Wat kerk (niet) kan doen
Kerkverlating [3, slot]
Veel mensen laten het geloof los. Wat betekent dat voor de kerk? Hoe moet de kerk daarmee omgaan? Deze vraag is eigenlijk niet te beantwoorden. In ieder geval valt er door ons niets op te lossen.
Kerkverlating gebeurt. Geen enkele actie of programma kan deze ontwikkeling stoppen. De ontkerstening heeft iets van een natuurwet. Je tegen natuurwetten verzetten heeft weinig zin. Wij proberen ons te beschermen tegen stormen, orkanen, overstromingen en andere gevaren en schadelijke gevolgen van natuurwetten. Zelfs proberen we maatregelen te nemen tegen aardbevingen door een speciale manier van bouwen toe te passen.
Zou het zo ook niet kunnen zijn met de geloofscrisis waarin wij ons heden ten dage bevinden? Het gaat niet om oplossingen, maar om een manier van kerk zijn die ons een beetje beschutting geeft tegen de kille wind van twijfel en ongeloof.
Toegegeven, het woord natuurwet is in dit verband niet helemaal juist. De geloofscrisis overkomt ons niet als een soort noodlot. Wij mensen dragen hiervoor verantwoordelijkheid. Mensen verlaten de kerk, verlaten het geloof, verlaten God. Maar naarmate het (gestolde) geloof mensen verlaat, krijgt het proces wel een eigen wetmatigheid. De zuigkracht daarvan moeten we niet onderschatten. Dit plaatst kerk en christen in een nieuwe situatie.
Verhinderen
Buiten de kerk zijn nauwelijks meer verwijzingen naar God te vinden. De ontkerstening van de samenleving heeft zich in een sneltreinvaart voltrokken. Het gevolg is dat er vandaag tal van verwijzingen zijn – in kunst en wetenschap, met betrekking tot normen en waarden, ten aanzien van relaties en leefstijl – die negatief verwijzen. Hun boodschap is: er is geen God.
Dat geldt ook voor de visie op de natuur. De natuur is natuur en geen schepping, geen verwijzing naar God.
Het is niet zo dat dankzij het secularisatieproces de wereld om ons heen nu neutraal is, zodat geloof en ongeloof gelijke kansen hebben om hun visie voor het voetlicht te brengen. Het ligt naar mijn overtuiging anders. Er is geen neutraliteit. Het positieve is veranderd in het negatieve. Vandaag de dag zijn er tal van verwijzingen in de samenleving die mensen verhinderen om in God te geloven. Veel dingen om hen heen overtuigen hen ervan dat het geloof in God definitief niet meer aan de orde is.
Niet-gelovigen hebben daarom geen behoefte om hun niet-geloven nog eens met argumenten te bekrachtigen. Zij ervaren hun nietgeloven als vanzelfsprekend. Apologetiek zal daarom helaas weinig effect sorteren. Argumenten aandragen voor het bestaan van God en pogingen om aan te tonen dat geloven nog zo gek niet is, zullen weinig indruk maken. De wereld om ons heen – in wetenschap, cultuur en natuur – overtuigt nietgelovigen ervan dat er geen God is.
Gestold ongeloof
Wij doen er goed aan te beseffen dat we niet langer te maken hebben met gestold geloof, maar met gestold ongeloof. Het ongeloof ontleent dus aan de werkelijkheid, zoals die zich aan ons voordoet, een eigen zekerheid. Daarom is de situatie waarin wij ons bevinden niet te vergelijken met het verleden.
Natuurlijk, de mens zat altijd al vol ongeloof en altijd al was de kracht van de Heilige Geest nodig om mensen tot geloof en bekering te brengen. Ook is waar dat God elke tegenstand kan overwinnen. Toch maakt het verschil uit in welke tijd en in welke maatschappij je leeft, zoals het ook altijd al verschil uitmaakte of je in een gelovig of ongelovig gezin opgroeit. Datzelfde verschil is er als het gaat om de eeuw waarin we leven en de samenleving waarin onze kinderen opgroeien en onze jongeren hun levensoriëntatie zoeken.
Daarom is het in onze tijd in toenemende mate moeilijker om tot geloof te komen. De kerkverlating die zich in kerkelijke gezinnen voltrekt, bewijst dat.
Voetafdrukken
Het gevolg van dit alles is dat de positie van de kerk nog kwetsbaarder wordt dan die al was. Want als nergens nog verwijzingen naar God zijn, dan blijft de kerk over als de enige plaats waar je iets van God kunt ervaren. Als God niet in de kerk ervaren wordt, waar dan wel? Elders ontbreken alle verwijzingen naar Hem. God heeft in onze wereld hoogstens nog een spoor achtergelaten. Zoals voetafdrukken op het strand.
