Secularisatie is geen noodlot
Soms gebeuren er interessante dingen als iedereen met vakantie is. Ik denk aan de benoeming van de dertigers dr. Edward van ’t Slot (Zwolle) en dr. Herman Paul (Leiden) tot bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Van ’t Slot is benoemd vanuit de Confessionele Vereniging en Paul vanwege de GZB en IZB. Een dag in de week gaan zij zich bezighouden met het kerk-zijn in de 21e eeuw. Met geschiedfilosoof Herman Paul stond hier en daar al een interview te lezen. Voor het ND sprak Maurice Hoogendoorn met hem.
‘Herman Paul, per 1 september hoogleraar secularisatiestudies, gaat niet ‘een simpel achteruitgangsverhaal met bijbehorend doemscenario’ vertellen. Met Augustinus verzet hij zich tegen de neiging nu al te willen weten hoe het met de kerk afl oopt. ‘Dan misken je Gods vrijheid om te handelen.’
‘Blader door de kerkelijke pers’, zegt Herman Paul, ‘en je komt het ene voorbeeld na het andere tegen: meditaties en beschouwingen over secularisatie naar aanleiding van Matteüs 24, waarin Jezus over het einde der tijden spreekt. In de trant van: zie je wel, het gaat bergafwaarts, mensen hebben geen moreel besef meer, de kerken lopen leeg, en het wordt alleen maar erger.’
Als het over secularisatie gaat, wordt een complexe geschiedenis vaak teruggebracht tot een simpele formule van achteruitgang met bijbehorende toekomstverwachting. ‘Dat valt mij als historicus op’, zegt Herman Paul (34). (….)
Als wetenschapper wil hij ‘het grote neergangsverhaal’ scherp tegen het licht houden. En voor de kerk wil hij een doorgeefl uik zijn van ideeën en praktijken die hij tijdens zijn studie tegenkomt. ‘Ik ben geen theoloog, en dat ga ik ook niet pretenderen te zijn.’
Secularisatie als een groot ‘achteruitgangsverhaal’ sinds de Verlichting, daar ziet Paul weinig heil in. ‘Er kleven vier bezwaren aan’, zegt hij. ‘Het is te simpel. Daarnaast blijft het abstract en algemeen. Daarom heeft het weinig verklaringskracht. Want wat zegt het over onze levens nu? Het is anoniem en ver van ons bed.’ Ten derde laat het mensen moedeloos en met lege handen achter, meent Paul. ‘Secularisatie lijkt dan een soort noodlot.
Als student bezocht ik bijeenkomsten over de toekomst van de gereformeerde traditie. Ik kwam daar niet vandaan met hoop voor de toekomst, maar met het neerslachtige gevoel dat alles van waarde in de kerk op het punt stond te verdwijnen. Een nogal defensieve insteek.’
Ten slotte vindt Paul secularisatie als groot achteruitgangsverhaal een weinig christelijke visie.
Om dat uit te leggen geeft hij – logischerwijs – een historisch voorbeeld.
‘Rond 400 waren het Romeinse Rijk en de kerk heel nauw met elkaar verweven. Toen het Romeinse Rijk in 410 door de Visigoten werd geplunderd, dachten veel christenen dat ook het einde van de kerk gekomen was. Augustinus ging daar in zijn werk ‘De stad van God’ tegenin.
Hij liet zien dat er in de geschiedenis voortdurend een strijd is tussen geloof en ongeloof, tussen de stad van God en de stad van de mens. Ook als het Rijk instort, is de Kerk in Gods handen. Het is een principieel verzet tegen de neiging nu al te willen weten hoe het afl oopt met de kerk.’ Doemscenario’s die zeggen dat de kerk over zoveel jaar verdwenen is, vindt Paul daarom aanmatigend. ‘Dan misken je Gods vrijheid om te handelen. Alleen God weet hoe het met de kerk afloopt.’
Het gevaar van 410 ligt volgens Paul ook nu op de loer. ‘Ik kan mij voorstellen dat mensen die de ene kerksluiting na de andere meemaken met een zekere nostalgie terugdenken aan de volle kerkgebouwen in de jaren vijftig. Maar in die verlieservaring moeten christenen niet blijven hangen. Als onze hoop alleen in die volle kerken ligt, dan ligt die verkeerd. We moeten de situatie van de jaren vijftig in Nederland niet tot norm maken, zo van: zo hoort het christendom er uit te zien. Het was slechts het christendom in een bepaalde context.’
Dat besef mag wat Paul betreft meer doordringen. ‘Het geloof moet concreet gemaakt worden, maar het is gevaarlijk een bepaalde context te verabsoluteren. (..) In mijn studententijd maakte ik mee dat bevindelijk-gereformeerde studenten moeite kregen met de vormentaal die bij hen thuis werd gesproken. Prompt keerden ze het hele christelijke geloof de rug toe, alsof dat niet meer is dan die vormentaal.’
