Geloven in een mythe
Ds. Hendrikse zegt in zijn hart: Er is geen God
Wie moet er bij het lezen van ‘God bestaat niet en Jezus is zijn zoon’ van ds. Klaas Hendrikse niet denken aan Psalm 14? ‘De dwaas zegt in zijn hart: ‘Er is geen God.’ Onder die ‘dwazen’ zijn ook voorgangers. Ook in onze eigen kerk.
Onherroepelijk komt de vraag boven of zulke voorgangers gehandhaafd kunnen blijven. De Protestantse Kerk pretendeert immers een belijdende kerk te zijn. Op de vraag of de kerk hem had moeten wegsturen, antwoordt genoemde dominee in Trouw van 25 oktober: ‘Dat zou tenminste consequent zijn geweest. Dan had ik de kerk hoger gehad dan nu. Wil je nog een duidelijke boodschap hebben, dan had de kerk moeten zeggen: ‘Hier staan wij voor. Hendrikse weerspreekt dat, dus we zetten hem eruit.’’ De kerk heeft hem helaas echter tot hiertoe in het ambt gehandhaafd en sinds zijn geruchtmakende publicaties wordt zijn stem en zijn boodschap steeds breder gehoord.
Mythologisch
Zijn boodschap is eigenlijk heel kort. Het Oude Testament moet worden gelezen als een mythologische herschrijving van de geschiedenis van het volk Israël, met dien verstande dat mythen verhalen zijn over vroeger die over nu gaan. De verhalen zijn verklaringen voor wat in de tijd van de auteurs werd waargenomen. Het scheppingsverhaal is bijvoorbeeld tot stand gekomen in Babel, te midden van volken die al eeuwenlang scheppingsmythen kenden. De bijbelschrijvers zouden volgens ds. Hendrikse vooral rijkelijk hebben geput uit het epos ‘Enuma Elisj’, dat uit Mesopotamië afkomstig is. En God? Die bestaat niet. ‘Ik heb nooit enig moment een spoortje van een vermoeden gehad dat het anders zou zijn’ (Trouw, 25 oktober). Ook niet als kind: ‘Met mijn broers en zus zat ik zondags op de tafel voor het raam te kijken naar het kerkvolk dat breed uitwaaierde op weg naar de kerk in Groot-Ammers. Als mijn vader binnenkwam, maakte hij er wel een opmerking over. Mijn vader was een rasatheïst’ (NRC, 22 oktober).
Onnauwkeurig
Erg nauwkeurig is ds. Hendrikse overigens niet te werk gegaan. Zijn relaas over de verhouding van El, Baäl en JHWH is wel heel kort door de bocht. Zijn ‘dertig jaar oude collegeaantekeningen’ – alsof de wetenschap sinds die tijd zou hebben stilgestaan – hebben hem hier toch wel wat in de steek gelaten. De oudtestamenticus prof.dr. Eep Talstra merkte in het Friesch Dagblad (24 oktober) op dat hij daar nu toch eens echt op zou moeten gaan studeren. En dat aan het vak geen recht wordt gedaan. Forse beschuldigingen van iemand die er duidelijk meer van afweet. Beschuldigingen die de auteur eigenlijk mijns inziens verplichten zijn boek te herschrijven.
Refrein
Als ds. Hendrikse vervolgens in hoofdstuk 2 zijn boodschap over de vermeende ‘zoon’ van de nietbestaande God uit de doeken doet, is het opnieuw zeer oppervlakkig. Jezus zou een van oorsprong heidense mythologische figuur zijn, die door de bijbelschrijvers voorzien zou zijn van Joods vlees en bloed. En Zijn opstanding zou een variant zijn van de antieke mythen over stervende en na drie dagen herrijzende goden als Osiris en Dionysus. ‘Het refrein is hierbij steeds hetzelfde: wat sterft wordt wedergeboren’ (70). Geen enkele Griek geloofde dat Dionysus en dergelijken echt bestonden. De kerk ging echter de fout in door de mythe van Jezus letterlijk op te vatten, aldus ds. Hendrikse. ‘(…) als je van alles wat over hem is gezegd, aftrekt wat eerder over bijvoorbeeld Osiris en Dionysus is gezegd, houd je weinig over’ (95). De bijbelschrijvers hebben Hem echter ‘met terugwerkende kracht in de verwachting van de Messias geperst’ (128). En Paulus? Hij ging met Jezus aan de haal. Aan het eind van het hoofdstuk over Jezus verklaart de auteur Jezus niet nodig te hebben om in God te geloven. Dat Jezus voor onze zonden gestorven zou zijn, ziet hij als ‘een heel prozaïsche manier om te verwoorden dat hij door, of op instigatie van, de toenmalige religieuze jetset als een ketter uit de weg is geruimd.’
