Paulus’ beginregels
Het blad Interpretatie, tijdschrift voor bijbelse theologie, heeft een nieuw jasje gekregen. Behalve de vorm is ook de inhoud een stuk aantrekkelijker geworden. In verschillende bijdragen wordt ingezoomd op ‘het begin’ in de Schrift. Zo schrijft dr. Ad van Nieuwpoort (Amsterdam) over de eerste woorden van de Bijbel en leest dr. Sam Janse (emeritus predikant te Ameide) nauwgezet de beginregels van de brieven van Paulus. Hij doet dat in het licht van de briefopeningen die in de Oudheid gebruikelijk waren.
Zijn Paulus’ eerste woorden in de brieven origineel? Doorgaans niet en ik ben geneigd te zeggen: laten we daar maar blij mee zijn. Niets ten nadele van originaliteit, maar een bepaalde mate ervan bemoeilijkt de communicatie. Voor een kunstenaar lijkt me dat al geen pluspunt, maar voor een briefschrijver is dat een ramp. De brief kan niet zonder conventies, vaste formuleringen. Het hele leven kan trouwens niet zonder. Wie zich geheel en al aan conventie en etiquette onttrekt, wordt een onaangepast persoon. Juist de vaste vorm geeft de mogelijkheid om af te wijken en op te (laten) vallen. De vaste vorm nodigt uit tot variatie. De goede stylist buit de mogelijkheden uit, zowel binnen als buiten de lijnen.
In grote lijnen worden er in de Oudheid twee briefopeningen onderscheiden: de Griekse en de oosterse briefvorm. De eerste heeft het format: ‘A aan B chairein, gegroet’. Zo openen de brief van Jakobus en het briefje van de Romeinse ‘duizendman’ (Hand. 23:18) Claudius Lysias in Handelingen 23:26. Het oosterse type daarentegen zet in met: ‘Aan B’, of ‘A aan B’, waarbij de groet of zegenwens dan in een aparte zin volgt. Paulus’ brieven zijn van het laatste type. Filippenzen 1:1-2 is een willekeurig, maar goed voorbeeld: ‘Paulus en Timoteüs, dienstknechten van Christus Jezus, aan al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, tezamen met hun opzieners en diakenen; genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus’. Dit format vult hij doorgaans met dezelfde woorden. ‘Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus’ vinden we in zes van de zeven onbetwiste brieven van Paulus.
Na de groet volgt bij Paulus in de regel de dankzegging. Vijf van de zeven keer gebruikt hij in de dankzegging het woord eucharistô, een andere keer eulogêtos (1 Kor. 1) en één keer laat hij de hele dankzegging weg (Gal. 1). Niet zonder reden, zoals we nog zullen zien. Maar in de regel heerst hier de briefconventie. (…)
Dr. Janse legt hier een brief uit de Oudheid naast, van een zekere Apion die in het Romeinse leger diende. Dit soort buitenbijbelse brieven kunnen door hun stijlvormen onverwacht licht laten vallen op teksten van het Nieuwe Testament. Aan de hand van wat genoemd wordt het ‘vangen van de welwillendheid’ (Latijn: captatio benevolentiae) maakt Janse dat duidelijk.
(…) het ‘vangen van de welwillendheid’, een retorisch middel om de gunst van de hoorder(s) te winnen door positief te beginnen. In de Oudheid kon dit aanleiding geven tot onbeschaamde vleierij van de machthebbers van wie men iets gedaan wilde krijgen. In Handelingen vinden we daarvan een mooi voorbeeld in de rede van de advocaat Tertullus, die ook begint met stadhouder Felix stroop om de mond te smeren (24:3). Als Paulus daarna het woord krijgt, spreekt deze ook volgens de regelen der kunst, hoewel hij zijn captatio benevolentiae volgens Lucas wat bescheiden houdt (24:10). In het algemeen kunnen we zeggen dat een dergelijke inzet getuigt van het psychologisch inzicht dat het goed is om met het positieve te beginnen, zodat er een vertrouwensbasis wordt gelegd met het oog op een verzoek dat daarna gedaan wordt of met het oog op de kritiek die vervolgens geleverd wordt. Ook hier geldt wat voor de hele retorica moet worden bedacht: als het een maniertje wordt, voelt de aangesprokene de kritiek of het verzoek al tijdens de waardering aankomen en zet zich schrap in afwachting van het woordje ‘maar’.
