Gereformeerd kerkboek
Bij belijdenis hoort eigen stijl van geloven
Belijden is meer dan een theologisch standpunt. Het brengt een stijl van geloven met zich mee. In een tijd die op onmiddellijke beleving is gericht, is de gereformeerde stijl, met zijn stugge concentratie, het waard om vastgehouden te worden.
Als ik in enkele woorden zou moeten zeggen welke God ik belijd, zou ik naar artikel 17 van de NGB verwijzen. Ik lees er dat God ons in onze ellende ziet en dat wat Hij ziet Hem raakt en in beweging brengt. ‘Wij geloven dat onze goede God (…), ziende dat de mens zich zowel in de lichamelijke als in de geestelijke dood gestort had en zichzelf geheel ongelukkig had gemaakt, Zich begeven heeft om hem op te zoeken, toen hij al bevende voor Hem op de vlucht ging, en hem troost, hem belovende Zijn Zoon aan hem te geven, die worden zou uit een vrouw om de kop van de slang te vermorzelen’ (vertaald uit het Frans, naar de eerste uitgave). Voor mij is dit de samenvatting van (bijna) het hele bijbelse getuigenis. God blijft niet boven onze ellende zweven, maar zoekt ons op, in Zijn Zoon, in de belofte van het Evangelie, waarmee Hij de angstige op de vlucht geslagen mens vertroost. Artikel 17 wijst de weg naar het hart van God. Het spreekt in bijbelse taal over Gods bewogenheid. Alleen al vanwege dit artikel verdient de Nederlandse Geloofsbelijdenis het zijn plaats als kerkelijk belijdenisgeschrift te behouden. Ook na 450 jaar, want zo oud is de NGB vandaag.
Het Evangelie zelf
Het begin was dramatisch. In de nacht van 1 op 2 november 1561 werd de belijdenis met een begeleidende brief over de muur van de citadel te Doornik gegooid. Zij is gericht aan de daar zetelende gezagsdragers. Die moeten weten dat de leer waarvan zij de aanhangers vervolgen, het Evangelie zelf is, en dat de religie van Rome, die door de gezagsdragers wordt aangehangen, op bepaalde belangrijke punten als een afwijking van dat Evangelie moet worden gezien. Anderzijds wordt de gezagsdragers duidelijk gemaakt dat de belijders niet van plan zijn de (christelijke) samenleving omver te werpen, bijvoorbeeld door de kinderdoop nietig te verklaren, of door het overheidsgezag te verwerpen en gemeenschap van goederen in te voeren, wat (sommige) ‘wederdopers en andere oproerige lieden’ zeggen te willen (art.36). Antirooms en antidopers dus, en pro een samenleving rond een kerk die zich houdt aan het Evangelie.
Kerkorde
In 450 jaar is er veel veranderd. Van een rond het Evangelie georganiseerde samenleving zijn enkel nog restanten over. Wat rest, wordt stukje bij beetje opgeruimd. Belijden is een kerkelijke zaak geworden. De NGB blijft daarin meedoen. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland wordt ernaar verwezen. Het is de vraag of de belijdenis ook als zodanig functioneert. Wat mij betreft zou dat meer betekenis mogen krijgen. Woorden als die van artikel 17 kunnen nog steeds als antwoord dienen op de vraag: Wie belijden jullie eigenlijk? De taal die daar wordt gesproken verstaan mensen buiten de kerk ook.
Duitse jongeman
De meeste kerkgangers zullen de NGB via het (oude) kerkboek hebben leren kennen, waar zij, samen met de psalmen en ‘Enige gezangen’, de Heidelbergse Catechismus, de Dordtse Leerregels en de in de kerk gelezen gebeden en formulieren staat afgedrukt. Daar hoort zij ook thuis. Want bij het belijden, zoals de NGB dat voorstaat, hoort een eigen, gereformeerde manier van geloven. Een manier die gekenmerkt wordt door concentratie: op de Bijbel, op God en Christus in geloof en gebed. Daarin onderscheidt zij zich van de rooms-katholieke wijze, die ook ruimte laat voor religieuze tradities en voor het aanspreken van Maria en andere heiligen.
Ook met de ‘dopersen’ – vandaag heten ze baptisten of evangelischen – blijven er verschillen. De kwestie kinderdoop versus volwassendoop blijft actueel. Hoe diep deze in een mensenleven kan ingrijpen, werd ik gewaar bij een ontmoeting midden jaren ’80 in Jeruzalem. Ik raakte er in gesprek met een Duitse jongeman die in Jeruzalem was komen wonen. Hij wilde iets goedmaken van wat de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog was aangedaan. Een soort boetedoening. Ik vroeg hem of er ook een religieuze overweging achter zat. Oorspronkelijk niet, zei hij, maar hij was in Jeruzalem wel tot het geloof in Jezus gekomen. Dat was via het contact met in Jeruzalem levende christenen gegaan. Nu wilden diezelfde christenen dat hij zich liet dopen en dat wilde hij niet. ‘Mijn ouders hebben mij laten dopen, maar voor deze mensen is dat geen doop. Ik voel me onder druk staan, maar heb geen argumenten.’ Ik vertelde hoe ik het uit de NGB had begrepen: dat het doopwater maar een enkel ogenblik op ons is (wat overigens ook geldt voor wie als volwassene gedoopt wordt), maar dat het sterven en opstaan met Jezus, waar het in de doop om gaat, iets van ons hele leven is en dat de doop ons daarin een houvast voor ons hele leven biedt (vgl. art.34). ‘Zo is het’, zei hij en hij was hevig ontroerd. Hij had de basis van zijn bestaan gevonden en vervolgde zijn weg met blijdschap.
