Nog steeds heilige takken
Het verbond [7, en Israël]
Het klassieke doopformulier stelt dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is. Dat roept de vraag op hoe het zit met Gods verbond met Israël. Begrijpelijke vrees voor vervangingstheologie moet niet leiden tot relativering van het verbond.
God heeft maar één genadeverbond. Dat ene verbond kent verschillende bedelingen. In het Oude Testament worden de contouren steeds scherper als God Zijn verbond achtereenvolgens aan Abraham, Mozes en David openbaart. In het Oude Testament wordt al gesproken over een heel nieuwe bedeling, als God Zijn wet in het hart van Zijn volk zal griffen en niet meer aan hun zonden zal denken (Jer.31:34). Voor deze nieuwe bedeling moest het verbond eerst vervuld worden. Christus heeft met Zijn dood en bloedstorting het nieuwe en eeuwige verbond van de genade en van de verzoening besloten met de woorden: ‘Het is volbracht.’ De wet is vervuld. Offers en andere schaduwen zijn niet meer nodig, omdat de Zon van de gerechtigheid schijnt in volle kracht.
Deur open
Het heeft Joodse christenen uit de eerste eeuwen moeite gekost om te aanvaarden dat de besnijdenis geen voorwaarde meer is om bij het verbond van God te horen. Paulus schrijft aan de gemeente van Kolosse: Jullie hoeven niet meer besneden te worden, want jullie zijn in Christus al besneden. Hij is voor jullie besneden. Jullie zijn zo één met Hem dat Zijn besnijdenis jullie besnijdenis is. Het teken van die vereniging is de doop (Kol.2:11-12). De vervulling van het verbond opent de deur voor de heidenen om – zonder enige voorwaarde vooraf – toe te treden tot de gemeenschap van de God van Israël. Zij die vroeger vervreemd waren van het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, zijn door het bloed van Christus nu dichtbij gekomen en één gemaakt met het volk van God (Ef.2:12-14). Toch komen de gelovigen uit de heidenen niet in de plaats van Israël als een nieuw volk van God. Nee, Gods verbond met Israël blijft van kracht, al is het geopend en verbreed. Daar wijst Paulus op in de Romeinenbrief.
Jaloezie
God heeft met de roeping van de heidenen een bedoeling voor Zijn volk; Hij wil hen tot jaloersheid verwekken. Vaak wordt dat positief uitgelegd. Het zou in de christelijke gemeente zo moeten toegaan dat Joden er jaloers op worden. De uitdrukking ‘tot jaloersheid verwekken’ verwijst echter naar het lied van Mozes. Israël heeft de Heere jaloers gemaakt door te fl irten met de afgoden. Daarom zal de Heere hen jaloers maken met Zijn liefde voor de heidenen. Het is de jaloezie, de afgunst van een huwelijksrelatie. Israël kan het niet uitstaan dat de Heere onbesneden heidenen aanneemt. De boodschap van zaligheid door het geloof alleen zonder de werken der wet wekt naijver bij Israël. De aanstoot ligt niet zozeer op het vlak van de psychologie – in wetticisme – maar meer op het terrein van de sociologie. Als heidenen gered worden door het geloof, maakt dat alle Joodse identity markers, zoals de besnijdenis en de voedselwetten, overbodig. De christenen in Rome uit de heidenen moeten goed beseffen dat zij alles aan Israël te danken hebben: niet alleen de Messias, maar ook het Evangelie. Met een verwijzing naar de profeet Hosea stelt de apostel dat degenen die geen volk waren (Lo- Ammi) nu Gods volk zijn en dat degenen voor wie er geen ontferming was (Lo-Ruchama) nu kinderen van de levende God genoemd worden.
Verloren stammen
Deze verwijzing roept best wat vragen op, omdat de profeet in zijn beloften niet spreekt over de heidenen maar over de tien stammen die in de diaspora zijn opgelost. Gaat het om een rest? Onder Hizkia komen er sommigen van Aser, Manasse en Zebulon om Pesach te vieren naar Jeruzalem (2 Kron.30:11). In sommige kringen is er een uitgesproken visie over de verloren stammen van Israël die overal in West-Europa terechtgekomen zouden zijn. De kring van de ‘Brits Israël’ en ‘Nederlands Israël’-beweging gelooft dat de Kelten en Germanen de verloren stammen zijn. Dat is pure speculatie. Toch is het wel opvallend dat Paulus de zaligheid van de heidenen verbindt aan de belofte voor de verloren stammen van Israël, alsof hij wil zeggen dat God Zijn belofte op een veel grootsere wijze vervult dan Hosea had durven dromen.
Olijfboom
De roeping van de heidenen lost het raadsel echter niet op. Op de vraag of God Zijn volk verstoten heeft, luidt het besliste antwoord: ‘Volstrekt niet!’ Paulus gebruikt voor het verbond van God met Israël het beeld van de olijfboom. Als de wortel heilig is, dan zijn de takken ook heilig. Door het ongeloof van Israël zijn er takken afgerukt, maar het blijven wel heilige takken. Zij liggen op de grond te wachten op het moment dat God ze zal oprapen en weer zal enten in de boom. Het ongeloof van Israël kan de trouw van God niet tenietdoen. Daarom moeten de geënte takken van de wilde olijfboom niet denken dat zij in de plaats van Israël gekomen zijn. Zij mogen delen in de wortel en de vettigheid van de olijfboom – de beloften gelden nu ook voor hen en hun kinderen. Zij moeten waakzaam zijn dat ze niet zelf door ongeloof ook de verbinding met het verbond van God verliezen. Aan het ongelovige Israël kunnen ze zien wat daarvan de consequenties zijn. Als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan zal hij ongelovig geworden christenen uit de heidenen zeker niet sparen.
Groot geheim
Paulus spreekt het vertrouwen uit dat Israël niet in het ongeloof zal blijven. Dat vertrouwen is gegrond op de almacht en op de trouw van God. Het is en blijft een groot geheim. De verharding is – voor een deel – over Israël gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan. ‘Zo zal heel Israël zalig worden.’ Paulus verwijst onder andere naar de belofte uit Jeremia 31. De nieuwe bedeling van het genadeverbond is wel aangebroken in Christus, maar nog niet volkomen vervuld. Ook voor Israël komt de tijd dat God Zijn wet in hun harten zal schrijven. De Joden zijn wel vijanden om het Evangelie, maar het zijn door God geliefde vijanden. Als de val van Israël zo’n rijkdom voor de hele wereld inhoudt, hoeveel te meer zal dan hun volheid tot zegen zijn voor al de volken. Als God aan Zijn verbond gedenkt, zal dat een zegen teweeg brengen, waarbij het zendingswerk van kerk der eeuwen verbleekt. Wie zal leven als God dat doen zal?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's