Gouddelver en goudsmid
Vader & zoon in de theologie [3, J.H. Gunning jr. en J.H. Gunning JHz.]
Het duurde destijds even voor ik vader en zoon Gunning uit elkaar kon houden. Begrijpelijk, want beiden staan te boek als ethisch theoloog, beiden droegen de initialen J.H., beiden waren gepromoveerd en beiden kenmerkten zich door eruditie en vroomheid.
De vergissing was echter van korte duur. Nadere kennismaking leerde hoezeer vader en zoon ondanks tal van overeenkomsten ieder zijn eigen statuur had: de eerste zeer diepzinnig, van een zowel filosofische als mystieke geest, de tweede meer de man van praktijk.
Dat weerspiegelde zich in hun ambtelijke loopbaan. Vader Johannes Hermanus Gunning jr. (1829-1905) was predikant in Blauwkapel, Hilversum en Den Haag. Daarna was hij hoogleraar in Amsterdam en Leiden. Toen hij met emeritaat ging, vestigde hij zich in Arnhem, waar hij bij voorkeur bij Kohlbruggiaanse predikanten kerkte. Zoon Johannes Hermanus Gunning JHz. (1858-1940) diende de kerk uitsluitend als predikant: in Wilhelminadorp, Bennebroek, Gouda, Leiden en Utrecht. Vervolgens woonde hij in Haarlem als predikant- directeur van het Diaconessenhuis aldaar, en in Apeldoorn, waar hij aan een evangelisatie verbonden was. In Serooskerke (op Walcheren) werd hij binnen de Hervormde Kerk weer herder en leraar.
Zijn emeritaat bracht hij door in Bilthoven en Amsterdam.
Kerk
Vader Gunning heeft over tal van dingen nagedacht. Kruis en opstanding vormden daarin het centrum.
Bovendien waren alle grote figuren uit de kerkgeschiedenis in hem.
Met name is hij de man geweest van de kerk van Christus – geen idee ging trouwer aan zijn zijde (Noordmans) – en van de toekomst des Heeren.
Hij verlangde er sterk naar dat de kerk zich als een moeder over hem heen boog en met geestelijk gezag zou optreden, zodat zij vastheid kon geven aan de zielen en de troost van de Heilige Geest zo overvloedig zou zijn dat haar kinderen zich ten volle verzekerd mochten weten van de vergeving der zonden en zich met al hun zwakheden door haar gedragen voelden. Maar doordat ze zo verscheurd is, lukte dat niet.
Daaronder leed Gunning. Al zijn krachten en gaven zette hij – samen met een andere bekende negentiende- eeuwer: Hoedemaker – in voor het herstel van de kerk.
In meer dan een brochure uitte Gunning zijn liefde voor en zijn zorg om de kerk. Bekend is zijn rede Hooger dan de kerk!, uitgesproken in 1897. Met profetische bezieling sprak hij uit dat er maar één weg is waarlangs de kerk hier op aarde Christus’ wederkomst verwachten kan. Deze weg is de schuldbewuste erkenning dat de oorzaak van de kerkelijke misstanden niet in de gebruikelijke geschilpunten ligt, maar ‘hoger dan de kerk’: in de heilige toorn des Heeren, onder Wiens ban wij verkeren.
Realiteit
Nadrukkelijk onderstreepte Gunning de eenheid van de kerk. Zij is geen ideaal waarnaar men streven moet, maar realiteit, waarin de kerk rusten mag, omdat zij gegéven is. Zij ligt namelijk ‘hoger dan de kerk’: in Christus Zelf, die het Hoofd is van Zijn lichaam.
Gunning kon niets met de onzichtbare kerk. Een dwaalbegrip noemde hij het, een slaapdrank. Daarmee worden partijschappen goedgepraat en komen we ‘lager dan de kerk’ terecht. Gunning riep op tot Christus op te klimmen. Intussen scheiden wij ons af van het Babel van de pluriformiteit en voegen ons in het ene lichaam van Christus en verwachten Zijn wederkomst.
Toekomst
Gunning had daarom de kerk zo nodig, omdat hij slechts aan haar hand kon heen leven naar het heerlijke dat ons nog te wachten staat: de toekomst des Heeren. Die komst zag hij met brandend verlangen tegemoet. Dan immers zullen wij Hem ontmoeten die onder ons neerdaalde, tot in ons vlees en tot aan het kruis.
Gunning zelf zei het zo: ‘Wij die de genade ontvangen hebben om de toekomst des Heren te geloven, wij weten dat in die toekomst – door de wereld als een fantastisch droombeeld beschouwd – niet alleen de hoogste werkelijkheid, maar ook de enige volkomen redding van de wereld ligt. Waarom zoeken wij de Heer dan zo weinig omwille van de zwoegende, hijgende wereld! Hij zelf verlangt vurig tot ons te kunnen komen, zo slechts de Gemeente bereid is. Konden wij met verhelderd oog het onzichtbare zien, wij zouden alle engelen en hogere Machten in onbeschrijfelijke spanning naar die Toekomst zien verlangen. Hoe is het dan dat er zo weinig meegevoel met deze algemene beweging van het heelal in ons is?
Laat ons dan, gezanten van Jezus Christus! laat ons vrienden van de Bruidegom zijn, die zich over zijn stem, als zij gehoord zal worden in zijn naderen, met innige blijdschap verheugen. (...) Daarom is het geloof van de Gemeente, die dit verstaat, een wachten, een verwachten.
Een christen is een mens die wachten kan.’
