Willibrordberaad
In Wapenveld, tijdschrift over geloof en cultuur, filosofeert Herman Oevermans verder over de nationale synode die in december in Dordrecht werd gehouden. Wat hem betreft komt er een vervolg in een ‘Willibrordberaad’.
Ik ben in december niet in Dordrecht geweest, op de Nationale Synode, maar ik word vrijwel zeker een vaste bezoeker als dit moment van gezamenlijke christelijkspirituele bezinning en ontmoeting een blijvertje gaat worden. En dat zou best eens kunnen. Want oude vormen verkruimelen en nieuwe worden gezocht en hopelijk gevonden, experimenterend en met vallen en opstaan. Alleen al in dit licht bezien verdienen de initiatiefnemers veel lof voor hun moed. (…)
Het besef dat de kerk naar de marge gaat, is ondertussen wel behoorlijk doorgedrongen. Of dat ook geldt voor het inzicht dat de overgang naar een netwerksamenleving onherroepelijk ook andere organisatievormen met zich meebrengt, waag ik te betwijfelen. Toch is het wel zo. Was nog geen vijfentwintig jaar geleden afgevaardigd worden als ouderling naar een synode een hele eer (mijn oom, een ontwikkelde boer, vond het een prachtige happening, hij werd in vijfentwintig jaar zeven keer afgevaardigd naar de christelijke gereformeerde synode), nu duikt iedereen als het even kan weg achter de watervaten. Twintig tot dertig vrije dagen, waar haal je ze vandaan in een hectisch professioneel bestaan? Gevolg is een veel grotere omloopsnelheid van afgevaardigden. Net zoals in de Tweede Kamer. Daar geldt overigens hetzelfde verlies aan gezag. Kortom, de overgang naar een netwerksamenleving doet de noodzaak voelen naar andere vormen van onderling beraad. De industriële tijd met z’n hiërarchische vormen is op zijn retour (heel kort gezegd). Zeker niet alleen in de kerk, maar ook in de samenleving. (…)
Oevermans ziet daarom de noodzaak van beraad over (nieuwe) vormen van bovengemeentelijke samenwerking.
Dat bovengemeentelijk afstemmen is echt wel een punt, want de versplintering en het amateurisme zijn soms bedroevend. Ik snap aan de andere kant ook het romantisch gefl irt met de plaatselijke gemeente niet, vaak ook nog door mensen die in hun professionele bestaan heel goed weten dat hun bedrijf of organisatie vaak ook onderdeel is van een grotere nationale of internationale keten. En dat dat ook zo zijn voordelen heeft. De kerk heeft een plaatselijke spits in de gemeente, natuurlijk, maar de geestelijke infrastructuur is bovenplaatselijk. (…)
Kerkenraad, classis, synode, het zijn vormen die passen in een samenlevingsmodel dat verouderd raakt. Dan zit er niets anders op dan doorontwikkelen naar nieuwe vormen, passend bij een samenleving die er anders uitziet. Ik ben een gereformeerd jongetje, maar met enig bedrijfskundig besef (het woord alleen al doet veel theologen gruwen, alsof Jetro Mozes niet al lang geleden raad gaf hoe hij de boel moest organiseren), en heb het vermoeden dat in de evangelische wereld zinvolle experimenten plaatsvinden – minder kopschuw vanwege kerkorden, etc. – die helpend kunnen zijn. Ik heb zelfs het vermoeden dat het katholieke bisschopsmodel plus de wat bedrijfsmatig ogende evangelische gemeentestructuur meer passend zijn dan de huidige gereformeerde modellen. Eigenlijk hoop ik op een sterke plaatselijke gemeente, nuchter georganiseerd (gewoon een kerkenraad, of een raad van oudsten met daarin echt verschillende portefeuilles), een bovengemeentelijk – noem het classicaal – verband voor ondersteuning (intervisie tussen predikanten, trainingen voor jongerenwerkers, catecheten, etc., liefst ook met wat bisschoppelijk of senior-pastor toezicht op de kleinere gemeenten en de junior-predikanten), samengesteld uit theologen en leken vanuit andere disciplines en een nationaal beraad, kerkoverstijgend. Zoiets. (…)
In een netwerkorganisatie is het veel minder gemakkelijk te bepalen wie er nou wel tot de organisatie behoort en wie niet. De focus verschuift deels van de organisatie naar de netwerken waarin de organisatie participeert. Dat is precies de reden waarom de vraag van welke kerk je lid bent steeds minder relevant wordt. Dat heeft de nationale synode goed aangevoeld. De grenzen worden wat anders getrokken. Misschien is de scheidslijn – hoe vaag je m.i. die grens ook moet houden – tussen orthodox en vrijzinnig wel het meest helpend. (…)
Zo’n nationale synode (…) moet natuurlijk niet alleen over vormen en structuren praten. Hoe zinvol overigens ook. (…) Maar meer nog moet het inhoudelijk beraad centraal staan. Elk jaar komt in Davos – ik meen tussen Kerst en Oud en Nieuw – de mondiale elite uit de wereld van politiek, wetenschap en bedrijfsleven samen. Om door te praten over mondiale thema's. Een klein comité organiseert het geheel. Ik vind dat wel een mooi voorbeeld voor waar het met de nationale synode naartoe zou moeten. Laat een klein comité de nationale synode voorbereiden. Niet formeel gebonden aan de kerken, wel heel goed luisterend. En met lijntjes naar de kerken en de grote evangelische verbanden, dat wel.
