Stille tijd in de stille week
De troost van zeven kruiswoorden
In de aanloop naar Pasen gedenken we het lijden en sterven van onze Zaligmaker Jezus Christus. Deze zeven meditaties zetten ons in de week voor Pasen in het bijzonder stil bij de ernst en de troost van de zeven kruiswoorden.
Zondag 1 april
‘Vader, vergeef het hun’
En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen. (Luk.23:34)
Lezen Lukas 23:32-35
Realiseerden wij ons ooit dat verblinding een pleitgrond voor Jezus is voor het gebed om vergeving voor hen die Hem de dood indrijven? Jezus’ gebed om vergeving is een beargumenteerd gebed: ‘Want zij weten niet wat zij doen.’ Verontwaardiging kan ons vreemde parten spelen. Zij hebben toch kunnen weten wat zij deden? Laten we oppassen niet buiten de vergeving te vallen. Het zou maar zo kunnen gebeuren namelijk. Wéten wij werkelijk wat de zonde is? Een mens kan menen dat hij ziet en intussen stekeblind zijn. Dat is een urgent gevaar aan de voet van het kruis, zeker voor beschouwende lieden – een rol die wij graag op ons nemen. Hebben we wel eens onze trekken thuis gekregen? Noem het ontdekking. Dit: ‘Gij wílt tot Mij niet komen.’
Zodoende brachten zij en wij Jezus naar het kruis en sloegen Hem eraan. De Heiland brengt het onder dit ene woord: niet-weten. Verblinding. Wanneer gaan onze ogen daar – eindelijk – voor open? Het is, wat heet: een contradictio in terminis, een tegenstelling in zichzelf. Het wordt ons zo vreemd te moede: een ontblindend gebed klinkt vanaf het kruis. ‘Vader, vergeef het hun.’ Want blindheid is verre van onschuldig. Het is dat wij de wijsheid van God niet hebben gekend, zoals die in Jezus aan het licht trad. In blinde duisternis dreven zij en wij Hem de stad uit. Hadden wij die wijsheid gezien en gekend… Maar wij zagen niet en kenden niet.
De ban wordt altijd gebroken vanaf het kruis. Bij monde van een biddende en stervende Jezus. Wij… En dan kunnen we het zelf invullen. O, zo donker en schuldig.
Maar Hij! Hij bad. Om vrede voor die Hem kruisigden.
Dat wij ons op laten nemen in dit gebed. Het heeft nog steeds dezelfde geldingskracht. Het is verhoord. In ’t doodlijkst tijdsgewricht mijn ziel gered. Wandelen in ’t vrolijk levenslicht.
De aarde zelf is veel te klein, voor wie U waarlijk loven wil.
Uw liefde is een groot geheim, zij vraagt geheel mijn ziel.
Maandag 2 april
‘Vrouw, zie, uw zoon’
Jezus nu, ziende Zijn moeder en de discipel die Hij liefhad daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zeide Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn huis. (Joh.19:26,27) Lezen Johannes 19:23-27
Een merkwaardig woord, dit tweede vanaf het kruis gesproken. Nog bij Zijn leven opent Jezus het testament: Hij laat Zijn moeder na aan Johannes en de discipel aan Zijn moeder. Opgevoerd in menig Stabat Mater in de muziekhistorie. De romantiek weefde haar spinsel om haar gestalte. Een verklaring, waar wij toch naar tasten, lijkt op een zekere heiligschennis. Zij wil ons echter dienen met een getrooste wetenschap. Maar er zijn vooreerst toch vragen. Zoals: Maria had toch eigen zonen? Jazeker. Waar ze op dit ogenblik zijn? Waarschijnlijk niet op Golgotha. Eigen bloed nam aanstoot aan het toch ‘vreemde’ van moeders Eerstgeborene. Er loopt een scheur door het gezin van de timmerman en het duurt nog tot na de opstanding dat de eerste wordt overwonnen in een verschijning van de oudste Broeder aan Jakobus.
Nu de testamentaire troost. Want het kruis scheurt niet alleen uit elkaar, het bindt ook samen. Het brengt nieuwe relaties tot stand. Zo gehoord is het testament een perspectiefrijke belofte. Vanaf het kruis manifesteert zich, over heel de wereld intussen, een wonderlijke gemeenschap die openbloeit aan het woord van een stervende Verlosser. Wat niet eigen is vanuit het natuurlijke, sluit elkaar in geestelijke zin in het hart.
