Boekbespreking
C.J. den Heyer Verlichte voorgangers. De strijd tussen dogma en Bijbel in Nederland. Uitg. Meinema, Zoetermeer; 335 blz.; € 27,50.
Het is een bekend feit dat het er bij geschiedschrijving nooit helemaal neutraal en objectief aan toe gaat. Historici moeten immers altijd schiften tussen wat ze belangrijk genoeg vinden om te vertellen en wat ze weglaten. Bij deze selectie speelt het perspectief van waaruit ze naar het verleden kijken doorgaans een doorslaggevende rol.
C.J. den Heyer is in zijn laatste boek heel open over het perspectief van waaruit hij het verhaal van de Nederlandse kerkgeschiedenis vertelt: hij belicht deze specifiek vanuit de rol die vrijdenkers en dwarsliggers de eeuwen door hebben gespeeld. Hij schrijft de geschiedenis dus aan de hand van portretten van mensen die de moed hadden afwijkende standpunten in te nemen en die de consequenties daarvan onder ogen moesten zien omdat de machthebbers in kerk en maatschappij hen vanwege hun opvattingen het zwijgen op trachtten te leggen.
Nu is dit nog een tamelijk formeel criterium.
Onder deze noemer zouden we immers ook portretten kunnen verwachten van Luther, Calvijn, de Pilgrim Fathers en voor wat de Nederlanden betreft van Guido de Brès, Hendrik de Cock en vele anderen die vanwege hun orthodox-gereformeerde geloofsgetuigenis vervolgd of gemarginaliseerd werden.
In dit type dwarsliggers is Den Heyer echter niet geïnteresseerd. Het gaat hem specifiek om vrijdenkers, en dan nog weer speciaal om mensen die ‘de Bijbel gingen lezen en tot de (…) ontdekking kwamen dat er spanningen en zelfs conflicten waren tussen Bijbelteksten en eeuwenoude dogma’s en uitspraken in belijdenisgeschriften’. Het gaat hem, kortom, om Nederlandse ‘ketters’ in wie hij zijn eigen beeld terugziet. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het boek uitloopt op een beschrijving van de wijze waarop Den Heyer zelf in botsing kwam met de gereformeerde synode naar aanleiding van een boekje waarin hij had betoogd dat de klassieke verzoeningsleer niet in overeenstemming is met de Bijbel.
Deze wel heel specifieke invalshoek neemt niet weg dat dit boek veel interessante en leerzame portretten bevat. Den Heyer wijdt mooie hoofdstukken aan bekende Nederlandse theologen als Erasmus, Menno Simons, Coornhert, Hugo de Groot, Spinoza, Balthasar Bekker, J.H. Scholten en Abraham Kuenen.
Maar ook minder bekende figuren komen langs, zoals Cornelis Hoen (wiens zogeheten ‘Avondmaalsbrief’ bepalend zou worden voor Zwingli’s avondmaalsleer), Anastasius Veluanus (die overigens reformatorischer dacht dan Den Heyer doet voorkomen), Dirk Rafaelsz. Camphuysen, Herman Venema en G.A. van den Bergh van Eysinga. Niet altijd houdt Den Heyer zich strikt aan zijn doelstelling – naarmate het boek vordert laat hij zich steeds vaker verleiden tot uitvoerige uitwijdingen over de hedendaagse bijbelwetenschappen. Zo bevat het laatste hoofdstuk passages over de geschriften van Nag Hammadi en Qumran, waarbij onduidelijk blijft op welke manier deze te maken hebben met leven en werk van ‘dwarsliggers’ in de Nederlandse kerk- en theologiegeschiedenis. Ook de passages over Miskotte en Van Ruler horen in dit boek feitelijk niet thuis – zij waren immers bepaald geen vrijdenkers maar onderschreven het kerkelijk dogma.
De portrettengalerij is natuurlijk bedoeld om de lezer te laten zien hoe het moet en met name hoe de kerk zich vandaag zou moeten opstellen: kritisch jegens haar eigen verleden en open in de richting van de hedendaagse historisch-kritische bijbelwetenschap. Daarbij treft de nogal positivistische wetenschapsopvatting die Den Heyer erop nahoudt: de ‘feiten’ die door de bijbelwetenschap ontdekt zijn, zouden zonder meer duidelijk maken dat het kerkelijk dogma geen been heeft om op te staan. Alsof die feiten niet ook altijd een bepaald perspectief veronderstellen, alsof de voorbeelden van moderne bijbelwetenschappers die zich door een antikerkelijk perspectief lieten leiden niet voor het oprapen liggen en alsof er geen andere perspectieven denkbaar zijn.
De laatste regels van het boek laten intussen weinig aan duidelijkheid te wensen over als het gaat om de conclusie die de auteur ons wil laten trekken: ‘Belijdenisgeschriften en dogma’s behoren in een museum thuis en niet in een gemeente van mensen die met beide benen in deze wereld willen staan en op zoek zijn naar zingeving en spiritualiteit. De toekomst is niet aan de orthodoxie (…).’
Het effect dat de lezing van dit boek op mij had, was echter juist omgekeerd. Met name de hoofdstukken over de opkomst van de moderne theologie in de negentiende eeuw laten helder zien wat er op het spel stond.
Door het modernisme beïnvloede theologen als Busken Huet en Allard Pierson gaven niet alleen hun predikantsambt op, maar lieten ook kerk en geloof los – en stimuleerden daarmee anderen om hetzelfde te doen.
De toekomst van de kerk ligt dus kennelijk niet bij het modernisme. En het valt dan ook alleen maar te begrijpen dat in reactie daarop de orthodoxie zich ging organiseren in bewegingen als de Confessionele Vereniging en de Gereformeerde Bond. Maar dit soort tegen de stroom op roeiende dwarsliggersbewegingen blijven in dit boek dan weer ongenoemd.
G. van den Brink, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's