De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Duizend begrafenissen terug

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Duizend begrafenissen terug

Levenseinde [2a, tijdsbeeld]

7 minuten leestijd

In 1965 leidde ik als jong predikant van Ooltgensplaat mijn eerste begrafenis. Onlangs begroef ik iemand in Arnhem. Groot is het verschil tussen dorp en stad. Nog groter het verschil in denken over de dood tussen nu en 1965.

Natuurlijk had ik er tijdens mijn leervicariaat bij ds. J. van der Velden in Amersfoort over gesproken. Natuurlijk had hij mij ook een enkele begrafenis laten leiden. Toch overviel het me toen ik het voor dat eerst als dienstdoend predikant moest doen.
In de stad gaat het zo heel anders dan op een dorp. Ik was nauwelijks 25 en nog niet de verbazing voorbij dat de gemeente in Ooltgensplaat mij volledig in mijn nieuwe rol als haar voorganger aanvaardde. Of was het de grote aarzeling bij mezelf, dat er nu van mij woorden over leven werden verwacht die de ernst van de dood konden verzachten?

Van huis uit
De begrafenis was ‘van huis uit’.
Dus spoedde ik mij per fiets – hoge hoed onder de snelbinder – naar het sterfhuis. Een dodelijke stilte overviel me in de straten en in de overvolle arbeiderswoning. Overal stonden gehuurde klapstoeltjes.
Eén mooie stoel was voor de dominee vrij gehouden. De huisbijbel lag open. Een knikje – neen, geen enkel woord, want waar de dood is, heerst het zwijgen – van de bedienaar gaf aan dat ik kon beginnen.
Al verschillende keren had in de dagen ervoor de kerkklok geluid.
Dat was standaard de gewoonte.
Een oudere vrouw zou me op een bijbelkring toevertrouwen dat je aan de manier waarop de klok luidde kon horen of iemand ging sterven of ‘boven aarde stond’. Dat verschil heb ik zelf nooit gehoord, maar het doordeweekse luiden van de kerkklok verbond ik wel altijd met het memento mori van een begrafenisdag.

Hoop?
In de akelige stilte hoorde je het ontzag voor de dood. De ingrijpende vraag hield iedereen bezig: mag er hoop zijn voor de overledene?
Mijn rechterbuurman is vannacht gestorven, (…)
ik vraag mij af hoe hij het hierboven doet (…)
Op zo’n dag luidde de klok vaker dan op de andere dagen.

Prekenboekje
Uiteraard had ik me grondig voorbereid. De meditatie had ik woord voor woord in mijn prekenboekje uitgeschreven. Vrijmoedigheid om dat boekje op de Bijbel te leggen, in de propvolle kamers met toehoorders bijna letterlijk aan je lippen, had ik niet. Bang als ik was dat mensen die zo dicht bij je zitten gaan ‘meelezen’ of misschien ontdekken dat ik me niet helemaal aan de tekst hield.
We lazen iets uit Jesaja. Over de sterfelijkheid van het leven en het Woord van God, dat altijd blijft. In de meditatie had ik laatste gesprekken verwerkt met de overleden broeder. Zijn moeite om het aardse leven en de aardse banden los te laten en zijn aarzelende hoop op de genade van God in Jezus Christus.
Toen ik klaar was en gebeden had – zingen op een begrafenis was toen niet de gewoonte –, werden de stoeltjes ingeklapt. Ondertussen sprak niemand één woord, want als de dood spreekt, luistert de mens.

Mannenwerk
Met mijn vrouw (kort daarvoor nog mijn bruid) had ik afgesproken dat we die eerste maanden zo veel mogelijk samen zouden doen: de preekvoorbereiding, de kringen, het bezoekwerk, dus ook de begrafenissen. Meegaan naar het sterfhuis vond ze te ingrijpend. Voor de familie en misschien ook wel voor haarzelf, geboren en getogen in een stad.
Dus spraken we af dat ze halverwege – we gingen lopend in een stoet door het dorp – zou aansluiten. Nog zie ik haar in grote haast fietsend de bocht bij de Kerksingel om komen. Ze schrok van de stoet, zette haar fiets tegen een huis en sloot aan. Ik zag haar aarzeling. Ze was de enige vrouw in de hele stoet. Zo was het toen nog: vrouwen en kinderen blijven in het sterfhuis of – als de dienst daar was – in het verenigingsgebouw.
Begraven is mannenwerk.
Onder klokgelui liepen we naar de begraafplaats. Bij het graf was ik de enige spreker. Ook andere woorden vielen er niet. Onder klokgelui liepen we terug. De bedienaar voorop, dan de ouderling en de dominee. Vervolgens de naaste familie, vrienden en gemeenteleden.
Waar de stoet voorbijging, veranderde het leven in woordloze stilte.
Auto’s stopten. Hoeden of petten gingen af. Kinderen keken bedeesd naar beneden. Op de terugweg werd de stoet steeds kleiner. Bij elke bocht sloegen wel een paar mensen af. Terug in het sterfhuis hadden we geen klapstoeltjes meer nodig.