Er is er één die meer liefheeft dan een broeder. Er is een huisgezin Gods in deze wereld. Er vloeit zalf van het hoofd van de Hogepriester (Ps.133). Sions top wordt met vruchtbaar vocht besproeid. Gemeenschap der heiligen. Deel aan al de schatten en gaven van Christus door de Geest. Mij dunkt: dit woord van het kruis is ook een appèl. Met stervende lippen gesproken. Hebt vurige liefde onder elkander. Elk de ander…
Breng in Uw Huis eens al Uw kind’ren samen
Voor eeuwig! Amen!
Dinsdag 3 april
Met Mij in het paradijs
En Hij zeide tot hem: Voorwaar zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. (Luk.23:43)
Lezen Lukas 23:39-43
Drie gestalten hangen aan een kruis op de rand van het leven en van de wereld. Jezus in het midden tussen twee moordenaars. Alle drie moeten sterven. Onontkoombaar. Zij zijn ertoe veroordeeld. Een uiterst eenzame positie. Drie mensen. De middelste ook? Ja. Hij ook. Hij is met de misdadigers gerekend. Hoewel Hij geen zonde gekend en evenmin gedaan heeft.
Eén van de twee heeft, als in een ondeelbaar ogenblik, weet gekregen van die ontzettende grens. Toen ontdekte hij het geheimenis van de man tussen hen beiden in.
Niet alleen dat zij met Hem in hetzelfde oordeel waren, maar vooral dat Hij met hen in die dodelijke positie verkeerde. Dat inzicht perste zich in een eindeloos diep en eenvoudig gebed: ‘Denk aan mij als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.’ Een verblinde ziet een Koning onder het oordeel. Het is het geheim van de zaligheid.
Nog altijd.
Mens, Middelaar, Metgezel. Lest best. De lichtflits van het Koninkrijk, de glans van het paradijs. Weg van deze doodsgrens, eroverheen en zo terug naar de eeuwige Hof van Eden. Wonderlijke transportbeweging. Your ware our care, lees ik soms onderweg. Je zult maar zo’n care, zorg, genieten op je laatste reis, een Metgezel hebben.
Durven wij op dit punt aan de grens tussen leven en dood maar ook tussen wereld en God onze ogen open te doen? Belijden dat we naar recht in het oordeel zijn? In een existentieel heden. Zelfs midden in het leven. Als ik u was, zou ik een Metgezel zoeken, nu al. Laten we in gesprek gaan met de Man aan het kruis. We hoeven niet veel te vragen. Alleen maar een gedachte van Jezus te zijn. Want deze man werd waarom hij vroeg. ‘Gedenk aan mij.’ Dan raakt ons vallende leven een bodem, dan voelt de machteloze hand de greep, dan wordt bittere eenzaamheid gemeenschap. Heden met Mij. Zo kunnen we thuiskomen.
De moordenaar ter rechter zij,
hij zag op de fontein;
ik die een zondaar ben als hij
zal even zalig zijn.
Woensdag 4 april
‘Eli, Eli, lama sabachthani?’
En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachthani? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matt.27:46)
Lezen Psalm 22:1-7 en Mattheüs 27:41-46
Wie is in staat om deze woorden uit te leggen? Zij vormen een heiligdom. Achter het voorhangsel worstelt, klaagt en bidt in helse nood de grote Hogepriester van onze belijdenis. Toch worden wij genodigd in de voorhof op het uur van de grote en eeuwige verzoening van alle zonden. Laat het stil zijn. Laten wij wachten.
De Hogepriester is bezig ‘in de arbeid van Zijn ziel’ (Jes.53).
Hij volbrengt haar. Hij volbrengt intussen ook de Schriften. Lees maar.
Het staat er. Psalm 22. Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij? Hij neemt de Schrift op Zijn stervende lippen. Hij is van God ontdaan, verlaten, weggedaan.
Hij is zonde gemaakt, waarvoor God Zijn aangezicht verbergt. En toch houdt Hij aan het Woord vast. Dat is gehoorzaamheid leren uit wat Hij lijdt (Heb.5). Zijn wil is geheel verenigd met die van Zijn Vader.
