden, voorzien van een juridisch adviseur.
De afronding van het opzicht De behandeling van een bezwaar of een ingebrachte beschuldiging tegen iemand kan een ingrijpende gebeurtenis zijn, niet alleen voor de betrokkenen zelf maar ook voor de gemeente en de kerkenraad. Het schrijnend voorbeeld is een klacht van seksueel misbruik in een pastorale verhouding. Het is de taak van de colleges voor het opzicht om zo goed mogelijk vast te stellen wat waar en wat niet waar is van de beschuldiging en of een tuchtmaatregel (zo ja, welke?) op zijn plaats is. Nadat de beslissing daarover bekend gemaakt is, is het in het algemeen niet aan het college voor het opzicht om vervolgens actief toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de maatregel of op de verdere gedragingen of de ambtsuitoefening van de betrokkene. Hierop bestaat één uitzondering: Een college voor het opzicht moet ingeval van een schorsing voor onbepaalde tijd van een ambtsdrager of functionaris, na een vastgestelde tijd de zaak opnieuw ter hand nemen om te beoordelen of de beslissing herzien moet worden. In de andere gevallen eindigt de taak van het college op het moment dat het uitspraak heeft gedaan. Het college vertrouwt er dan op dat zijn beslissing (hetzij dat een beschuldiging gegrond wordt verklaard, hetzij dat zij als ongegrond wordt afgewezen) wordt gerespecteerd door de betrokkenen zelf en door allen die het in wijder verband in de gemeente en de kerk aangaat. Na kortere of langere tijd moet dan blijken of het doel van het opzicht (…) kon worden bereikt.
De laatste zin raakt het hart van wat het opzicht in de kerk wil zijn: ‘Het opzicht, gegrond in de barmhartigheid van Jezus Christus, geschiedt tot eer van God, tot bewaring van de gemeente en tot behoud van hen die dwalen.’ (art XII van de Kerkorde)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's