In Paulus’ brieven vinden we de positieve inzet onmiskenbaar terug. In Romeinen 1:8 blijkt zijn dankbaarheid dat er in de hele wereld over het geloof van de lezers gesproken wordt. In 1 Korintiërs dankt hij voor de charis (1:4) en de charismata (1:7) die hij bij de lezers opmerkt. In Filippenzen drukt hij zijn blijdschap uit over de bijdrage die zijn lezers hebben gehad aan de verspreiding van het evangelie (1:5). In 1 Tessalonicenzen begint hij te danken voor geloof, hoop en liefde bij de gelovigen (1:3) en zegt dat ze daarin een voorbeeld zijn geworden voor anderen (1:7). In Filemon spreekt hij over de liefde en de trouw van de lezers (vers 5). Nu is in zijn brieven niet zonder meer sprake van een captatio benevolentiae.
Paulus moduleert in elk geval. Hij zegt iets positiefs over zijn lezers, maar doet het in de vorm van de dankzegging aan God. Hij dankt God voor het geloof, de liefde, de hoop, de trouw en de inzet van de gelovigen. (…)
Op zichzelf is dat alles in lijn met de gewoonte van die dagen. In een wereld vol goden begin je een brief met hen te danken voor het goede dat je ontvangen hebt.
Het aardige van Paulus’ brieven is dat hier de dankzegging aan God en de captatio benevolentiae tegenover mensen verbonden worden. Het is een prachtige manier om te voorkomen dat een dergelijke inzet van spreken of schrijven verwordt tot ordinaire vleierij. Hier vindt inculturatie plaats: het evangelie stempelt een bestaande, traditionele vorm. Dit zou als model kunnen dienen voor alle nieuwe situaties waarin het evangelie komt.
De apostel gebruikt dus een vertrouwde vorm maar vult die op een manier die past bij het Evangelie en zo krijgt die vorm een nieuw karakter. In het vervolg van zijn artikel laat dr. Janse ook zien waar Paulus afwijkt van de manier waarop hij gewoonlijk een brief begint. Vooral in de brief aan de Galaten springen die afwijkingen in het oog.
‘Genade en vrede’ worden ternauwernood aan de gemeente doorgegeven. Wat hij in de eerste verzen en passant ook nog kwijt wil, is iets over de afzender: Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader, die Hem opgewekt heeft uit de doden, en al de broeders, die bij mij zijn … Hier wordt het thema al aangesneden en de eerste porren worden al uitgedeeld. Eenieder in Galatië die denkt dat Paulus op eigen initiatief spreekt en handelt, wordt herinnerd aan diens hoge roeping. Een van de thema’s van de brief wordt hier al voorbereid. (…) De vraag komt al gauw bij ons op: Heb je dat allemaal nodig, Paulus, om zo op je strepen te gaan staan? Is gezag niet iets dat je hebt of niet hebt en helpt het wel om je eigen positie en ambt zo te onderstrepen? Gezag en het functioneren ervan is in elk geval ook cultureel bepaald.
In niet-westerse samenlevingen, vroeger of nu, kan het zeker functioneel zijn om op de formele kant van het gezag te wijzen. Daar is niets vreemds aan. Het is goed om te bedenken dat wij, westerse, mondige mensen, in dat opzicht de culturele uitzondering van de wereldgeschiedenis zijn.
In Galaten 1:6, de plek waar in andere brieven de dankzegging inzet, barst de apostel pas goed los: ‘Ik verbaas mij erover dat u zich zo snel van degene, die u door de genade van Christus geroepen heeft, laat afbrengen tot een ander evangelie.’ In plaats van lof en waardering, zoals de briefconventie eist, vinden we verbazing en kritiek.
In de Oudheid was men dus gewend om op een bepaalde manier een brief te beginnen. Als je daar de brieven van Paulus naast legt, helpt dat om het gewicht van zijn woorden goed in te schatten. Al aan het begin van zijn brief aan de Galaten wordt duidelijk wat Paulus hoog zit. Dat laat dr. Sam Janse overtuigend zien in dit leerzame artikel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's