Globaal bekeken
In 1924 bezoekt koningin Wilhelmina Arnemuiden, toen daar vissers waren omgekomen. De Waarheidsvriend van 28 augustus bevat een impressie van prof.dr. L. Lindeboom:
Het (hoogtepunt) ligt tussschen kwart over acht en negen uur op Vrijdagavond, na het vertrek uit Vlissingen en bij aankomst te Arnemuiden, waar het eenvoudig bezoek zou plaats hebben, waarvan weinigen wisten en nog minder velen getuige zouden zijn.
Ook te Vlissingen had de Koningin betrekkingen van omgekomen visschers bezocht, maar dit rouwbezoek werd door de visschersbevolking gevoeld als een Koninklijk meevoelen met Arnemuiden; want, wat in Vlissingen vischt, is immigrant uit Arnemuiden, en in dit dorp ligt de geschiedenis, klopt het hart van het visschersvolk van Walcheren. De Vlissingsche visscher heeft de taal, de gebaren, den gang, de kleeding, de beeldspraak, de scheldnamen uit het oude stadje aan de Arne; en niet weinigen denken met heimwee terug aan ’t plekje grond, dat slechts eenige uren verwijderd ligt van de min of meer moderne industriestad, die zij thans bewonen.
En in dit hart van het zwaar getroffen visschersvolk van Zeeland’s schoonste eiland zou de Koninklijke trein circa kwart over acht arriveeren. Alle visschers waren thuis en stonden star en stil met hun vrouwen en talrijk kroost voor hun woningen. Wat aan vlaggen in het dorp aanwezig is (vele en groote zijn dat er niet) was uitgestoken; een sobere oranje-versiering was aangebracht op beuken, truien, de ronde hoeden der visschers en de petjes der jongens, die overigens van hun derde of vierde jaar af dezelfde kleeding dragen als de mannen. Moeders instrueeren met eerbiedig-stille stem hun jongen over het afnemen der petjes, die nooit van de hoofden komen, dan om te bidden of om te gaan slapen. Een visscher neemt zijn hoofddeksel niet af ! Hij groet met de stem in een rijkdom van toonaarden en met een gebaar van zijn forsche rechterhand, die soms dichtbij naderen kan bij pet of hoed. Verder niets! Maar de gewone maatstaven zijn hier weggevallen. Thans staat de Koningin op het punt binnen te rijden voor een rouwbezoek. En de jongetjes worden voorbereid op het groote moment van ’t afnemen van de petjes.
Zal Zij rijden in auto of open rijtuig? En hoe zal dat alles zijn: de kleeding, het groeten, het bewegen, het heele gedrag van dat zoo bijzondere, hoog te vereeren Koninklijke, dat onmiddellijk zijn intree zal doen in het dorp?
En eenige minuten nadat de trein is voorgereden, terwijl mannen en vrouwen mij nog op gedempten toon staan te vertellen over de laatste worsteling van verdronkenen; over het afscheid, dat de opvarenden van één der scheepjes reeds van elkander genomen hadden, nadat de kop van het roer was weggeslagen en zij allen samen waren neergehurkt in ’t stuurlooze vaartuig, dat reddeloos aan den hevigen wind en de golven scheen prijsgegeven, tot als een wonder, toch nog redding kwam; over het rauwe leven der zee, dat velen van deze kerels met hun harten van goud uiterlijk verruwt; over het verraderlijke van de zee, die ’s morgens bij het uitvaren vredig kan zijn als een spiegel en in enkele minuten het verderfelijke, ontembare element, dat niet meer te ontvluchten is.. gaat plotseling een beweging door de rij, de hoofden worden ontbloot en ginds aan het eind van de straat verschijnt wandelend, naast den Commissaris der Koningin, over de hobbelige keien, gekleed, zooals iedere vrouw gekleed zou kunnen gaan, rustig groetend met stillen ernst tusschen de rijen der doodstille visschersmensen, de eerste vrouw van Nederland: Koningin Wilhelmina. Zij gaat de straat af tot aan ’t huis waar de eenige geredde van één der scheepje met versplinterd been te bed ligt. Rustig, zooals een zeer goede kennis een huis bezoekt, waar hij veel lijden weet, treedt Zij over de vervelooze houten stoep het huis binnen.
Zij blijft er eenige minuten, die heel lang schijnen en gaat dan op dezelfde rustige wijze tusschen de rijen der zijgende menschen door de huizen bezoeken van de gezinnen der omgekomenen.
Ik ken Zeeland en zijn volk. Ik ken ook Arnemuiden en zijn bevolking, maar zooals nu heb ik het nooit gezien. De vrouwen, aangedaan en met tranen in de oogen, staren elkaar met stomme verbazing aan: Dat is het nooit gedroomde: De Koningin, wandelend op deze keien, zoekend naar een huisdeur, met dezen ernst, met dezen eenvoud. Een oude visscher met verweerd gezicht, gebogen neus, sterke oogen, harde mondhoeken staat vol eerbied met de oude versleten muts in beide handen voor ’t lijf, te kijken naar deze loopende vrouw, die in elken trek van haar gelaat verraadt, dat zij dit volk, in dit nest van watergeuzen, met zijn grove leed begrijpt en lief heeft. Dit slaat hem; hier biedt geen vezel in zijn stugge, stoere, vrijheidsbegeerige wezen weerstand. Deze eenvoud! En overal steken groepjes de hoofden bijeen en spreken op gedempten toon over de eer voor ’t dorp, en dat het toch geen kleinigheid is zoo’n mensch in je eenvoudige visschershuis met je visschersmanieren en je visschers taal te moeten ontvangen. Maar ’t is toch ook weer te overkomen, want telkens en telkens weer gaat het over dien eenvoud, dien Koninklijke eenvoud.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's