De weg naar God terug
In het zomernummer van Ouderlingenblad, het zogeheten maandblad voor pastoraat en gemeenteopbouw, schrijft dr. Stefan Paas over kerk zijn in een postchristelijke samenleving.
Nederland is postchristelijk geworden. Een postchristelijke samenleving defi nieer ik als een samenleving waarin de grote meerderheid wel christelijke wortels heeft, maar het christelijk geloof niet meer ziet als een zinvolle tijdsbesteding. De Engelse schrijver C.S. Lewis vergeleek dit eens met een echtscheiding. Een gescheiden vrouw is niet hetzelfde als een ongetrouwde vrouw. Zij heeft een huwelijk achter de rug. Misschien zal ze ooit opnieuw trouwen, maar ze zal in het algemeen veel wantrouwiger staan tegenover het huwelijk dan iemand die nooit getrouwd is geweest. Zo staan veel Nederlanders, de grote meerderheid, tegenover het christelijk geloof en tegenover de kerk. Meestal weten ze er wel iets van, geloven ze ook wel ‘iets’. Slechts een kleine (hoewel luidruchtige) minderheid staat regelrecht vijandig tegenover het christendom. De meeste mensen kijken ernaar met een soort welwillende onverschilligheid. Leuk voor jou, maar ik heb er niet zoveel mee. En die onverschilligheid kan zomaar omslaan in wantrouwen, zodra gelovigen al te stevige uitspraken doen.
In een postchristelijke samenleving hebben alle grote instituten van weleer problemen. Denk aan vakbonden, politieke partijen en sportverenigingen. Ze worstelen allemaal met dezelfde problemen als de (grote) kerken: vergrijzing, afnemende betrokkenheid, losse bindingen. Maar de kerk heeft een dubbel probleem. Niet alleen zijn mensen van nu minder bereid zich te binden aan een organisatie, daarnaast wordt de boodschap van de kerk niet meer geloofd. De kerk leidt aan een gebrek aan geloofwaardigheid. Voor veel mensen is het christelijk geloof simpelweg ongeloofwaardig. We leven in een ‘technische’ wereld, waarin de wetenschap een hoge vlucht heeft genomen. De individualisering heeft zich doorgezet: veel mensen ervaren het als een aanslag op hun waardigheid wanneer zij zouden moeten geloven in een God die hun leven regeert. We hebben God niet meer nodig om de wereld te verklaren, we hebben Hem niet meer nodig om onze samenleving in te richten of om onze moraal te funderen. Gelovigen zijn niet beter dan andere mensen, niet gelukkiger en niet rijker. Als je vandaag wilt geloven in God, is dat prima, maar nodig is het niet.
Volgens Paas zal de kerk haar vroegere positie in Nederland niet terugkrijgen. Kerken zullen deel uitmaken van kleine vrijwilligersorganisaties. Maar de behoefte aan geloofsgemeenschappen zal niet verdwijnen, zo verwacht hij.
Er blijven immers vragen die ook in een moderne samenleving niet opgelost worden. Geloof draagt uit dat er meer is in het leven dan wij ooit zullen begrijpen. Het helpt ons om te gaan met het kwaad dat we nooit kunnen straffen, de verborgen deugden die we nooit kunnen belonen, het lijden dat we nooit kunnen verzoenen. Het geeft ons voorbeelden van leven en samenleven die andere systemen niet kunnen bieden. Op het moment waarop ik dit schrijf, wenden de meeste mensen zich niet tot de kerk voor dit soort vragen. Zij gaan te rade bij de kunst of bij alternatieve spiritualiteiten. Maar zelfs nu wenden ieder jaar honderden ontkerkelijkte Nederlanders zich (opnieuw) tot de kerk en verbinden zij zich aan een christelijke gemeenschap. Wie weet of na een paar generaties, als de herinnering aan een eeuwenlange christelijke cultuurperiode vervaagd is, die aantallen weer zullen toenemen (al zullen we dan waarschijnlijk geen formele lidmaatschapscriteria hebben om de ‘stand’ bij te houden).
Een van die ‘ontkerkelijkte’ Nederlanders die zich opnieuw aan de kerk verbinden is Jim Schilder (54), oud-journalist van onder andere de Groene Amsterdammer en voormalig redactiechef van HP/de Tijd). Hij groeide op in de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt), als zoon van oudtestamenticus prof. H.J. Schilder. Aleid Schilder, die in 1987 bekend werd met haar boekje Hulpeloos maar schuldig, is een zus. Jim is langzaam uit de kerk weggegleden; van twee keer per zondag naar de kerk naar helemaal niet meer. In de Volkskrant (20 juli) vertelt hij over het keerpunt in zijn leven en zijn weg terug naar God.
Het Laatste Avondmaal, ik was er zó graag bij geweest. Daar begon het, in kleine kring. Dat Hij zei: neemt en eet, dit is mijn lichaam. De leerlingen zaten er met hun neus boven op, maar hadden eigenlijk geen idee wat er gaande was. Misschien was het ook te groot voor ze.