Details
Vijftig jaar geleden onderstreepten de details van de dag de ernst van de dood. Een huivering ging door het dorp. Zwaar drukte die stilte.
‘Zoals de boom gevallen is, blijft hij liggen.’ Het komend oordeel hing over het dorp.
Vergeelde foto’s na een halve eeuw.

***

Recent begroef ik een gemeentelid in Arnhem. Als parttimer van een kleine gemeente doe ik dat daar vaker. Bijna vijftig jaar en ruim duizend begrafenissen verder. De stille huiver van toen heeft plaatsgemaakt voor een cleane, kille en onpersoonlijke plechtigheid nu. Het lijkt of verdriet en stilte diep zijn weggeborgen in de hoofden en harten van mensen.
We komen niet in het sterfhuis bijeen. In het opbaarcentrum is ook niet op een dominee gerekend. Uit de administratie blijkt wel dat ik er ongeveer op de juiste tijd ben. Maar ‘voor welke familie komt u dan eigenlijk?’
Persoonlijk afscheid van de overledene is er niet bij. Ook de familie gaat rechtstreeks naar de kerk, waar de dienst plaatsvindt. Daar luidt nog wel een bescheiden klok, maar die wordt in de stad zeker niet meer gehoord. Woorden van vermaning en troost, die onderstreept worden door het luiden van een klok, blijven binnen de ruimte van het kerkgebouw.
Vanuit de kerk rijden we naar Moscowa. Eén rouwauto met een zwart vlaggetje en verder wat auto’s van uiteenlopende kleuren en merken nodigen niet meer uit tot een memento mori bij anderen in het verkeer. Van voorrang verlenen aan de sprake van de dood komt weinig meer terecht. We hebben halsmoeite om als stoet bij elkaar te blijven. Gelukkig gaf de uitvaartleider nog aan elke chauffeur een routebeschrijving mee.

Ballonnen
Eenmaal op de immense begraafplaats formeren we de stoet. Achter de benzinedampen van de lijkwagen lopen we naar het vak met het familiegraf. Onderweg houden we enkele minuten de pas in. Een andere stoet kruist onze weg, die blijkbaar in tijd wat uitgelopen is.
Als ik het goed zie, gaat het om een kinderbegrafenis. Ergens had ik al een serie vrolijke ballonnen de lucht in zien gaan. Toen we dichterbij kwamen zag ik in het andere vak nog wat ballonnen in de bomen verstrikt en een groot plastic beest, dat het luchtruim niet had gevonden.
Later vertelt mij de beheerder dat hij bij het verlaten van de aula bij deze uitvaart een cd van de populaire meidenpopgroep K3 had gedraaid. Op de omslag treffen mij de woorden:
Straks worden we één voor één betoverd eeuwig jong en onwaarschijnlijk mooi wie door onze schoonheid wordt betoverd valt aan een gebroken hart ten prooi.
Aan de grote stoet te zien, hebben de woorden weinig troost gegeven.

Lang niet gezien
Bij het graf is gelegenheid nog enkele verwaaide woorden te spreken.
Met de geloofsbelijdenis laten we het graf en een geliefd gemeentelid achter. In de aula is er al snel koffie mét en spoedig wordt de stilte verdreven door hartelijke gesprekken van mensen die elkaar lange tijd niet zagen.
Op de grote parkeerplaats zoeken we onze her en der geparkeerde auto’s weer op. Als wij van Moscowa wegrijden en uitwaaieren over stad en land, komt de volgende stoet er al weer aan.
Als ik me voeg in de files rond Arnhem, weet niemand wat ik heb gedaan die middag. Even later leef ik ook zelf weer bij het journaal en de toch weer wat langere files dan ik had gehoopt. Begraven in de stad nú heeft een ander fileleed dan vroeger in het dorp.

Volgende week gaat ds. Vermaat in op hoe het denken over de dood veranderde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 2012

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Duizend begrafenissen terug

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 2012

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's