Jongens en meiden van nu
Leraar mag zich vooral zorgen maken om zichzelf
Lezen doen ze niet en chillen is het doel van het leven: lekker niks doen. Valt er meer over de jongens en meiden van 2011 te zeggen?
Sinds enige tijd ben ik in opleiding om eens bevoegd het meest linkse beroep ooit te mogen uitoefenen, het beroep dat zelfs is bedacht om het linkse denken vroegtijdig ingang te doen vinden in de harten en hoofden van jongeren, het beroep van leraar maatschappijleer. Ik ben van terzijde ingestroomd op mijn eigen oude school, de Guido in Rotterdam, een christelijke school op reformatorische grondslag die ik zelf in 1983 verliet om in Utrecht geschiedenis te gaan studeren. In het voorjaar van 2009 gaf ik een avondje les over burgerschap tijdens een werkweek van een VWO 5-klas van de Gomarusschool uit Gorinchem, en dat vond ik om meerdere redenen zo’n prachtige ervaring dat ik ben gaan solliciteren. Ik was altijd al bezet met de gedachte dat je met het werk onder studenten (zoals de Edmund Burke Stichting doet) eigenlijk te laat bent in het leven van die jongeren, en ik was die avond aangenaam verrast door het enthousiasme en de leergierigheid van zo’n groep jongens en meiden.
School erbij
Daar ben je inmiddels wel op teruggekomen, is de opmerking die ik vaak toegevoegd krijg. Zo enthousiast en leergierig zijn jongeren immers niet. Ze hangen achter hun computer, lezen niks, hebben baantjes om hun permanente verblijf in de wereld van de sociale media te kunnen bekostigen, doen school er een beetje bij, zijn slecht georganiseerd en nauwelijks gedisciplineerd, en hun enige motivatie lijkt te bestaan in de behoefte aan gezelligheid. Chillen is immers doel en zin van het leven.
Ganzenborden
Na mijn aantreden ben ik inderdaad onaangenaam verrast door de grote onwetendheid onder leerlingen. Als ik tijdens kennismakingsgesprekjes vraag welk boek ze voor het laatst hebben gelezen en of ze me een bepaald boek kunnen aanraden, kijken ze je aan of je ze vraagt wie op het laatste verjaardagsfeestje het ganzenborden heeft gewonnen. Iets uit een andere tijd, dat lezen. (Jongens kennen zelfs de boeken van J.B. Schuil niet meer!) Communicatie verloopt vliegensvlug via sms, ping of 140 twittertekens, voor kennis pak je geen boek en fiets je al helemaal niet naar een bibliotheek, maar druk je op een knop om een surftocht op de golven van het wereldwijde web te beginnen. En de gehele wereld ligt sowieso aan je voeten dankzij die computer, via ‘uitzending gemist’, live streams en sites die het mogelijk maken om het filter van je school en je ouders nauwkeurig te omzeilen. Al die andere eigenschappen die over hedendaagse jongeren worden opgesomd zijn ook waar, allemaal. Sterker nog: ze worden nog altijd opgejaagd door een hormonale onrust die ons toen ook al in zijn greep kon hebben. De gemakzuchtige smoesjesverkopers en listige lerarenbedriegers die wij vroeger waren, zijn zij ook nog steeds. De zondeval is nog altijd niet opgeheven, zo blijkt iedere dag in iedere les. Maar het is, denk ik, de kunst om daarachter te kijken.
Verlegen onzekerheid
Als je met deze jongeren spreekt over de multiculturele samenleving, dan stuit je niet op massale en grimmige sympathie voor het hedendaagse populisme – wat onderzoeken beweren – maar op een haast verlegen onzekerheid over hun eigen status als lid van een gelovige minderheid in een kille seculiere samenleving. Als het gaat over de vrijheid van onderwijs, dan zie je jongeren die uitspreken dat ze bang zijn dat ze zelf niet staande zullen blijven wanneer de veilige muren van de eigen school zullen omvallen. Alle losbandigheid en wereldgelijkvormigheid, in kleding en muziekkeuze enzovoort, gaan dus moeiteloos gepaard met diepe onzekerheid, met loyaliteit en een verlangen het geloof te behouden. Net als bij ons vroeger.