De moeilijke taak waar de kerk voor staat is te leven uit Gods aanwezigheid. Kan dat nog? Is dat zelfs voor de kerk niet te hoog gegrepen? Want van de kerk belijden wij dat God in haar midden is. Het is overigens vreemd om in dit verband het woord ‘taak’ te gebruiken. Dat laat al zien hoe het wezen van kerk zijn uit het zicht is geraakt. Gods aanwezigheid is geen taak: het is een gave, een genadig geschenk.
Helemaal passief
Op dit punt zijn we helemaal passief. Tussen Gods aanwezigheid en afwezigheid kunnen wij geen brug construeren, zodat wij op de één of andere manier God in beweging kunnen zetten of de helpende hand kunnen bieden. Met het oog op het probleem van Gods afwezigheid of aanwezigheid kunnen wij geen beleidsplan ontwikkelen, kerkelijke structuren bedenken of liturgische vernieuwingen invoeren, zodat we God als het ware naar ons toehalen. Dat is tevergeefs. Nee, als God aanwezig is, is dat alleen omdat het Hem behaagt.
‘Dit krenkt mij’
Dat lijkt niet met de bijbelse gegevens te kloppen, omdat we bijvoorbeeld juist in de Psalmen het smeekgebed aantreffen of God wil terugkeren tot zijn volk. Ik denk aan Psalm 90. Daar bidt Mozes: ‘keer terug, HEERE, hoe lang (duurt dat) nog?’ (vs.13). Maar dat is geen gebed om Gods aanwezigheid. Het is een gebed om genade.
Gods aanwezigheid ervoer Mozes maar al te goed: wij vergaan door uw toorn (vs.7). Mozes bidt om een andere wijze van aanwezigheid, namelijk dat God weer aanwezig zal zijn in genade en ontferming.
In Psalm 77 worstelt Asaf met God: zou de Heere dan in eeuwigheid verstoten? (vs.8). Zal Hij de komende generaties als het ware overslaan en er niet meer naar omkijken? (vs.9) Ook hier gaat het niet om Gods aanwezigheid als zodanig, maar om Zijn heilrijke tegenwoordigheid, vooral met het oog op de volgende generaties, de kinderen en kleinkinderen. God lijkt er een punt achter te zetten.
De dichter zegt dat God niet meer is als voorheen. Hij is veranderd: de rechterhand van de Allerhoogste is veranderd (vs.11). De rechterhand is de hand waardoor God krachtige daden doet (Ps.118:15- 16). Maar op die rechterhand kun je niet meer aan. En dat betekent dat Israël voortaan vogelvrij is, een prooi van de volkeren. Maar dan staat er een wonderlijk woord: ‘dit krenkt mij’ (vs.11). Het wil er bij Asaf niet in dat God veranderd is.
God gaat Zijn eigen weg
‘Dit krenkt mij’: deze woorden zijn voor ons een handvat. Een handvat voor onze bezinning op kerkverlating. Het kan niet waar zijn dat God veranderd is. De samenleving is volop in beweging, culturen veranderen, normen en waarden verschuiven, maar God verandert niet.
Dat moet niet op een gemakkelijke en goedkope manier verstaan worden. Bijvoorbeeld: God verandert niet en dus hoeven wij ook niets te veranderen en zeker onszelf niet.
Vroeger hoorde je wel over veranderde mensen: mensen die tot bekering waren gekomen. God en verandering hoeven geen tegenstelling te zijn.
Waar het nu om gaat is dat Asaf op zoek is naar God, die als een rots in de branding van de geschiedenis staat.
Nog een ander woord uit Psalm 77 wil ik aanhalen: ‘Uw weg is in het heiligdom’ (vs.14). God gaat Zijn eigen weg. Dwars door de zee. Het is verbijsterend om te lezen dat zelfs Gods voetstappen niet bekend werden (vs.20). Gods weg is onnavolgbaar, dikwijls onbegrijpelijk en vol raadsels: ‘Mijn wegen zijn niet uw wegen’ (Jes.55). God gaat Zijn weg via het kruis. Inderdaad, op Golgotha werden Zijn voetstappen niet bekend. Alles wat van God is en aan Hem kon herinneren werd daar uitgewist. En zie, het werd Pasen. Met andere woorden: ook daar waar God helemaal afwezig lijkt, kan Hij heel nabij zijn. Maar ook is het omgekeerde waar: op de plaats waar Gods ontferming het hoogst en het diepst is, is veel verborgenheid.