Oevermans stelt verder dat de kerk principieel gezien wereldwijd is en niet nationaal. Daarom moeten de christenimmigranten nadrukkelijk meedoen. En het woord synode is evenmin adequaat.
Dordrecht is ook niet de goede plek. Dan vliegt iedereen weer in zijn eigen groef (zoals de Remonstranten, die toch minder modern bleken dan ik dacht, zo gehecht zijn ze aan hun eigen nestgeur). Wat mij betreft wordt Utrecht de plek van ontmoeting. Lekker centraal voor wie met de trein komt. Maar ook omdat in Utrecht een mooi standbeeld van Willibrord staat, op het Janskerkhof, de man op het paard met de kerk in zijn hand (als ik er langs loop neem ik altijd mijn hoed af ). Met hem is de doorwerking van het Evangelie toch begonnen in de Lage Landen. Ik geef ’m voor beter, maar ik zou spreken van het jaarlijkse of tweejaarlijkse Willibrordberaad. Ik denk dat tweejaarlijks beter is. Zet wat minder druk op de voorbereiding. En de kwaliteit kan op niveau blijven.
Waar zou inhoudelijk dat Willibrordberaad over moeten gaan? Over wat er in kerk en cultuur gebeurt, heel goed luisteren, naar de Schrift en naar de tijd en cultuur. En dan de vraag stellen wat er na het luisteren gedaan moet worden, heel concreet. Niet alleen confereren, ook doen, Bidden en werken. En dat voortdurend heen en weer. Dat betekent dat alleen mensen die echt wat te zeggen hebben het woord mogen voeren. Samen bidden en samen zingen. De gemeenschap der heiligen proeven. Bemoedigd worden. Luisteren naar de Heilige Geest. Initiatieven bespreken. Maar dus vooral op een zo diepborend mogelijk niveau. Dat houdt wat mij betreft ook in dat het niet alleen een beraad is waar theologen het woord voeren. (…)
In Handelingen 28 zien we een klein mannetje Rome naderen. Het is Paulus. Het Evangelie heeft zich een spoor gebaand, van Jeruzalem naar de hoofdstad van de toenmalige oecumene, Rome. Paulus is onder de indruk, bedrukt. Wat staat hem te wachten? Dan komen hem broeders tegemoet, uit Rome. Het Evangelie is er al. Paulus verheugt zich, grijpt moed en midden op straat spreekt hij een dankgebed uit.
Zo stel ik me voor dat op en rond het Janskerkhof in Utrecht vertegenwoordigers van tal van Christusbelijdende gemeenschappen – allochtoon en autochtoon – elkaar ontmoeten, met elkaar nadenken over wat de Bron is waar we als christenen uit leven, goed luisteren naar wat de Geest in onze tijd ons te zeggen heeft, tot plannen en initiatieven komen (daarvoor zijn ook de wandelgangen) en na twee, drie dagen weer welgemoed naar de eigen gemeenschappen terugkeren (die nog steeds hun bestaansrecht hebben, hoewel hun leden ook verbonden zijn met tal van andere netwerken). Om daar met wijsheid te opereren, in het besef deel te zijn van het wereldwijde lichaam van Christus.
Dat allerlei kerkordelijke vormen en structuren onder druk staan is een waarneming die ik herken. Het is van daaruit een terechte vraag in hoeverre de kerkorde die wij in de Protestantse Kerk gebruiken niet aan een fundamentelere herziening toe is dan de huidige ronde van aanpassingen die dit jaar in de classicale vergaderingen worden besproken. Het belangrijkste argument in Oevermans redenering is de overgang naar een ‘netwerksamenleving’. Dat werkt hij theologisch niet uit, dat is jammer en daardoor komt een aantal van zijn conclusies over vormen die over datum zijn mij wat te snel. Curieus is dat de schrijver een beraad voorstelt naar het voorbeeld van het World Economic Forum in Davos. Zo’n elitaire vorm roept herinneringen op – nee, niet aan de twintigste – aan de negentiende eeuw. Daar moet Oevermans nog maar eens over denken. Willibrordberaad is een bruikbare naam, maar verder moet je niet te veel willen regelen, lijkt me.
Ten slotte de tekst van een lied van Guillaume van der Graft (W. Barnard) ter gedachtenis aan de apostel van de Lage Landen, te zingen op de melodie ‘Von Gott will ich nicht lassen’. Het zou goed dienst kunnen doen bij het volgende Willibrordberaad (met een kleine wijziging in het derde couplet).
Wij offerden aan goden
ons leven en ons bloed,
wij ademden ten dode,
toen kwam ons tegemoet
een bode van het Woord
en heeft voor ons gebeden
en bracht ons in de vrede:
dank God voor Willibrord!
Wij zongen met zijn allen
uw lof als uit één mond.
Wij zijn uiteengevallen,
o maak ons weer gezond,
van harte eensgezind,
één lichaam, één verlangen
om adem te ontvangen
die in ons bidt en zingt!
Weer teisteren de machten
van duisternis en haat
uw aarde en wij wachten
weer op de dageraad
O God, roep ons opnieuw!
O God, blijft ons bewaren
in deze laatste jaren
voor ’t einde van de eeuw.
Wij blijven op u hopen,
uw toekomst, uw advent.
Breek onze kerken open
zodat men u herkent
ter wille van uw woord,
uw naam die wij belijden
als in de eerste tijden,
de dag van Willibrord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's