Kloppend hart van Leiden
Pieterskerk spiegelt vaderlandse geschiedenis
De hele bouwgeschiedenis van de Leidse Pieterskerk is minutieus vastgelegd in een kapitaal boek, het historische monument waardig. Wát een boek. Alleen al het fotomateriaal (interieur, schilderstukken, portretten, grafmonumenten) is indrukwekkend.
Over de voorgangers van de huidige Leidse Pieterskerk, waarvan de bouw omstreeks 1390 begint en in het midden van de zestiende eeuw (1565) wordt afgesloten, is weinig bekend. Een vermoedelijk begin is geweest een kleine tufstenen zaalkerk uit 1121. In 1614 citeert de Leidse stadshistoricus Jan Jansz. Orlers uit een honderd jaar oud geschrift dat in de kerk hing: ‘In den jare 1121, des sonnendaechs ons Liefvrouwen gheboorte (...) worde dees tegehenwoordighe Kercke, gewijt in der eeren godes, ende der Heylighen Apostelen S. Pieter ende S. Paulus, onder den eerwaerdighen Heer ende Vader in Gode, Godebaldus, de 24 bisschop van Utrecht.’
Na 1565 worden er slechts op onderdelen vernieuwingen uitgevoerd. De ontploffing van een kruitschip op 12 januari 1807 brengt wel zware structurele schade, waarbij ook historische beglazingen definitief worden verwoest.
Kloppend hart
Tijdens de beeldenstormen in 1568 en 1572 blijft de Pieterskerk redelijk gespaard. Het Laatste Oordeel, altaarstuk van Lucas van Leyden, wordt op het stadhuis in veiligheid gebracht. In een ‘spontane dankdienst’ op 3 oktober 1574 wordt de dank tot uitdrukking gebracht dat de kerk sinds de invoering van de ‘nieuwe leer’ in 1572 het kloppend hart van de stad is gebleven.
Vanaf 8 februari 1574 is de kerk ook het kloppend hart voor de nog jonge Leidse universiteit en wordt de kerk de laatste rustplaats voor beroemde wetenschappers, waardoor de kerk tot vandaag een unieke collectie beeldhouwwerk bezit.
In 1974 gaat het godshuis over in wereldlijke handen. Het gebouw heet nog steeds ‘icoon van de stad’ te zijn. In een voorwoord bij het boek zegt H. Lenferink, burgemeester van Leiden, dat de geschiedenis van de kerk een spiegel is van de vaderlandse geschiedenis. ‘De oorlogen, de overheersingen en de vluchtelingen, zoals de Pilgrimfathers en de Hugenoten, hebben hun sporen in de kerk nagelaten.’
Reformatie
De hele kleurrijke geschiedenis van de Pieterskerk komt in het boek voorbij. Op 5 oktober 1572, na de tweede Beeldenstorm die over de kerk raast, vindt de eerste protestantse eredienst plaats. Het aantal belangstellenden (dan wel ‘liefhebbers’) is in de kerk aanmerkelijk groter dan het aantal lidmaten. De kerk staat open voor alle inwoners van de stad die kun kinderen willen laten dopen of hun huwelijk bevestigd willen zien. Begrafenissen worden uitbesteed aan anderen dan de predikanten, hoewel deze er wel een woord mogen spreken. Alleen de lidmaten worden geacht ‘de regels aangaande de tucht strikt in acht te nemen’.
Misstanden zijn er intussen te over; ik citeerde al iets in de rubriek ‘Globaal bekeken’ van 5 april.
In 1572 wordt de hele rooms-katholieke inventaris uit de kerk verwijderd. Daartoe behoort ook een vierkant rood kastje met een zogeheten versteend brood. Een vrouw, zegt de legende, zou in 1315 tijdens een hongersnood geweigerd hebben brood met haar buurvrouw te delen. Als ze meer brood in huis had, zei ze, dan wat ze zojuist had verorberd, zou God dat wel in steen veranderen. Welnu, zulks geschiedde van het ene moment op het andere. Het brood is nog steeds te vinden in de Lakenhal in Amsterdam.
Universiteit
In januari 1575 wordt op initiatief van prins Willem van Oranje de Leidse universiteit gesticht. Op 8 februari vindt een feestelijke viering plaats met een optocht die als thema heeft: ‘De triomf van het woord’. De kostuums zijn gemaakt van de paramenten (gewaden) en de altaarkleden van de Leidse kerken.
