Levensstijl van elke christen
De enige Bijbel die mensen vandaag nog lezen is het leven van de christen, zo wordt wel gezegd. Maar wat valt er dan precies te lezen? Het jongste nummer van Kerk en Theologie (uitg. Boekencentrum) is helemaal gewijd aan ‘een christelijke levensstijl’. Was dat niet het handelsmerk van de eerste christenen? – uitgewerkt in een prachtig artikel van dr. L.H. Westra. En is ze ook niet kenmerkend voor de jonge kerken in bijvoorbeeld China? – bijdrage van dr. B. Plaisier.
Prof.dr. G.G. de Kruijf wijst er in een inleidende bijdrage op dat een specifiek door het christelijk geloof beïnvloede levensstijl vervaagd is. Alleen bij orthodoxe minderheden is deze nog herkenbaar. De hoofdstroom van de kerken maakt niet echt werk van het ‘gij geheel anders’, al worden ze op dit terrein wel steeds meer uitgedaagd door migrantenkerken en evangelicalen. Moet de omgeving de betekenis van het Evangelie niet aan het leven van de gemeente zien? De vraag is dan wel hoe zo’n levensstijl er dan komt uit te zien zonder in moralisme of antinomianisme, volgens welke de morele wet niet langer van toepassing is, te vervallen?
De ethicus dr. Th.A. Boer doet een poging om zo’n levensstijl waar iedere Nederlandse protestant zich in zou kunnen herkennen (!) te formuleren in tien aandachtspunten, waarvan er hier vier volgen. Steeds beschrijft Boer eerst de norm, met daarna aandacht voor de consequenties voor het christelijke leven. ‘God en Zijn gemeente’ is zijn eerste aandachtspunt.
Door de eeuwen heen is in geloofsgemeenschappen benadrukt dat geloven onderhoud nodig heeft. Zoals een relatie kan stranden als de partners niet regelmatig en met sjeu op elkaar betrokken zijn, en een vriendschap kan sneuvelen door drukte en nonchalance, kan ook de mens-Godrelatie verarmen als die niet door praktijken wordt ondersteund: door dagelijkse of wekelijkse gebeden, door bijbellezing, meditatie en gestructureerde en planmatige bezinning. Het samen vorm geven aan die praktijken is daarbij een belangrijk hulpmiddel. In analogie met huwelijken (‘een drievoudig snoer wordt niet snel verbroken’) kun je ook de mens-Godrelatie beschrijven in termen van een meervoudig snoer, één waarin behalve het individu en God ook de geloofsgemeenschap is betrokken. ‘Geloven in je eentje’ (een vrouw gaf als reden voor het zich terugtrekken uit de kerkelijke gemeenschap eens aan dat zij liever ‘met Jezus op de bank’ zat) is nauwelijks mogelijk.
Je hebt dus aandacht voor christelijke spiritualiteit en praktiseert die. Je stelt je open voor Gods stem en zijn aanwezigheid in het dagelijks leven. Omdat je niet zonder structuren kunt, breng je regelmaat aan: je bidt voor de maaltijd, stil of gezamenlijk; alleen of in gezinsverband probeer je dagelijks of enkele keren per week uit de Bijbel of uit een bijbels dagboekje te lezen. Je beperkt deze geloofsoefeningen niet tot de privésfeer maar bent op de een of andere manier ook concreet betrokken bij een geloofsgemeenschap. De zondag houd je zoveel mogelijk vrij van werk en reserveer je voor kerkgang, ontmoeting en ontspanning. Je houdt van de kerk en draagt bij aan haar opbouw door actief te participeren en haar dienst ook op andere manieren mogelijk te maken.
‘Respect voor ouderdom’ is De Boers tweede punt.
Het respect voor oudere mensen staat in de Westerse samenleving onder druk. In reclames en films is relatief veel – overmatig veel – aandacht voor gezonde en jonge mensen met een carrière die volop in opbouw is. Over oudere mensen wordt vaak gesproken in termen van een probleem. (...)
Nu klopt het natuurlijk dat de ouderdom problemen met zich meebrengt. Maar er zijn genoeg redenen om over het ouder worden positief te spreken. De belangrijkste is dat elk mensenleven evenveel waard is en de waarde van het leven niet afhangt van zijn gebreken. Daar komt bij dat sommige ouderdomsproblemen schijnproblemen zijn met een hoog self-fulfilling gehalte; wanneer maar genoeg wordt gewezen op de nadelen van het ouder worden, gaat de aandacht automatisch uit naar de narigheid en niet naar de bijzondere kanten van de ouderdom. Ouder worden kan immers ook voordelen hebben: een mens kan wijzer, milder, bezonnener en geloviger worden.
Nu zijn er ouderen die met de jaren cynischer, verongelijkter en misschien ook minder verstandig worden. Men ziet zijn eigen fysieke mogelijkheden afnemen, is misschien ook teleurgesteld in wat men er in het leven van terecht geeft gebracht, en kent ook van de mensen om zich heen steeds meer de onhebbelijke kanten.