Nu de kerk in een overgangsfase zit, kan een blik op de kerkgeschiedenis hoop en verbeeldingskracht bieden, meent Paul. ‘Als je bereid bent verder te kijken dan Nederland vanaf 1850 dan zie je dat Nederland echt niet het eerste land is dat dit meemaakt. Het geloof heeft door de eeuwen en plaatsen heen telkens in andere contexten vorm gekregen, er hebben talloze transities plaatsgevonden. Dat is ook goed. In een materialistische cultuur heeft Jezus’ woord over de rijke voor wie het moeilijk is de hemel te bereiken meer relevantie dan in een sloppenwijk.
Paul hoopt dat kerken steeds meer plaatsen zullen worden waar christenen elkaar helpen in het dagelijks leven. ‘Wat betekent het evangelie voor relaties? Voor geldbesteding? Daar kunnen we elkaar kritisch op bevragen. Daarin moet de kerk tegendraads zijn, want in de samenleving geldt: doe maar wat je wilt, maar val mij er niet mee lastig.’
In het RD van 2 juni liet dr. Paul al iets zien van wat hem voor ogen staat. Onder de titel ‘secularisatie rond de Sionskerk’ schrijft hij over de ‘kleine’ ervaringsverhalen die hij als ouderling hoorde rond de inmiddels gesloten Sionskerk in Groningen.
‘Opnieuw zie ik mezelf dan fietsen langs het Floresplein. Op een steenworp afstand van de voormalige Sionskerk, in de Padangstraat, staat het missionair-diaconaal centrum van de protestantse gemeente. Vaak heb ik hier op donderdagavond aan tafel gezeten, in gesprek met mensen uit de buurt voor wie geloof weinig tot niets betekende. Uit die gesprekken neemt de auteur verschillende inzichten mee: ‘Een daarvan is het basale psychologische inzicht dat mensen dikwijls heen en weer geslingerd worden tussen uiteenlopende verlangens. Mensen willen individuen zijn, maar ook bij een groep horen. ‘Ik wil best geloven’, zei een jonge vrouw. Om er direct aan toe te voegen dat ze zoiets raars nooit aan haar vriendinnen zou kunnen uitleggen. Zo schipperen mensen tussen hun loyaliteiten, die ze elk als belangrijk ervaren – de ene soms wat meer, de andere soms wat minder.
Zou je daarom kunnen zeggen dat secularisatie niet zozeer kerkverlating is, als wel een leven waarin de relatie met God steeds minder gewicht krijgt? Dat secularisatie niet in de eerste plaats een kwestie is van niet in God geloven, maar van een leven waarin andere verlangens dan die naar God op de eerste plaats zijn gekomen?
Het tweede dat mij dikwijls trof (…), is hoezeer onze verlangens gevormd worden door mensen om ons heen en door verhalen over succes en geluk die in onze samenleving de ronde doen. (…) Voor je het weet, zet je je zinnen op een mooie baan, die op zichzelf niet slecht is, maar je bij God vandaan houdt als hij het voorwerp van je diepste verlangen wordt. (en daarbij sluit Paul zichzelf in).
Zou secularisatie daarom te maken kunnen hebben met onze voornaamste verlangens? Zou er sprake kunnen zijn van secularisatie als onze diepste verlangens niet op God zijn gericht, maar op een voorwerp uit het ‘saeculum’ – uit de tijd die ons op aarde is gegeven? (…)
Het laatste inzicht (…) ligt in het verlengde hiervan. Als het waar is dat onze verlangens dikwijls op hol slaan, op zoek naar bevrediging in het saeculum, laat de kerk dan een plek zijn waar mensen hun leven tegen het licht van Gods Woord kunnen houden. Laat de kerk dan een oefenplaats zijn, waar mensen elkaar helpen in te zien – biddend, lezend en vierend – dat hun verlangen uiteindelijk alleen door God gestild kan worden. (…) Laat de kerk een plek zijn die tintelt van de hoop dat mensenlevens kunnen veranderen, niet alleen ten kwade, maar door Gods Geest ook ten goede.’
Het is verfrissend dat Herman Paul de secularisatie wil ontdoen van simpele verklaringen. Op zich is dat geen nieuw gezichtspunt meer, maar wel broodnodig. Ook waarschuwt hij terecht voor een romantisch beeld van de (kerk)geschiedenis, waarnaar een mens in heimwee kan terugverlangen. Je hoeft m.i. echter geen romanticus te zijn om te betreuren dat God in ons leven en samenleven geen relevante factor meer is. In maatschappij en cultuur – schreef dr. H. Berkhof al in 1988 – is voor Hem geen plaats meer. Hij is verklaard tot het laatste wat Hij ooit voor zijn wereld zou willen zijn: privéaangelegenheid.
In dat licht ben ik benieuwd hoe dr. Paul zijn geschiedfilosofische inzichten gaat integreren in de bezinning op de kerk van de toekomst.
Aansprekend vind ik Pauls vertrouwen in de vernieuwende werking van de heilige Geest. Zo ontstaat ruimte en moed voor de kerk om ook vandaag de dag een weg te zoeken. Mooi dat twee jonge doctores daaraan gaan bijdragen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's