Bestuur tegenover ouders
Christelijk onderwijs: kansen en bedreigingen
De positie van schoolbesturen is buitengewoon sterk. Dit gaat ten koste van het recht van ouders om voor hun kinderen onderwijs te laten verzorgen dat recht doet aan hun levensovertuiging. Ouders willen meer invloed en krijgen die waarschijnlijk ook.
De rol van de inspectie verandert ook. Deze speler op het onderwijsveld is zijn kwaliteitscontroles gaan verbreden.
Hierdoor neemt het risico dat de overheid zich inhoudelijk meer met het onderwijs gaat bemoeien toe.
Inspectie
Tot aan het eind van de vorige eeuw maakte de onderwijsinspectie organisatorisch deel uit van het ministerie van Onderwijs. Hierop kwam in toenemende mate kritiek omdat de kwaliteitscontrole los zou moeten staan van zowel de beleidsontwikkeling als van de instantie die uiteindelijk bevoegd is sancties op te leggen. Daarom werd de inspectie in 1993 op afstand van het ministerie gezet. In 2002 werden de taken van de inspectie vastgelegd in de wet op het ‘Onderwijstoezicht’.
De inspectie dient te controleren of de basiskwaliteit van scholen gewaarborgd is en tegelijkertijd de kwaliteitszorg binnen scholen te stimuleren. Al bij het aannemen van deze wet is erop gewezen dat de formulering van deze taak op gespannen voet zou kunnen staan met de in artkel 23 verankerde vrijheid van onderwijs. De Grondwet besteedt aandacht aan kwaliteit. Zo luidt lid 5 van artikel 23: ‘De eisen van deugdelijkheid aan het uit openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen worden bij wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.’
Daarbij denkt de grondwetgever vooral aan zaken als het minimaal aantal lesuren per week en aan de bevoegdheidseisen van docenten.
Omdat aan de inspectie echter ook de taak van de stimulering van de kwaliteitszorg van scholen werd toevertrouwd, ontstaat het risico dat de inspectie het op haar weg vindt liggen zich uit te spreken over aan kwaliteit gerelateerde kenmerken die meer op pedagogischdidactisch terrein liggen.
Spanning
Hier ligt ook voor de toekomst een voortdurend punt van mogelijke spanning. De aandacht voor kwaliteit van onderwijs is in de Nederlandse samenleving zo sterk toegenomen, dat ook ouders het belangrijk vinden dat de inspectie er bovenop zit.
Ouders, reformatorische ouders niet in het minst, willen immers het beste onderwijs en het hoogst haalbare voor hun kinderen. Daarom wordt breed geaccepteerd dat het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs verder reikt dan alleen het beoordelen van de deugdelijkheid van de input (zoals het aantal gegeven lesuren en de bevoegdheid van de docenten).
De inspectie neigt ertoe ook het onderwijsproces aan kwaliteitsoordelen te onderwerpen en zeker ook de leeropbrengsten, zeg maar de output. Wat is de leerling op school wijzer geworden van het genoten onderwijs?
Deze verbreding van de kwaliteitscontrole door de inspectie wordt binnen het onderwijs en zeker binnen het reformatorische onderwijs met argusogen gevolgd. Daarbij vinden we de echte liberalen aan onze zijde. Ook zij pleiten ervoor dat de overheid afstand bewaart van een beoordeling van de manier waarop de school haar onderwijsproces inricht.
Het enigszins labiele compromis dat hiervoor tegenwoordig wordt gehanteerd is dat de inspectie naast de wettelijk vastgelegde eisen van deugdelijkheid ook de opbrengsten van het onderwijs beoordeelt, maar beperkt zich daarbij tot die vakken die voor de verdere schoolloopbaan cruciaal zijn, zoals rekenen en taal.
Toetsing van kwaliteit
Toetsing van kwaliteit van het onderwijs wordt dus steeds meer als wenselijk of vanzelfsprekend aanvaard. Het voorkomen dat de overheid zich met een beroep op haar taak de kwaliteit te bewaken zich steeds indringender zal gaan bemoeien met het onderwijsproces is een zaak van voortdurende aandacht. De huidige manier van spreken waarbij de overheid gaat over ‘het wat’ en niet over ‘het hoe’, lijkt in dezen niet langer de gewenste duidelijkheid te verschaffen.
Dat deze discussie in feite nog in de kinderschoenen staat blijkt wel uit de huidige werkwijze waarmee zwakke en zeer zwakke scholen worden geïdentificeerd. Een school krijgt de kwalificatie van zwak of zeer zwak als bepaalde leeropbrengsten (zoals gemeten met de CITO-score voor rekenen en taal) onder of ver onder het landelijk gemiddelde blijven.
Met een dergelijke norm zullen er altijd zwakke scholen zijn. Voor een gemiddelde moeten afwijkingen naar boven nu eenmaal gecompenseerd worden door afwijkingen naar beneden. Het zijn relatieve, vergelijkende standaarden. Het zou de rechtspositie van scholen aantasten als op grond van deze constateringen sancties tegen scholen zouden worden genomen. Het is immers juridisch moeilijk aanvaardbaar dat aan een school sancties worden opgelegd omdat andere scholen boven verwachting goed presteren.