Ethisch
Zoon Gunning is evenals zijn vader te typeren als een ethisch theoloog.
De ethische theologie was in de tweede helft van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw een brede stroming in de Hervormde Kerk. Zij kwam op voor ‘het ethisch karakter der waarheid’. Dat wil zeggen dat de waarheid niet zozeer een leer is, maar veelmeer het karakter heeft van een ontmoeting: de ontmoeting van de zondige mens met de heilige God in Christus, de Gekruisigde. In zelfverloochening en kruisdragen buigt de mens zich voor Hem neer. Dat is ethisch.
In zijn toespraak bij de begrafenis van zoon Johan vergeleek prof.dr. M.J.A. de Vrijer, die van jongs af zijn vriend was geweest, de ‘oude’ en de ‘jonge’ Gunning. Vader noemde hij een gouddelver, die eenzaam en vol ontbering op zoek was geweest naar het edel goudmetaal. Zoon was meer de begaafde goudsmid, die het opgegraven metaal bewerkte tot een sieraad, een gebruiksvoorwerp, zodat het bruikbaar was voor de mensen.
Pniël
Duidelijk blijkt dat in het denken van JHz. over de kerk. Vaak en graag sprak hij over de Una Sancta, de ene, heilige kerk. Niet vreemd dat hij veelvuldig contact zocht met het Leger des Heils, een uitvoerig commentaar schreef op Bunyans Christenreis, een lijvige biografie over de rooms geworden anglicaan kardinaal John Henry Newman uitgaf.
Waar zijn vader meer het wezen van de kerk probeerde te schouwen, daar was zijn insteek praktischer. Polemischer soms ook. Zo moest de traditionele orthodoxie, waaronder de Gereformeerde Bond, het meer dan eens ontgelden, bijvoorbeeld in de gezangenkwestie.
We hebben echter vooral te denken aan Gunnings talrijke pennenvruchten in allerlei kerkbladen en -blaadjes. Meditaties, gedichten, verhalen: van alles publiceerde hij om gemeenteleden te onderwijzen, te helpen, te troosten, terecht te wijzen.
Deze arbeid vond zijn hoogtepunt in het weekblaadje Pniël, dat aanvankelijk geen ander doel had dan geld in te zamelen voor een gelijknamig wijkgebouw dat hij in Leiden stichtte. Later werd het tot een meer algemeen stichtelijk blad, dat door heel het land lezers vond en Gunning een omvangrijke correspondentie opleverde. Bijna vijftig jaar lang redigeerde en vulde hij het nagenoeg alleen.
Consolator
In 1929 verscheen van zijn hand een vijfdelig werk: Christus Consolator, Christus als Trooster. De titels van de afzonderlijke delen luiden: ‘Mozaïek’, ‘Sursum Corda’, ‘In de Smeltkroes’, ‘Voor Kranken’, ‘Naar Huis’. Misschien wel de bekroning van Gunnings meditatieve schrijven. Het boek wil zijn ‘medereizigers naar Sion een weinig teerkost op de moeilijke levensweg verschaffen’.
In zijn inleiding schrijft hij: ‘O gij, die lijdt, zie op uw Zaligmaker en u zult de zoete troost van Zijn liefde ervaren! Van Golgotha’s heuveltop schieten stralen uit naar alle kanten, stralen die licht en hoop en blijdschap wekken.’ Na het voorwoord lezen we als eerste mozaïek vraag en antwoord 1 van de Heidelberger...
De vrijgemaakte prof.dr. K. Schilder, voorwaar géén vriend van de ethische theologie, beval het niettemin van harte aan, ‘omdat ik erin zie een zegepraal van de calvinistische belijdenis over deze zachte, sympathieke, nabij God levende, overtrooster, wiens hart en hoofd, als ik het goed zie, elkaar niet altijd bewust willen bijhouden, maar wiens geest en ziel steeds sámen worstelen voor de eer van God en van de Heiland.’
Gebed
De Pniël-Gunning schreef ook menig gebed (over). Uit zijn gebedenboek In het heiligdom neem ik het volgende gebed over.
‘O mijn God, help mij. Ik kan niet meer. Het is alles zo donker. Ik voel Uw hand niet. Ik zie geen uitkomst.
Maar Gij zijt er toch. Gij ziet mij. Gij kent mij. Ik dank U dat Gij trouw zijt. Daar reken ik op. Vast en stellig. Ontferm U, Heere. Ik kan niet meer. Maar Gij zijt de Almachtige.
Ik dank U dat ik dát weet. Amen.’
---
J.H. Gunning jr. (1829-1905)
1846 studie theologie te Utrecht
1854 hervormd predikant te Blauwkapel
1857 idem te Hilversum
1861 idem te Den Haag
1882 kerkelijk hoogleraar te Amsterdam (UvA)
1889 hoogleraar in de ethiek en de wijsbegeerte van de godsdienst te Leiden.
J.H. Gunning JHz. (1858-1940)
1873 studie letteren te Leiden
1876 theologie te Utrecht
1881 promotie, hervormd predikant te Wilhelminadorp
1884 hervormd predikant te Bennebroek
1887 idem te Gouda
1891 idem te Leiden
1913 directeur diaconessenhuis te Haarlem
1914 emeritus predikant te Apeldoorn
1920 hervormd predikant te Serooskerke
1924 emeritus predikant te Bilthoven
Dit is de derde aflevering in de reeks ‘Vader en zoon in de theologie’, waarin telkens twee bloedverwanten passeren die theologische sporen hebben nagelaten. Volgende keer: Cornelis Hendrikus en Maarten van Rhijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's