Zaad van Abraham
Voor enig cynisme is dus geen enkele plaats. Als de boerenzonen ‘een en al mond en lach’ het catechisatielokaal van ds. Doornenbal luidruchtig binnenstormden, dan kostte het hem ook vaak moeite om in al dat adamitisch gekrioel het zaad van Abraham te zien. Dat was in Oene in de jaren vijftig trouwens. Maar hij hield het vol door, zeg maar, in de pedagogiek Adam en Abraham dicht bij elkaar te houden. Erg veel realistischer kan het niet.
Bezie de kinderen niet te klein:
Zij moeten veel verdragen –
eenzaamheid, angsten, groeiens pijn
en, onverhoeds, de slagen.
Bezie de kinderen niet te klein:
Hun eerlijkheid blíjft vragen,
of gij niet haast uzelf durft zijn.
Dán kunt ge ’t met hen wagen.
Laat uw comedie op de gang
Zij weten ’t immers tòch al lang! –
Ken in uzelf het kwade.
Heb eerbied voor wat leeft en groeit,
zorg dat ge het niet smet of knoeit. –
Dan schenk’ u God genade.
Ida Gerhardt, ‘Code d’honneur’
Leerlingen blijven in al hun directe eerlijkheid dus vragen, in hun onrustige, snelle wereld vol afleiding en verleiding, vragen naar richting en leiding. Misschien moeten leraren zoals ik zich daarom wel meer zorgen om zichzelf maken dan om hun leerlingen.
Voetnoot bij toen
Als ik terugdenk aan de drie jaar (gymnasium 4, 5, 6) die ik zelf aan de Guido heb doorgebracht, dan is dat altijd met grote dankbaarheid. Wat ik sindsdien heb bijgeleerd, is een voetnoot bij het onderwijs van toen. We lazen Nederlandse literatuur, de gedachten van Pascal, de poëzie van George Herbert, we lazen bij Vergilius over Aeneas die zijn vader op zijn schouders nam en zijn zoon aan zijn hand, en we lazen Ongeloof en Revolutie van Groen van Prinsterer. We hadden een leraar geschiedenis (Cees Verhey) die in de vrije ruimte (die formeel waarschijnlijk niet eens bestond) les gaf over Verlichting en Romantiek en zo uitkwam bij het Réveil. Die lessen sloten naadloos aan bij die van de leraar godsdienst (Henk Leertouwer) over Kohlbrugge en de theologie van het Réveil. Zo zaten wij op koude zolderkamertjes Ongeloof en Revolutie te lezen, en namen we gemakshalve ook de discussie mee die de historicus Pieter Geyl over het werk van Groen met gereformeerde historici voerde. Niet dat wij nou zo intelligent waren, maar we waren leergierig gemaakt, ons leven was opgetild, door leraren die iets te vertellen hadden en functioneerden in een omgeving waarin ze dat verhaal kwijt konden. Die generatie is nu gepensioneerd of gaat binnenkort. We moeten uitkijken dat we niet achterblijven met docenten die door de verschraling van alle vernieuwingen en bezuinigingen het vuur van binnen laten doven en dat ook niet meer in die vragende kinderen weten te ontsteken, en die dat gemis compenseren door een vlucht in procedures en bureaucratie. We zijn het aan die abrahamitische adamieten immers verplicht hun vragen met kennis en met de liefde van een groot hart tegemoet te treden. Goed onderwijs, schreef Augustinus, vindt zijn oorsprong in caritatis ubertas, welt op uit ‘een rijke stroom van naastenliefde’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's