Strak naar het kruis kijken
De weg van de kerk is een weg in het licht, omdat God met haar is.
In zoeken en in vragen, in lofprijzing en in schuldbelijdenis, in beproeving en bevrijding is er het licht dat haar omstraalt: het licht van het evangelie. Maar dit licht is onverminderd een ontoegankelijk licht. Ook als God ons verlicht met Zijn Geest blijft Hij voor ons de verborgen God. Het is een misverstand om te denken dat God Zijn verborgenheid inlevert bij de gelovige mens, zodat die meent alles van Hem te weten of in ieder geval de indruk wekt alle vragen en problemen in een handomdraai te kunnen oplossen.
Kerk zijn in een tijd van verwoestende secularisatie kan niet anders betekenen dan strak naar het kruis kijken. Daar valt veel te leren.
Let erop dat in Mattheüs 26:56 vervulling en verlating in één vers, in één adem, genoemd worden. Alles werd vervuld op het moment dat allen Hem verlieten. Dat is wat Psalm 77 ‘Gods weg in het heiligdom’ noemt. Wil God ons misschien duidelijk maken dat het ten diepste niet om de kerk gaat, maar om het kruis? De kerk in de marge en het kruis in het middelpunt: eigenlijk is dat de normale verhouding. Is God misschien bezig om de verhouding tussen kerk en wereld te ‘normaliseren’?
Avondmaal
Is God in ons midden? Paulus had ook ons op het oog kunnen hebben toen hij schreef: onderzoek uzelf of u in het geloof bent (2 Kor. 13:5). Misschien raak ik nu een gevoelige snaar. Gesteld dat dit zelfonderzoek zou plaatsvinden aan de hand van het avondmaalsformulier, hoeveel gemeenten zouden hiermee dan raad weten? Want zelfonderzoek – voor zover we daar nog mee vertrouwd zijn – is in de praktijk een heel individueel gebeuren, ondanks het feit dat we aan één tafel zitten. Dit zelfonderzoek toepassen op de hele gemeente zou tot kern moeten hebben: is God in ons midden? Die vraag boort diep. Wat betekent het dat God in ons midden is en wat betekent het als Hij niet in ons midden is?
Het heilig avondmaal, inclusief de voorbereiding en de dankzegging, moet weer het hart van de gemeente worden. Want zo is de kerk ooit ontstaan – het laatste avondmaal voordat Christus gevangen genomen werd – en het is ook haar toekomst: zij zullen aanliggen met Abraham, Izak en Jakob (Matt.8:11). Zo is trouwens ook Israël ontstaan: samengebracht in het verbond en één geworden rond het lam in de nacht van de uittocht.
Aan het avondmaal krijgt het heil gestalte, neemt het een bepaalde vorm aan. Die gestalte is de gestalte van het kruis. Met Christus verbonden zijn door het geloof is een vreugdevolle, maar ook een pijnlijke zaak.
Dichtbij het avondmaal, is dichtbij het kruis.
Het avondmaal is de plaats waar Christus aanwezig wil zijn en waar Hij Zichzelf uitdeelt.
‘Proef en zie dat de Heere goed is.’ (Ps.34:9) Intenser kan de aanwezigheid van God niet zijn dan op het moment dat Christus zegt: ‘Neem, eet.’ Dit opnieuw ontdekken en deze vreugde opnieuw proeven is het enige wat de kerk staande zal houden.
---
Voor het gesprek
1. Het volk Israël en de kerk hebben op hun pelgrimstocht door de wereld de ervaring opgedaan dat God de verborgen God is. Juist die ervaring sterkt haar om de huidige beproevingen te doorstaan. Wat heeft het u te zeggen dat God ook de verborgen God is?
2. Wat vindt u van de stelling: de kerk in de marge, het kruis in het middelpunt?
3. Is God in ons midden? Dat is de kern van alles. In hoeverre zijn onze erediensten momenten waarop Gods aanwezigheid – Zijn kracht, heiligheid en vertroosting – ervaren worden? Kan het ook riskant zijn om nadruk te leggen op ervaring? Wat is echte Godservaring? Is Godsgemis ook Godservaring?
4. Bent u het ermee eens dat zelfonderzoek belangrijk is? Bent u het er ook mee eens dat daarbij het avondmaalsformulier een leidraad zou kunnen zijn? Wat staat ons in de weg om tot zo’n zelfonderzoek te komen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's