Zelfreinigend vermogen
Het mooie van water is dat het de capaciteit heeft om zichzelf te zuiveren. Door biologische processen worden vervuilende stoffen in het water afgebroken. Dat wordt wel het zelfreinigende vermogen van water genoemd. Deze woorden worden in toenemende mate ook gebruikt voor allerlei maatschappelijke organisaties en instituties, zoals het leger en de rechtspraak. In hoeverre zijn er in een organisatie mechanismen ingebouwd die ervoor zorgen dat bijvoorbeeld kwalijke praktijken worden uitgezuiverd?
In NRC Handelsblad van 20 september stelt psycholoog Tom Postmes: ‘Het zelfreinigend vermogen van de wetenschap is een mythe.’ Studie van de veertig belangrijkste gevallen van wetenschapsfraude in de afgelopen jaren toont aan dat de traditionele manier van controle binnen de wetenschap niet werkt. Van oudsher zijn het de wetenschappers zelf die de kwaliteit en de integriteit van hun vakgebied bewaken. Maar dat heeft ernstige fraude niet kunnen tegenhouden.
Ds. J. Mudde, Nederlands gereformeerd predikant in Haarlem, vraagt in Opbouw aandacht voor het zelfreinigend vermogen van de kerk. Niet alleen van de Rooms- Katholieke Kerk, die geteisterd werd door misbruikaffaires, maar ook van de protestantse kerken.
November vorig jaar verscheen een onderzoek over het vertrouwen dat de Nederlandse bevolking in instituten heeft.
Radiozenders genieten het meeste vertrouwen: driekwart van de bevolking gelooft hen op hun woord. Ook de politie (73%), het leger (71%) en de geschreven pers (66%) worden betrouwbaar gevonden. De Tweede Kamer, de regering en politieke partijen genieten beduidend minder vertrouwen. Ongeveer 50% van de Nederlanders heeft vertrouwen in de politiek. Maar het minste vertrouwen geniet … – het is uiterst pijnlijk het te zeggen – de kerk. Iets meer dan een derde van de bevolking heeft nog vertrouwen in de kerk.
De oorzaak hiervan is de wijze waarop de kerk de afgelopen jaren in het nieuws kwam. Rooms-katholieke geestelijken bleken zich in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw in groten getale schuldig te hebben gemaakt aan seksueel misbruik van kinderen en jongeren. Leidinggevenden waren hiervan minstens ten dele op de hoogte, maar traden niet doortastend tegen de daders op. Ook protestantse kerken of voorgangers kwamen in opspraak door seksueel misbruik, financiële malversaties, of om andere redenen.
Het gevolg is dat kwetsbare mensen zijn beschadigd, de naam van Christus in diskrediet is gebracht en de kerk aan geloofwaardigheid heeft verloren.
Dit uiterst pijnlijke en beschamende feit stelt ons voor een vraag: Hoe is dat vertrouwen terug te winnen?
Uit bovengenoemde ontsporingen blijkt dat er in een kerk een ‘ons kent ons’- sfeer kan ontstaan, waardoor we in vergaande mate toegeeflijk worden tegenover elkaars overduidelijke zonden.
Met als gevolg dat we elkaar niet meer aanspreken op wat niet deugt. Blijkbaar kan de sfeer van genade waarin we dankzij Christus’ liefde leven verworden tot slapheid en halfheid. Die sfeer is de Bijbel geheel vreemd. Juist leidinggevenden worden daarin krachtig aangesproken op hetgeen in hun leven niet spoort met Gods Woord.
In de tijd na de ballingschap doen zich allerlei uiterst ernstige misstanden in Juda voor. Uit Nehemia 5:1-5 blijkt dat het ene deel van de bevolking is verarmd en dat het andere deel de crisis gebruikt heeft om zichzelf te verrijken. Nehemia, nog maar kort terug in Juda, reageert zowel zeer geprikkeld, als doordacht en doortastend: ‘Ik werd woedend toen ik hun klachten en de aangedragen feiten hoorde. Ik ging bij mezelf te rade en besloot de vooraanstaande burgers en de bestuurders ter verantwoording te roepen.’ Dat laatste doet hij publiek en de uitkomst daarvan is dat de leiders van het volk zweren de grond die zij zich toegeëigend hebben terug te geven, de schulden kwijt te schelden en de slaven vrij te laten. Dankzij het lef van Nehemia om hetgeen niet deugt aan de kaak te stellen, wordt aan het onrecht een eind gemaakt.