Wat zijn ónze woorden dan toch arm. Wij moeten zwijgen, niet erdoorheen praten. Niet verklaren: zus en zo en daarom… Wij moeten ons laten onderwijzen door deze grote Leerling, de Knecht des Heeren.
In déze verlating kunnen wij niet in komen. Wij staan vóór de voorhang. Wat daarachter gebeurt, wordt ons ter kennis gebracht. En het geloof is uit het gehoor.
Het is zaak om in dit diepste punt van het geding der verzoening, met open oor en hart op Jezus te zien.
Met heilige interesse.
Dat woord zegt dat wij erin betrokken zijn. Mijn zaak dient in deze zinkput van schuld en dood niettemin op het hoogste niveau: voor God. Ik kan mijn eigen zaak niet waarnemen. Dat moet deze Man doen. En Hij doet het. Naar blijkt tot Gods volle tevredenheid.
Mijn God… de tweede Adam houdt het er op en Hij houdt het vol en vast. Zalig wie Hem hoort, wie met tranen zeggen: ‘Mijn God.’
Hoe verlaten moest Gij zijn,
troosteloos aan ’t kruis gehangen
opdat wij Uw troost ontvangen.
Donderdag 5 april
‘Mij dorst’
Hierna Jezus, wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden, zeide: Mij dorst. (Joh.19:28)
Lezen Psalm 22:12-18 en Johannes 19:28,29
Een kruiswoord in één woord en dat is in het Grieks een werkwoord. Dorst. Sterven is voor Jezus werk. Voor ons is dat niet zo. De dood neemt ons weg, hij wordt ons aangedaan. Hem niet. Hij neemt hem tot het bittere einde op Zich. Ik moet een werk werken, sprak Hij ooit, en hoe word ik geperst. Een droog gehemelte, verdorde lippen, de hitte van de hel. Het is om stil van te worden.
Onze stervenden die dorst lijden, verzachten wij met water, met tere handen en een meelevend hart. Voor Jezus rest een soort ruwe barmhartigheid. Een soldatenhand reikt Hem een met azijn volgezogen spons als een wat verdovend middel. Eerder weigerde Hij het. Nu niet.
Hij roept: ‘Dorst’, wetend dat nu alles volbracht was.
Nu. Daar moeten wij op letten. Is dit een keerpunt? Nee, het is het einde. Hij is Voleinder van het geloof, ook in martelende dorst.
Opmerkelijk genoeg is er aan dit kruis sprake van tweeërlei klacht. Geestelijk: in uiterste eenzaamheid is er geroepen naar de hemel, naar God. En ook lichamelijk: ‘Dorst.’ Die twee samen vormen de dood. Hij verzwelgt naar lichaam en ziel. Ontzaglijke straf op de zonde.
Maar nog in de dood reikt de Heiland naar Zijn God.
Bedelend om water. Hoezeer is Hij Mens, aan ‘allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelf onderworpen’. In deze Christus werden wij gedoopt.
Zijn dorst gaat ons aan. Deze dorst ondergraaft onze zelfgenoegzaamheid. Daarin is immers voor zo’n Jezus geen plaats. Daar moeten wij echt achter komen. Het wordt tijd dat wij met al onze levensfilosofieën en levensverheerlijking en daaraan verbonden beschikking over ons ‘eigen’ leven, op deze Christus breken. Wij moeten Hem als het ware toelaten zo te zijn, omdat Hij ons is. Dit schamel kruis, deze schamele Lijder is het die in Zijn klachten ons ‘eigen’ leven openlegt als schamelheid, als verwerpelijk voor de heilige God.
Zó, als dorstlijder, is Hij Degene die ons levend water aanreikt. Kom en drink!
Sprak Hij: ‘Mij dorst’, ook ons ten beste,
Dat er nooit meer een ongeleste
Dorst, een te bitt’re drank zou zijn.
Goede Vrijdag 6 april
‘Het is volbracht’
Toen Jezus dan de edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht. En het hoofd buigende, gaf Hij de geest. (Joh.19:30)
Lezen Johannes 19:25-30
Dit is dé dag. De goede dag. De dag van de balans die werd opgemaakt. Er was immers een rekening te vereffenen tussen Jezus en de Vader. Tussen een schuld overnemende Borg en een rechtvaardige God die in Zijn recht hersteld wilde worden. Het zijn ‘dogmatische’ woorden, maar ze treffen de zaak in het hart. We moeten er zuinig op zijn, ze niet weggooien als we geen betere woorden kunnen vinden.