Als in 1775 het tweede eeuwfeest van de universiteit wordt gevierd, is de kerk zo vol (‘bomvol’), dat velen met een staanplaats genoegen moeten nemen. ‘Hier by kwam, dat die geenen, welken geen bekwame zitplaats hebbende kunnen bekomen, in de omgang der Kerke rond zworven, alsmede de vrouwen in ’t Choor, om het verveel te verminderen, met elkander drukke gesprekken hielden (…)
Dit verwekte zodanig een gedruis door de gansche Kerk, dat ook veelen, die zelfs naby den preekstoel zaten, weinig hooren en veel minder verstaen konden.’
Uiteraard komt ook het twistgeding tussen Arminius en Gomarus ter sprake. In 1934 laten (oud-) leerlingen van het seminarie van de Remonstrantse Broederschap alsnog een marmeren gedenkplaat voor Arminius in de Pieterskerk aanbrengen. Ook de schilder Jan Steen (1626-1679) krijgt er overigens pas ter gelegenheid van zijn 300e geboortejaar in 1926 een gedenkplaat.
Coccejus
Wel is er al een epitaaf, ‘rijker van aankleding dan de andere monumenten’, aanwezig ter nagedachtenis aan Coccejus, de tegenpool van de Utrechtse hoogleraar Gijsbertus Voetius als het gaat om de leer van verbond en verkiezing. Na 1686, als Willem III in samenwerking met de gereformeerde synodes ‘een straf orthodoxe lijn’ is gaan doorvoeren, wordt de coccejaanse invloed minder. Aan het eind van de 17e eeuw zijn er geen coccejaanse theologen meer aan de Leidse faculteit. De in 1698 benoemde Witsius keert zich dan ook af van het eens door hem beleden coccejanisme. Maar na de dood van Willem III in 1702 komen de coccejanen weer terug en blijft de universiteit lange tijd een coccejaans bolwerk.
De Pieterskerk bevat ook een gedenksteen voor de dichter, theoloog, staatsman en hoogleraar Johannes Hendricus van der Palm (1763-1840), die in Katwijk is begraven. Dat Herman Boerhaave (1668-1738) er een monument heeft, behoeft geen toelichting. Zijn faam als wetenschapper (medicus, anatoom, botanicus en chemicus) reikt tot ver over de landsgrenzen.
Ook zijn godsvrucht en rechtschapenheid worden geroemd.
Klok
Ter afronding nog slechts een greep uit dit gevulde boek. Inscripties op kerkklokken moesten bliksem en onweer bezweren. De Leidse Salvator verdrijft ‘de haghel en alle quaet weder’. Roomsgezinden laten zelfs bij zwaar onweer geen klok stil hangen. Soms worden klokken ook met het oog daarop gedoopt.
Hoewel in 1572 door het calvinisme in Holland het orgelspel door de gereformeerden in de ban wordt gedaan, klinkt er in de Pieterskerk vijf jaar later alweer orgelspel, met vrije bespelingen na de kerkdienst door Gerryt Hendrikszoon Orgelpijp (!).
In 1940, het jaar waarin de Duitse bezetting begint, wordt in de kooromgang van de Pieterskerk een Marnixvenster geplaatst, ter gedachtenis aan Marnix van Sint Aldegonde (1540-1598), de vertrouweling van Willem van Oranje.
Marnix verblijft vanaf 1595 in Leiden om er de Bijbel te vertalen. Op 22 december 1598 wordt hij in de Pieterskerk begraven, zonder dat er overigens een grafmonument wordt geplaatst. Al in 1606 heet nochtans het graf ‘één van de grote bijzonderheden’ van de Pieterskerk te zijn. De erfgenamen komen echter hun verplichtingen jegens de kerkrentmeesters niet meer na. Toen is het graf geschut.
Vandaar het Marnixvenster.
Pedelstaf
Rest nog te vermelden dat direct na de capitulatie in 1940 de pedelstaf en het grootzegel van de universiteit worden verborgen in het graf van Coccejus. De koster van de kerk destijds, W.K.L. Rameau, beschrijft het als volgt: ‘Bij intuïtie begreep ik hier met een eeretaak te doen te hebben en stelde mij beschikbaar; ’s middags kwam een pak geamballeerd als een mummie waaruit een voor mij bekend geluid kwam: de rinkelende eereteekenen of wat ’t moge zijn aan de scepter der senaat.’
N.a.v. Elisabeth den Hartog en John Veerman, ‘De Pieterskerk in Leiden. Bouwgeschiedenis, inrichting en gedenktekens’, uitg. WBooks, Zwolle; 527 blz.; € 59,50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's