In het evangelie staat dat Jezus in Gethsemané bloed zweette van angst, en dat hij ‘tot stervens toe’ bedroefd was. Een theoloog zei er eens over dat Jezus daar zag hoe de zondeval er vanuit God gezien uitzag. Dat de mens Jezus daar het verdriet van God zag... dat is... (hij schiet vol) ... dat kunnen wij niet... nee, dat zien wij niet... Zouden wij dat echt zien, hoe we zijn bedoeld, dan zouden wij heel anders in het leven staan. Dan zouden we echt naastenliefde praktiseren.
Sommigen vragen zich af: is Jim een beetje mataglap, is er iets raars gebeurd? Wat je wel ziet bij lieden die van de ene op de andere dag naar India vertrekken en in een sekte belanden. Er zijn mensen die mij op de man af hebben gevraagd of ik nog steeds degene ben die zij ooit hebben leren kennen. Die mensen zijn daar in bevestigd. Ik snap zelf ook niet waarom Jeruzalem nu zo diep in mijn hart gegrift staat, terwijl ik daar twintig jaar geleden niet naar omkeek, helemaal niet nadacht over het Laatste Avondmaal.
Het is een moeilijke overgang, zo’n reset. Het kost veel energie om op een andere manier in het leven te gaan staan. Echt vervelende reacties heb ik er niet op gehad, wel nieuwsgierige en verbaasde. En veel respectvolle, ook van mensen die cynisch of atheïstisch in het leven staan. Je wordt voor velen een soort aanspreekpunt. (…)
De omkeer in zijn leven is een optelsom van verschillende momenten over een langere periode. Eerst heeft Schilder bij een regressietherapeut een visioen, dat hem tot tweemaal toe in Frankrijk brengt. Op een berg, 1200 kilometer van huis, heeft hij een bijzondere ervaring.
Dat je ineens weet: dit is de oorsprong, het doel en de zin van het leven. Dat is zó vervullend, daar kan niets tegenop. Ik denk dat je daar alleen nog in het hiernamaals overheen kunt. Die ervaring leidde tot mijn herverbinding met God, maar nog niet met het christendom of de kerk. (…)
In 2005, twaalf jaar later is Jim een week in Jeruzalem. Daar ‘is Christus bij mij binnengekomen, zonder klaroenstoten en zonder grootse ervaringen. Maar Hij was wel binnen. En vroeg mij naar de kerk te gaan.’ Weer een jaar later stapt Jim de Amsterdamse Nicolaaskerk binnen:
De eerste viering die ik daar meemaakte, was zo mooi en overrompelend dat ik daarna elke zondag ging. Ik wilde katholiek worden en deed mee met een voorbereidingsgroep. Op een avond kregen we een rondleiding in de kerk. Ik ging bij het altaar staan en toen kwam iets van boven. Uit die koepel. Een straal, een energiestoot. Heel zacht en krachtig en overrompelend. Het stomme met dat soort dingen, net als met zo’n visioen, is dat je helemaal nergens op rekent. In de weken daarna werd mij duidelijk waarover dit ging: over het priesterschap. Ik wist: ik moet bij het altaar zijn, niet alleen als gelovige, maar als priester.
Dat was een schok. Tegelijk weet ik dat wat ik nu doe belangrijker en fundamenteler is dan alles wat ik hiervoor heb gedaan. Ik heb geregeld ervaringen die dat besef sterk bevestigen. Wanneer ik actief ben in de eucharistievieringen en de voorbede doe of assisteer op het priesterkoor, dan is dat zo bevestigend en zo dicht bij Christus, dat ik zeker weet dat mijn plaats bij het altaar is.
Die bevestiging gaat hand in hand met een gevoel van vervreemding en verbazing. Dat ik bij voorbeeld hier op het seminarie over de gang loop, naast mijn kamerdeur mijn naambordje zie hangen en denk: hoe is dat nou zo gekomen? Dat is de ratio waar we sinds de Verlichting zo dol op zijn. Die hobbelt er altijd achteraan. Eerst is er het weten, daarna komt pas het verhaal. Dat weten is van een grote kracht. Daar kan niets tegenop. (…)
Ik heb de afgelopen decennia een aantal wonderlijke afslagen genomen en het is niet gezegd dat dit de laatste is. Ik heb dat niet in de hand. Christus gaat daar over. Dat is ook goed. Juist door het uit handen te geven, kom ik waar ik moet zijn.’
Jim hoopt in juni 2012 tot priester te worden gewijd.
Het verhaal van Jim is opmerkelijk. Het is helemaal van deze tijd, want sterk persoonlijk en met grote aandacht voor gevoel en beleving, maar een ‘ietsist’ werd Jim toch niet. Hij wordt aangetrokken door Christus en de eucharistie en daarvoor schaamt hij zich niet. Toen ik het verhaal van Jim las, dacht ik aan de woorden van dit mooie lied (gez. 170):
Meester, men zoekt U wijd en zijd,
komend langs velerlei wegen. (…)
Maar vroeg of laat, ’t zij dag of nacht,
eens vindt Ge ons moe en zonder kracht,
hunkerend naar uwe zegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's