De uitslag is: in orde. Volbracht. Weer één woord. Zo bondig en bindend. Er klinkt geen zucht van verlichting, maar een blijde proclamatie die gehoord wil worden. Daarom wordt er vandaag gepreekt. Dat is toch de allerbeste manier om het heil uit te roepen.
Het heil neemt hier de vorm aan van een kreet van overwinning. De vijand, de zonde, de schuld, de dood, ze zijn overwonnen. Die schijnbaar eindeloze kettinggang, ze is doorbroken. Het doel is bereikt: God Zijn eer en de Kerk haar zaligheid.
Vanuit deze dag gaat het Licht als een oordeel over de wereld heen. Wij worden met de maat van dit volbrachte werk gemeten. Zalig worden is zich dit werk aan laten meten. Wie gelooft, ontdekt dat het hem of haar past. Kijk, dat is de ‘gepastheid’ van de Middelaar. In vroeger tijden voegden wij de noodzakelijkheid daar aan toe. En de liefelijkheid niet te vergeten, in gezelschap van een gepermitteerde begeerlijkheid.
Uit zulke woorden stijgt een liefelijke reuk op. Mijn Liefste is blank en rood en draagt de banier boven tienduizenden. En alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk, zingt de bruid in haar hoogste lied. Alles, alles is voldaan. Is onze ziel verbonden aan Christus? Al het Zijne wordt het onze. We zijn dan in balans. In orde. Voor eeuwig. Door Hem en in Hem en met Hem. Halleluja.
Uw zoendood zij mijn steun in nood,
mijn heil in druk en in den dood
mijn laatste troost op aarde.
Stille zaterdag 7 april
‘In Uw handen beveel Ik Mijn geest’
En Jezus, roepende met grote stem, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest. (Luk.23:46)
Lezen Lukas 23:44-48 en Hebreeën 2:14-18
Jezus is gestorven en het is stil geworden op Golgotha. Gisteren hing Hij hier, Jezus, Zoon van God en Zoon des mensen. Intussen rust Hij in het stille graf in de hof van Jozef. Wij herdenken Hem, die gestorven is en werd begraven. Wij staan op de heuvel ‘daarginds’. Voor de liefde en het geloof niettemin zo dichtbij. Geen reisbureau, geen vliegtuig komt eraan te pas. Daar waar we ons bevinden, stellen we ons de vraag op deze stille dag hóe Hij gestorven is.
Hij is sprekend gestorven. Met het Woord. Wéér met het Woord. Hij kon er eenvoudig niet buiten. Het was het enige dat Hij overhield. Blijkbaar kun je daarmee sterven. Leven trouwens evenzeer. Die troost wordt ons alvast aangereikt. Uniek in leven en in sterven.
Alle dagen, alle nachten, elk uur, elk ogenblik.
Hij stierf. Als slachtoffer? Ja, zeker. Op Gods altaar als het lam dat God Zich had voorzien. Toch staat er niet dat Hij stierf. Hij gaf de geest, de levensgeest, dat wat een mens tot mens maakt. Dat alles spreekt van een wonderlijke activiteit, van werk tot het einde. Hij gaf het leven over toen Hij de dood tot Zich riep. Zijn dood was daad, een vrijwillige, verzoenende en verlossende daad. De dood kan maar op één manier verlossend zijn. Alleen als wij gestorven zijn mét Hem die de geest gaf.
Deze laatste van de zeven dagen is er niet één van toespraken bij het graf. Bij zo’n ‘actieve’ Zaligmaker kan het niet anders of Hij spreekt nog nadat Hij gestorven is. Omdat Hij Zijn geest gáf, haar beval in Vaders handen. Het is een niet te bevatten troost, juist voor mensen die al hun dagen met de vrees van de dood bevangen zijn (Heb.2), geketend in dienstbaarheid aan de dood als het loon van de zonde.
Er waaien klanken van paasklokken naar ons over. Geuren van Leven. Bij de Heere, de Heere, zijn uitgangen uit de dood. Met deze woorden vertroosten wij elkander. Amen.
Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt, uit goedheid zonder peil,
Ons ’t eeuwig zalig leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's