Postmoderne ietsist
In hoofdstuk 3 ‘Van Jezus naar vandaag’ blijkt dat ds. Hendrikse eigenlijk een postmoderne ietsist is. Iemand die niet in God gelooft, maar wel gelooft dat er iets is. Maar dat iets is niet onder woorden of onder een noemer te brengen. Ds. Hendrikse vindt het erg dat al diegenen die niet in de kerkelijke kaartenbak passen, vervolgens aan hun eigen lot worden overgelaten. ‘Vaak ligt er een soort niemandsland tussen de oude geloofswereld waarin je niet meer kunt wonen, en de nieuwe waarnaar je op zoek bent. En van de oude, of van God, ben je nog niet af ’ (160). Deze mensen komen in een soort rouwproces terecht: ‘over gaat het nooit.’ De auteur is met deze mensen begaan en wil hen met zijn publicaties graag op hun ingeslagen weg dienen. Het wordt bijna ridicuul als hij op pagina 173 een relatie legt tussen Abraham en de ietsisten. Abraham trok weg zonder te weten waar hij komen zou. ‘Om die reden is hij de ‘vader van alle gelovigen’ genoemd. Geloofde hij in ‘iemand’? Volgens het verhaal hoorde hij een ‘stem’: trek maar weg, je zult wel zien waar je moet uitstappen. Oftewel: durf het maar niet zo zeker te weten. Abraham zou ook de vader van alle ietsisten kunnen zijn.’ De auteur ziet ‘een schone taak voor de kerk’ weggelegd: ‘…proberen om door middel van ‘ietsistentaal’ anderen dan alleen de eigen achterban te bereiken. Of beginnen naar ze te luisteren. En de vragen te horen: hoe verhouden woorden als vergeving, genade, heil, schuld, en verzoening zich tot innerlijkheid, zelfkennis, aanvaarding, vrijheid, openheid en verwondering?’ (176).
Leven na de dood?
Gelukkig stelt ds. Hendrikse ook de vraag of er met het ‘geloof in iets’ ook te sterven valt. En of er leven na de dood is. Opnieuw zoekt hij zijn heil bij de religies uit de Oudheid. Zouden de Egyptenaren, met hun indrukwekkende piramiden, werkelijk hebben geloofd dat hun farao doorleefde? Dan zouden ze hem meer voedselpakketten hebben meegeven. Deze bewering lijkt me historisch zeer aanvechtbaar. De auteur schroomt echter niet om vanuit dit soort beweringen te stellen dat eeuwig leven voor mensen niet is weggelegd. Ook het Gilgamesj-epos zou ons al hebben geleerd dat er tegen de dood geen kruid gewassen is. En de gedachte van een onsterfelijke ziel? Komt bij Plato vandaan… Het boek eindigt met de schokkende woorden dat we maar één zekerheid hebben: ‘een God die met leven te maken heeft, is niet dood te krijgen. Tot de zon dooft.’
Harde uitspraken
Al met al leren we de auteur in dit boek kennen als een postmoderne ietsist. Dat verklaart heel veel over zijn theologiebeoefening. Postmodernisten staan argwanend tegenover sluitende dogmatieken en leerstellingen. Geen grote verhalen of harde, objectieve feiten. En ietsisten spreken geen overtuiging uit, maar twijfel. Geen weten, maar niet-weten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het hele boek nogal subjectief is, en de stellige beweringen nauwelijks worden onderbouwd. Want dan krijg je immers weer een massief bouwwerk. Aan de andere kant is het des te vreemder dat de auteur over het niet bestaan van God en ‘zijn zoon’ zulke harde uitspraken doet. Alsof hij het dan ineens allemaal wel precies weet.
Twijfel
De nauwkeurige lezer ontwaart tussen de stellige uitspraken en grote woorden echter ook een heleboel twijfel. Heel veel vermoedens: ‘Ik vrees dat…’ (18); ‘Als ik me probeer voor te stellen hoe het gegaan zou kunnen zijn…’ (25); ‘Ik krijg het niet herleid, maar sluit niet uit dat…’ (42); ‘Het zal wel begonnen zijn met…’ (67); ‘Ik vermoed dat….’ (79); ‘Het zijn maar bedenkingen…’ (90); ‘Wat ik maar bedoel, of vermoed…’(91); ‘Ik durf wel te gokken dat (….) en – tweede gokje – ’ (97); ‘Maar het kan ook anders zijn gegaan…’ (105). Wonderlijk om vanuit zoveel onzekerheden zulke vergaande conclusies te trekken. Terwijl je dan ook nog schrijft dat we bijna niks van God weten: ‘hooguit iets meer dan niets’ (175).
Stellig weten
Moeten we door al deze vermoedens van deze overtuigde atheïst ons geloof in God dan maar laten varen? Tegenover de vele vraagtekens van ds. Hendrikse mogen we met de kerk der eeuwen belijden: ‘Ik geloof…’ En mogen we met Paulus uitroepen: ‘Want wij weten…’ Het gaat in de Schrift immers over ‘de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben’. Bovendien, als ‘het verhaal’ van Jezus en Zijn dood en opstanding dan zo dicht zou aansluiten bij dat van de Griekse goden, waarom schrijft Paulus dan dat het voor de Grieken een dwaasheid is? Laat het duidelijk zijn dat er met dat ‘dwaze’ geloof wél te sterven valt.
Ik kan me voorstellen dat velen dit boek willen lezen. De auteur zegt overigens zelf dat mensen ‘met een kerkelijke achtergrond die zich thuis voelen bij hun eigen opvattingen over God en Jezus, en die er geen behoefte aan hebben aan het twijfelen te worden gebracht’, dit boek beter niet kunnen lezen. Waarvan acte.
N.a.v. Klaas Hendrikse, ‘God bestaat niet en Jezus is zijn zoon’, uitg. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 208 blz.; € 18,-.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 2011
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's