Burger van Gods Koninkrijk
Belijdenis gebeurt niet voor niets voorin de kerk
‘Waarom moet je eigenlijk in de kerk belijdenis van je geloof afleggen? Op elk moment dat dat nodig is, getuig ik van mijn geloof – in de trein, op school, waar dan ook.’ Elk seizoen is er wel een catechisant die met deze vraag komt.
Ik heb de indruk dat het een vraag van de laatste jaren is. Ze lijkt typerend voor het individualistische klimaat waarin wij leven, ook in de kerk. Toch is het te oppervlakkig om deze vragen als uiting van individualisme af te doen. Individualisme staat immers voor de houding waarin ieder voor zichzelf denkt, doet en leeft. Wat een ander doet moet hij of zij vooral zelf weten, daar bemoeien wij ons niet mee. Maar het geloofsgetuigenis waar ik veel jongeren over hoor, staat daar juist haaks op. Het is weliswaar een uiting van een persoonlijk geloof, maar duidelijk gericht op de ander.
Niet afdoende
Als dus het openbare of publieke karakter van het geloofsgetuigenis niet zozeer het ‘probleem’ is, wat dan wel? Punt lijkt eerder de vraag wat het moment van de belijdenis in de kerk nog toevoegt aan al die andere momenten. Niet dat het in de kerk niet om een bijzonder, zelfs feestelijk gebeuren gaat – zeker wel. ‘Heel de wereld mag het weten...’, elke dag en overal. Waarom dan dat moment in de kerk? Natuurlijk, je kunt best een aantal zaken aandragen: dat het al eeuwen zo is geweest, dat er een toetsing is van het geloof voor de kerkenraad, de instemming van de gemeente. Allemaal zaken die waar zijn, maar toch nooit helemaal afdoende, niet voor mij en waarschijnlijk ook niet voor een jongere.
Aard van kerk
Wat ik in de loop van de tijd steeds meer ben gaan zien, is dat je het openbare karakter van de geloofsbelijdenis niet kunt losmaken van het openbare karakter van de kerk. Zij zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Raak je het zicht op het één kwijt dan onherroepelijk ook op het ander. Alleen wanneer je dat van de kerk gaat begrijpen, ga je ook dat van de geloofsbelijdenis begrijpen. Hoe zit dat? Wat is dan het openbare of publieke karakter van de kerk? Laat ik beginnen met wat het níet is. Het is niet dat de kerk in de maatschappij veel te vertellen zou moeten hebben, zoals onze kerk eeuwenlang een stempel heeft gezet op onze cultuur. De kerk wordt niet pas publiek als zij naar buiten treedt. Nee, zij is van zichzelf publiek. Ook als ze slechts in de schuilkelders samenkomt, heeft zij een publiek karakter.
Allesomvattende claim
Waarin ligt dat? De kerk is openbaar of publiek vanwege het de allesomvattende claim van het Evangelie. Het woord Evangelie zegt het al: het is niet alleen ‘goede boodschap’ (Jes.40:9, 52:7), maar het klonk in de Romeins- Griekse oren ook als de ‘persverklaring van de regering’. In dit geval: de publieke af- en verkondiging van het Koninkrijk van God, dat is gekomen in Jezus Christus. Het Koninkrijk van God was dan ook niet voor niets de kern van Jezus’ boodschap. Gods regering was weliswaar in eerste instantie gericht tot het volk van Israël (Mat.15:24), maar is uiteindelijk voor de hele wereld is bestemd (Mat.28:19). Wat deze claim allesomvattende maakt? Dat deze boodschap het nieuws bevat over niets minder dan de nieuwe mens. Waar Jood en heiden door een muur (de wet) van elkaar waren gescheiden en als vijanden tegenover elkaar stonden, daar heeft Christus die ‘vijandschap in Zijn vlees tenietgedaan, (...) opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen en zo vrede zou maken’, zo schrijft Paulus in zijn brief aan de gemeente te Efeze (2:15).
Politiek karakter
In diezelfde brief worden wij door Paulus medeburgers der heiligen genoemd. Daarom wordt ook wel gesproken over het politieke karakter van de kerk. Dat klinkt natuurlijk heel vreemd, omdat wij bij ‘politiek’ denken aan het kabinet of het parlement en zeker niet aan de kerk. Kerk en staat zijn juist gescheiden. Hoewel dat zo is – en dat is ook goed – moeten wij daarmee niet in de valkuil stappen dat de overheid staat voor het publieke en de kerk voor het private. Integendeel, het publieke van de kerk is gelegen in haar politieke karakter. Niet dus omdat de kerk politieke invloed wil uitoefenen, maar omdat zij de gemeenschap is van de nieuwe mens, een stad (polis) van een eigen karakter. De kerk komt voort uit Israël, maar heeft het politieke daarvan niet achter zich gelaten; zij draagt dat op een nieuwe manier in zich. Het is een samenleving op zichzelf, waarvan de leden burgers zijn van het Koninkrijk van God.
