Speelruimte van de prediker
Triniteit en prediking [2]
Predikers die via hetzelfde soort loopjes vrijwel altijd tot eenzelfde slotsom komen, maken vaak onjuist gebruik van het dogma. Niet het dogma, maar de Schrift bepaalt de inhoud van de prediking. Maar wat is dan de verhouding tussen het dogma en de preek?
Het dogma wordt zelf niet gepreekt – althans: in de meeste gevallen niet. Ook daar moeten we geen wet van Meden en Perzen van maken, want bijvoorbeeld op de zondag na Pinksteren (zondag trinitatis) mag het gerust eens over de drie-eenheid van God gaan. En ook als zondag 8 van de Heidelbergse Catechismus aan de orde van behandeling is, is dat het geval. Dat kan zelfs bijzonder actueel zijn, als we denken aan discussies met moslims in onze omgeving. Voor hen is de triniteitsleer een enorm struikelblok, en het is dan belangrijk om gemeenteleden zó toe te rusten dat ze kunnen verwoorden waar het in het dogma van de drie-eenheid Gods wel en niet om gaat.
Maar als regel wordt het dogma niet gepreekt. Het mag zelfs slapen in de kerk, zegt dr. O. Noordmans, mits het maar wakker wordt en zich laat horen zodra het mis dreigt te gaan. En het gaat mis als de bandbreedte die met het dogma gegeven is, overschreden dreigt te worden.
Afbakening
Wie iets weet van de wijze waarop het in de Vroege Kerk tot dogmenvorming kwam, beseft dat het dogma doorgaans niet aan één bepaalde dogmatische positie de hoofdprijs wilde toekennen. Veeleer was het zo dat een scala van manieren om bijvoorbeeld over Christus of over God te spreken acceptabel werd geacht.
De dogmatiek verduidelijkt welke manieren dat zijn. Ze geeft ook aan wat nog nét over God gezegd kan worden. Maar dan is er toch ook de grens, en zijn er dingen die net niet meer over God gezegd kunnen worden. Op dat moment wordt het dogma om zo te zeggen wakker, omdat er iets gezegd wordt dat tegen de regels van het christelijk spreken over God ingaat.
Het is nodig dat het dogma op zo’n moment inderdaad gaat functioneren, omdat anders niet duidelijk is waarom het nog christelijke verkondiging zou zijn, die plaatsvindt in de ruimte van de kerk. Ziedaar de betekenis van het dogma: het bakent af wat met recht en reden als christelijk mag gelden, én wat – want dat is dan het alternatief – als sektarisch moet gelden.
Waarheidsaanspraken
Tegenwoordig wordt dit wel verwoord in de gedachte dat dogma’s vooral spreekregels zijn. Tegenover theologen die deze definitie al te strak hanteren moeten we mijns inziens staande houden dat dogma’s ook feitelijke waarheidsaanspraken zijn.
Het zijn niet alleen spreekregels zoals de grammatica van een taal allerlei regels kent die het spreken reguleren, maar die de inhoud van wat gezegd wordt verder geheel ongemoeid laten.
Het dogma van de twee naturenleer bijvoorbeeld wil wel degelijk ook aangeven hoe Jezus Christus met eerbied gezegd ‘in elkaar zit’, of minstens hoe Hij níet in elkaar zit. Zijn naturen zijn ‘ongedeeld en ongescheiden’ etc.
Maar vandaaruit reguleert het inderdaad ook ons spreken. Als het waar is dat dit en dat in ontologische zin voor Christus geldt, dan heeft dat ook gevolgen voor de manieren waarop we over Christus wel en niet moeten spreken. En als het gevolgen heeft voor ons spreken, heeft het diezelfde gevolgen ook voor ons preken.
Want ook al krijgt niet elk christelijk spreken over God een plek in de preek, die twee liggen natuurlijk wel helemaal in elkaars verlengde en staan niet op gespannen voet met elkaar. Iets soortgelijks geldt ook het dogma van de drie-eenheid.
Tweedelijnszorg
Welnu, welke spreekregels vallen er dan uit het trinitarisch dogma af te leiden die ook voor de prediking van belang zijn? In het trinitarisch dogma gaat het er om dat Vader, Zoon en Heilige Geest enerzijds onderscheiden personen zijn die anderzijds niet van elkaar te scheiden zijn, omdat ze met elkaar verbonden zijn in één wezen.