Belangenorganisaties
Tot in het begin van de jaren ’90 vond het overleg tussen overheid en het onderwijsveld plaats via de verzuilde koepelorganisaties, zoals de Besturenraad of de VGS. Door de opkomst van de sectororganisaties, zoals PO-raad, VO-raad en MBOraad is hierin verandering gekomen.
De invloed van de koepelorganisaties is aanzienlijk afgenomen. Besturen van reformatorische en protestants christelijke scholen zagen zich voor de vraag gesteld of zij zich ter verdediging van hun belangen bij de overheid aan zouden moeten sluiten bij neutrale brancheorganisaties. De overheid zal het gesprek met het onderwijsveld immers vrijwel uitsluitend met deze sectororganisaties gaan voeren. Niet meedoen betekent dan bijna automatisch niet meer gehoord worden.
Schoolbesturen
In de Nederlandse samenleving is de secularisatie de laatste vijftig jaar heel hard gegaan. Voor het onderwijs echter zijn de institutionele gevolgen van secularisering en ontzuiling nauwelijks aan de oppervlakte waarneembaar. Het grootste deel van de scholen in het primair en het voortgezet onderwijs was en is op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag geschoeid.
De meeste bijzondere scholen zijn protestants-christelijk of rooms-katholiek.
Deze onevenwichtigheid wordt door ouders in het algemeen niet als een groot probleem ervaren. Dat neemt echter niet weg dat er regelmatig op wordt gewezen dat deze algemene tevredenheid van niet christelijke ouders met het christelijk onderwijs vertekend wordt door het feit dat er te weinig alternatieven voor het christelijk onderwijs zijn.
Ouders zijn immers in de keuze voor een school voor hun kinderen aangewezen op het bestaande aanbod van openbare en bijzondere scholen. Ruimte voor het stichten van nieuwe scholen, behalve in nieuwbouwwijken, is er nauwelijks.
Onevenwichtig
De onevenwichtigheid tussen het schoolaanbod en de levensbeschouwing van het merendeel van de Nederlandse bevolking is mede te verklaren uit de eenzijdige interpretatie van artikel 23 als een verankering van het recht om onderwijs áán te bieden. Artikel 23 werd oorspronkelijk ook zo verstaan dat hier sprake is van het recht van de onderwijsvrager. De gedachtegang is dan dat de expliciete waarborg voor de vrijheid om onderwijs te geven ouders de mogelijkheid biedt zich van het voor hun kinderen gewenste onderwijs te verzekeren. Artikel 23 heeft zich echter in de vorige eeuw vooral ontwikkeld als een recht van de aanbieders.
Hierbij is opmerkelijk dat in het internationale recht, zoals het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, het recht om onderwijs te ontvangen veel sterker wordt benadrukt. De invloed van het Europees recht is in de Nederlandse wetgeving ook duidelijk terug te vinden in bijvoorbeeld de leerplicht, het recht op toelating van zorgleerlingen en het verlagen van financiële drempels voor toegang tot het hoger onderwijs.
Sterke positie
De positie van schoolbesturen (de zogenaamde bevoegde gezagen) is in het Nederlandse onderwijsstelsel ongemeen sterk. De fusiegolf van de laatste decennia heeft daar nog een flinke schep bovenop gedaan.
Het zijn instituties geworden die bijvoorbeeld ook bij het stichten van nieuwe scholen door hun hoge organisatiegraad vaak een stevige voorsprong hebben waardoor voor nieuwkomers minder speelruimte overblijft.
Schoolbesturen lijken ook geneigd de invloed van ouders te willen beperken, bevreesd als ze zijn dat ouders een bedreiging voor de grondslag van hun school zouden kunnen vormen. Vandaar dat in het kiezen van een organisatiestructuur de verenigingsvorm niet erg populair is. De meeste schoolbesturen hebben om deze reden voor een stichtingsvorm gekozen.
Vanuit de politiek roept deze schier onaantastbare positie van schoolbesturen in toenemende mate irritatie op. De vraag wordt dan ook steeds vaker gehoord of met de sterke positie van schoolbesturen nog recht wordt gedaan aan de oorspronkelijke bedoeling van de grondwetgever om ouders de ruimte te bieden voor hun kinderen onderwijs te laten verzorgen dat recht doet aan hun levensovertuiging. Het recht van ouders is verschoven naar het recht van schoolbesturen.
Ouders
Schoolbesturen zullen zich in de toekomst meer geconfronteerd zien met ouders die invloed op de richting van de school van hun kinderen willen uitoefenen.
Aangezien ouders zich hierin gesteund weten door een overheid die aan ouders ook meer invloed wil toekennen, zullen schoolbesturen met de wensen van ouders nadrukkelijker rekening moeten houden.
Zo is niet uit te sluiten dat van schoolbesturen in de toekomst zal worden geeist één keer per vijf jaar de bij hun scholen betrokken ouders te bevragen of zij de identiteit van de school nog steeds als de hunne herkennen en erkennen.
Volgende keer het slot: kansen en bedreigingen van het christelijk onderwijs in de nabije toekomst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's