Toch heeft de christelijke traditie altijd volgehouden dat de curve van iemands geestelijke ontwikkeling er anders uitziet dan die van zijn fysieke ontwikkeling. Fysiek gesproken is een mens al vanaf het bereiken van de volwassenheid in verval. Dat verval wordt in de loop der decennia ook steeds meer merkbaar en zichtbaar. Maar ‘[o]ok al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd’, aldus Paulus in 2 Korintiërs 4:16. De ouderdom is een levensfase die er wezen mag – niet alleen één van afbouwen, maar ook één waarin essentiële menselijke kwaliteiten tot rijping kunnen komen: wijsheid, mildheid, zelfbeheersing, hoop, relativeringsvermogen en geloof. (…)
Misschien de belangrijkste redenen om achting op te brengen voor de ouderdom is dankbaarheid. Je ouders (en in bredere zin de oudere generaties) staan symbool voor de wereld die jou ontving, voor je zorgde en je besef bijbracht voor wat waardevol is. Geen mens heeft er ooit zelf voor gekozen om te bestaan; vanaf zijn eerste bewustzijn treft hij zichzelf aan als voorwerp van zorg en daarna ook als drager van verantwoordelijkheid. (…) Respect voor de ouderdom is respect voor de schouders die jou hebben gedragen.
Je respecteert dus degenen die jouw leven, welzijn en ontplooiing mogelijk hebben gemaakt: je ouders en voorouders, je politieke leiders, je traditie, je docenten. Je respecteert oudere mensen van wie het lichaam het laat afweten, maar bij wie het besef voor wat waardevol is, eerder groeit dan afneemt. Waar nodig zet je dat respect om in concrete zorg. Ook als je volwassen en verstandig bent geworden en het razend druk hebt, blijf je aandacht vrijmaken voor je ouders en hun generatie. Je bezoekt hen en draagt zorg voor hen, zolang als dat nodig is, ook als er voor die regelmatige zorg op het eerste gezicht geen tijd lijkt te zijn. Je probeert institutionele zorg te regelen maar weet dat die geen vervanging kan zijn voor de regelmatige sociale omgang met senioren.
Punt 4 is: ‘Trouw blijven’
Als gelovig mens weet je dat je bent aangewezen op de trouw van God. God gaf de mens een wil. Hoewel die misschien niet helemaal vrij is (of zelfs grotendeels onvrij is), heeft de mens ook dan nog een bepaalde speelruimte die noch andere mensen noch de omstandigheden voor hem kunnen invullen. Dankzij die speelruimte kun je je op een heel eigen manier ontwikkelen en door die speelruimte maak je ook fouten. Desondanks blijft je Schepper trouw aan jou. Nooit zegt Hij: ‘Het is genoeg, het werkt niet meer tussen jullie en mij.’ De trouw van God vormt de basis van onze veiligheid én van ons gevoel van veiligheid. Deze trouw verdient overigens navolging ook zonder die theologische onderbouwing. Een samenleving kan niet bestaan zonder dat mensen zich voor elkaar betrouwbaar betonen. Iemand moet erop kunnen vertrouwen dat de machinist van de trein van acht uur ook vanochtend weer uit zijn bed komt, dat de slager het normaal vindt om hygiënisch te werken, dat pinautomaten op tijd worden bijgevuld, dat zijn dokter geen vertrouwelijke informatie over hem prijs geeft en dat vrienden met wie hij een eetafspraak heeft, niet op het laatste moment afzeggen. Zonder trouw en vertrouwen kan er niets worden opgebouwd en verzandt een samenleving – hetzij in volstrekt individualisme, hetzij in een oorlog van allen tegen allen. Trouw impliceert per definitie de intentie om aan je verplichtingen te voldoen ook (en juist) als er duizend en één redenen zijn om die verplichtingen te verzaken.
Je bent dus trouw in je relatie met de persoon met wie je je leven deelt. Zolang als jullie beide leven. Je doet hem of haar die belofte in het bijzijn van anderen en voor het aangezicht van God. Omdat je weet dat ontrouw en verlating vaak het resultaat zijn van een langer proces van vervreemding werk je aan je relatie. Je vergeeft de ander, maakt je gevoelens bespreekbaar en luistert naar die van de ander, je neemt de tijd voor elkaar, je blijft je in de ander inleven, ook als die ander een ontwikkeling doormaakt, en je probeert ook steeds het positieve in de ander te benoemen en bevestigen.
Je onthoudt je van beelden en praktijken waarvan je weet dat ze je trouw op de proef stellen. Deze trouw strekt zich mutatis mutandis ook uit naar alle mensen van wie hun lot met het jouwe is verbonden. Je laat je vrienden niet vallen ook als geborneerdheid, tijdgebrek of desinteresse daar aanleiding toe geven. Langjarige vriendschappen, vriendschappen waarin geschiedenis is geschreven, problemen zijn overwonnen en zwakheden een plaats hebben, zijn een belangrijke hulp in het waarderen van je eigen levensgeschiedenis. Als je iets hebt beloofd, houd je je daaraan, ook als het je bij nader inzien toch wel erg veel kost.
Het artikel van Boer is heel bruikbaar om het voortgaande gesprek over een christelijke levensstijl in de gemeente te voeren. Ik vind het van moed getuigen om op deze manier te zoeken naar een levenswijze waaraan de gehele protestantse christenheid te herkennen is. ‘Opdat ook onze naaste voor Christus gewonnen wordt’
(Heid. Cat., antw. 86).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's