Zingen
Het gaat hier om meer dan een theologische stellingname. Voor een gereformeerd mens is de doop de grondslag van zijn bestaan. In de NGB is de doop een van God gegeven ‘getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, voor ons zijnde een genadig Vader’ (art.34). Dat is Hij al voordat wij dat geloven, en Hij zal het zijn, ook al beleven we dat niet altijd zo. Een dergelijke belijdenis brengt een eigen stijl van geloven met zich mee, die we niet zomaar kunnen veranderen. Belijdenis en kerkboek horen bij elkaar en we dienen ervoor te waken dat zij bij elkaar blijven. Zo is de vraag: Wat te zingen tijdens de kerkdienst? meer dan enkel een beleidskwestie. Zij verdient het ook theologisch te worden doordacht. Wat gebeurt er als gemeenten van gereformeerde snit evangelische (op onmiddellijke beleving gerichte) liederen gaan zingen? Hoe laat zich dat rijmen met de vrijheid van de Geest om de toe-eigening van het in de doop toegezegde heil uit te spreiden over een heel mensenleven? En met de vrijheid van de gelovige, die nu eenmaal niet altijd voelt wat hij op dat moment zou moeten voelen volgens het opgegeven lied? Wie psalmen zingt, laat zich door de Geest vóórzingen, wetend dat hij er een heel leven (en meer dan dat) over doen zal het gezongene te verstaan. Wie een gezang zingt – wat gereformeerden nooit principieel hebben afgewezen, denk aan de Avondzang – laat zich voorzingen door de kerk der eeuwen.
Bij elkaar passen
Het evangelische lied is, ook muzikaal, gericht op onmiddellijke beleving. Wat gebeurt er als je dat invoegt in een gereformeerde liturgie? Wat betekent het als een psalmen zingende gemeente het gezang overslaat en het evangelische lied in de kerkdienst invoert? Verlangt ze naar een andere, meer op onmiddellijke beleving gerichte manier van geloven en kerk houden? Als rondtrekkend gastpredikant weet ik meestal wel een geschikt lied te vinden, maar kerkboek en belijdenis moeten wel bij elkaar blijven passen. Wie kiest voor een op onmiddellijke beleving gerichte liturgie, moet niet verbaasd zijn als dan ook de vraag naar een op onmiddellijke beleving gerichte doop volgt, de volwassendoop dus. Maar dan is men in een ander geloofswereld, met eigen verwachtingen (en teleurstellingen), terechtgekomen. Een gereformeerde belijdenis vraagt om een eigen, gereformeerde stijl van geloven. Deze stijl is het waard om de wacht bij te houden in een tijd waarin alles op onmiddellijke beleving is gericht. Ter wille van de vrijheid van de Geest. Ter wille van de vrijheid van de gelovige.
---
Bijzondere betekenis
Bijna is het zover en komt de vrouwenvereniging in Katwijk aan Zee weer bij elkaar. M.H. Guijt-Guijt verzorgt de eerste inleiding. ‘Genesis 1 staat op het programma. Het leek een goede keus, maar het is nog niet zo eenvoudig om dit bijbelgedeelte te onderzoeken. Toch maar beginnen. Eerst het hoofdstuk lezen. We kennen de verzen al uit onze jeugd. Aan de ene kant een rijkdom, aan de andere kant een gevaar. We weten het allemaal wel… Maar gaandeweg wordt dat toch anders. Hoe meer ik vorder in het hoofdstuk, hoe meer ik onder de indruk kom van die God, die hemel en aarde geschapen heeft. Nadat ik diverse boeken over dit gedeelte heb gelezen, neem ik de Nederlandse Geloofsbelijdenis ter hand en lees: God heeft ons twee boeken gegeven waarin Hij Zich openbaart, te weten het boek van de schepping en de voorzienigheid en de Bijbel. God heeft de gelovigen het boek van de schepping gegeven, opdat zij er met de bril van de Heilige Schrift iedere dag in zouden lezen. God, die wij in Christus kennen, spreekt tot ons in de schepping, de wonderen van het heelal, in de loop van de geschiedenis en in de leiding van ons leven. Als ik dit op me laat inwerken, dan krijgt Genesis 1 een bijzondere betekenis. Dan is het niet een gedeelte waarover gediscussieerd moet worden, maar dan brengt het me tot aanbidding van God, de Schepper van hemel en aarde. De waarde van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is ook vandaag onschatbaar.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's