Ambt van alle gelovigen
Dit perspectief maakt ook het openbare karakter van de geloofsbelijdenis helder. Wie voorin de kerk zijn of haar geloof belijdt, aanvaardt op dat moment dit burgerschap, met alle daaraan verbonden verantwoordelijkheden. Door sommigen wordt dit moment dan ook wel als een bevestiging tot het ambt gezien. Niet het bijzondere ambt van predikant, ouderling of diaken, maar het ambt van alle gelovigen. In dat opzicht is Paulus’ brief aan Efeze opnieuw leerzaam, als hij in het vierde hoofdstuk schrijft over de opbouw van de gemeente. Hij ziet daarbij een belangrijke rol voor de verscheidenheid aan gaven die aan de gelovigen zijn geschonken. Ambt en gaven moeten wij daarom nooit tegen elkaar uitspelen. De bijzondere ambten zijn er zodat het ambt van de gelovigen tot zijn recht komt.
Verantwoordelijkheden
Het was de Reformatie die zich tegen de verambtelijking in de Rooms-Katholieke Kerk keerde, waar alles draaide om het ambt. De hervormers legden weer alle nadruk op het priesterschap (ambt) van alle gelovigen (1 Petr. 2:9). De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hier in de praktijk vandaag nog wel wat te winnen valt. Hoe anders Paulus – en daarom ook het belang van de openbare belijdenis, nadat de kerkenraad er tijdens de zogenaamde aannemingsavond mee heeft toegestemd. Het moment waarop je in het midden van de gemeente je jawoord mag geven, is het moment dat je de volle verantwoordelijkheden aanvaardt als christenburger en zo ook je plaats in de kerkelijke gemeenschap inneemt.
Tegen tijdgeest
Dit publieke karakter van de kerk en het christelijke burgerschap staan haaks op de tijdgeest. Waarom? Omdat wij leven in een maatschappij waarin het publieke dreigt teloor te gaan. De samenleving doet eerder denken aan een markt waarin mensen nog louter consumenten lijken te zijn. Consumenten die verantwoordelijkheid meer en meer zien in het licht van hun eigen belangen. Consumenten die schijnbaar hun eigen keuzes maken, maar daarin worden gestuwd door de uitgekiende marketingstrategieën van de massacultuur. Noties van het openbare en het burgerschap worden daardoor ernstig ondergraven – ook die van de kerk. Het is daarom ook in deze tijd van groot belang dat de kerk zichzelf opnieuw leert verstaan vanuit het Evangelie.
Idealistisch?
Is dit begrip van de kerk en de geloofsbelijdenis niet veel te idealistisch? Leidt zo’n besef niet tot een misplaatst zelfbewustzijn (‘wij zijn...’), dat vroeg of laat in zijn tegendeel zal verkeren? Dat gevaar kunnen wij alleen tegengaan wanneer wij elkaar wijzen op de samenhang tussen belijdenis en het sacrament van de heilige doop en van het heilig avondmaal. Het zijn de sacramenten die ons immers stilzetten bij Gods herscheppend werk in Jezus Christus. Bij Zijn ja tegen ons toen wij nog zondaren waren. Bij ons ja dat elke keer weer mag terugvallen op het ja en amen van God in Jezus Christus (2 Kor.1:20).
---
Belofte overnemen
Vanaf dat ik geboren ben, ben ik opgevoed met het christelijke geloof. Mijn ouders hebben bij mijn doop de belofte gedaan om mij voor te gaan in alle dingen die met het geloof te maken hebben. Ze beloofden mij alles te leren wat in de Bijbel staat en voor mij daarin een voorbeeld te zijn. Maar dat ik gedoopt ben, wil niet zeggen dat ik ook vanzelfsprekend tot geloof zou komen. Ik vind het moeilijk om een moment in mijn leven aan te wijzen waarin het geloof voor mij persoonlijk belangrijk werd. Wel weet ik dat door een preek van ds. A.A. Floor het geloof voor mij persoonlijk werd. De predikant vroeg of je een steunpilaar voor het fundament van Gods Kerk wilde zijn. Dit wilde ik, maar: Hoe doe je dat dan? Vanaf dat moment was ik mij ervan bewust dat de ‘keus’ bij mijzelf lag. Ik ben nu op het punt gekomen om de verantwoordelijkheid van mijn ouders over te nemen. De belofte die zij bij mijn doop gedaan hebben, zal ik overnemen, omdat ik nu zelf kan zeggen: Ik geloof in God de Vader, in Jezus Christus Zijn Zoon en in de Heilige Geest.
Willeke de Vries, Elim (Drenthe)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 2011
De Waarheidsvriend | 28 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 2011
De Waarheidsvriend | 28 Pagina's