Dit is een doorgaande lijn in de Bijbel.
De profeet Natan spreekt koning David aan op de moord op Uria, de man van Batseba. Paulus zelf heeft eens keihard en publiek het gehuichel van Petrus en Barnabas gehekeld (Galaten 2:11-14).
En Timoteüs schrijft hij: Wie gezondigd hebben moet je in aanwezigheid van alle anderen terechtwijzen, zodat ook zij gewaarschuwd zijn. (1 Timoteüs 5:20)
Een ‘ons kent ons’-sfeer is de Bijbel geheel vreemd. Sterker, spreek elkaar aan, houd elkaar scherp, wees op een gezonde manier kritisch tegenover elkaar, dat is de sfeer.
Nu moet de gemiddelde Nederlander er niets van hebben om op zijn gedrag aangesproken te worden. Gebeurt dat toch, dan is z’n eerste reactie: ‘Bemoei je met je eigen zaken!’ Het zal mede vanwege die mentaliteit zijn dat wij er in de kerk tegenop zien om elkaar aan te scherpen. Daarbij komt dat het geheven vingertje ook ons steeds meer is gaan tegenstaan. Per slot van rekening leerde de Heiland zelf ons dat we niet mogen oordelen. Dus … tolereren we zaken die niet getolereerd mogen worden … worden kwetsbare mensen daarvan de dupe … komt de naam van Christus in opspraak … verliest de kerk recht van profetisch spreken in een samenleving die tegenspraak juist zo hard nodig heeft.
’t Is eigenlijk vreemd dat we er ook in de kerk soms zo’n moeite mee hebben elkaar aan te scherpen en aangescherpt te worden. Onze aanscherpingen zinken immers in het niet bij het evangelie zelf.
Jezus Christus moest sterven voor onze zonden, kan het scherper, pijnlijker, confronterender? En we menen het toch als we zingen: ‘Maak mij rein voor U, als gelouterd goud en zuiver zilver’? Kritiek is altijd een kans om dichter tot Christus te komen, nog meer van zijn heilige liefde in je leven te laten zien.
Daar kan geen volgeling van Jezus Christus iets tegen hebben.
Wil de kerk in Nederland weer licht der wereld en zout der aarde zijn, dan zal er sprake moeten zijn van een zelfreinigend vermogen. Dan zullen we het elkaar moeten toestaan op genadige wijze kritisch tegenover elkaar te staan. Sterker, dan zullen we het niet moeten afkeuren, maar moeten toejuichen dat een ander ons aanspreekt op wat niet goed is in ons leven, om te beginnen binnen de kring van hen die leiding geven aan de gemeente.
Zullen we dus toch maar weer op de een of andere wijze censura morum invoeren…?’
Ds. Mudde stelt een aangelegen punt aan de orde. Hoe houden we elkaar in de kerk scherp? Zijn er momenten dat we elkaar genadig (ongenadig wordt het niets) de waarheid durven zeggen? Waar zit het zelfreinigend vermogen en functioneert dat ook?
Dat begint natuurlijk bij jezelf, in de zin van het slot van Psalm 139, en het raakt aan het besef dat we voor elkaar verantwoordelijkheid dragen. Op de agenda van de kerkenraad kan dit punt helpen om na te gaan op welke wijze de grenzen in het pastoraat worden gewaarborgd en hoe de omgang met giften en de controle van de jaarrekening eigenlijk geregeld zijn. Is dat een kwestie van ‘ons kent ons’?
Collega Mudde brengt aan het slot het censura morum ter sprake. De kerkorde gebruikt deze term niet meer in ordinantie 7.4.2. al bestaat wel de mogelijkheid dat de kerkenraad een samenkomst kan beleggen ter bezinning en verzoening met het oog op een waardige viering van het heilig avondmaal. Het gaat mij niet om het verlies van de term. Ook veel gemeenten waar deze woorden nog wel trouw in het kerkblad staan, zijn er verlegen mee. Het gaat om de zaak die in het censura morum aan de orde is: dat de gemeente geroepen is een heilige gemeente te zijn. Naar binnen toe, naar buiten toe, naar God toe.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's