De discussies gaan er natuurlijk altijd over of je daarbij het accent legt op de eenheid of op de drieheid van de drie personen, maar die discussie laten we hier voor wat ze is.
Het gaat erom dat God gekend wordt als Vader, Zoon en Heilige Geest, en dat een prediking die geen recht doet aan de onderscheidenheid én de nauwe verbondenheid van de drie niet christelijk kan heten.
Ook de triniteitsleer is dus niet zozeer zelf voorwerp van geloof en verkondiging, maar reguleert wat christelijk gesproken wel en niet zinvol over God gezegd en geloofd kan worden.
Ze hoort net als het christologisch dogma om zo te zeggen thuis in de tweedelijnszorg, die misschien wat op afstand staat van het geleefde geloof, maar uiteindelijk niet gemist kan worden om de prediking en het (geloofs)leven gezond te houden.
Wat de triniteitsleer betekent voor de christelijke prediking kan duidelijk worden wanneer we zien naar welke opties op de spirituele markt zij de christelijke geloofsbeleving afbakent. Dat zijn er welgeteld zes. Alle zes zijn het oude, maar tot op de dag van vandaag levende opties, die dus daadwerkelijk en soms zelfs massaal voorkomen. Maar alle zes doen ze onrecht aan de nauwe verbondenheid tussen Vader, Zoon en Geest in het heilsgebeuren zoals dat in het Evangelie beschreven wordt.
De drie-eenheidsleer is dus bedoeld om de wacht te houden rond dit kostbare en unieke verhaal van het Evangelie, waarin God gekend wordt via Christus en de Geest. Dat leidt tot de volgende spreekregels.
Spreekregels
• Spreek nooit zo over de Zoon dat Hij losstaat van de Vader. Christenen kunnen zich er niet tevreden mee te stellen Jezus te zien als een historische figuur die ons allerlei belangrijke waarheden leerde en/of goede morele voorbeelden gaf.
Wie het Nieuwe Testament recht wil doen, kan in Hem onmogelijk slechts een profeet of wijsheidsleraar zien. Want Zijn enige intentie was ons in contact te brengen met Degene die Zijns inziens altijd en overal de belangrijkste persoon is, namelijk Zijn God en Vader. Daarom is er eenvoudig geen navolging van Jezus mogelijk zonder omkeer tot en gerichtheid op God.
Wie anders over Jezus denkt, heeft het niet over de Jezus van het Nieuwe Testament, de geliefde Zoon van God. Jezus navolgen kan dus nooit los van geloof in de God van Israël.
• Spreek nooit zo over de Vader dat Hij losstaat van de Zoon. Volgens het christelijk geloof kunnen we nooit op zo’n manier in contact staan met God, dat persoon en werk van Jezus er niet wezenlijk meer toe doen. Kruis en opstanding zijn nooit een achterhaald stadium dat we (zoals de Korinthiërs en andere gnostisch-beïnvloede christenen dachten) weer gewoon achter ons kunnen laten in een moment van mystieke verrukking en rechtstreekse kennis van God.
Jezus is de weg tot God, maar niet op de manier van de reiziger die de weg waarlangs hij reist, vergeet, zodra hij het doel bereikt heeft. Integendeel: ‘Men zal nooit een plek kunnen vinden in het hart van de Vader waar de gekruisigde en opgestane niet ook aanwezig is’ (Mike Higton).
Wie er anders over denkt, heeft het over een ander dan de ‘God en Vader van onze Heere Jezus Christus’ die het Nieuwe Testament ons verkondigt. God is nooit enkel gebod of enkel manifestatie van macht, maar altijd de Vader van Hem die gekomen is tot ons behoud.
• Spreek nooit zo over de Zoon dat Hij losstaat van de Geest. Het is naar christelijk besef niet mogelijk om een relatie met Christus te hebben die niet door de Geest gelegd en bemiddeld wordt. Zonder de Geest blijft Jezus voor ons ofwel opgesloten in het verleden, als een weliswaar belangrijke maar toch tamelijk mysterieuze historische figuur, ofwel op onbereikbare afstand in de hemel.
Het is slechts de Geest die de brug slaat over de weerbarstige kloof tussen het verleden met zijn wirwar aan feitelijke gebeurtenissen en het heden. Hij doet dat door te laten zien hoe allesbeslissend Jezus voor ons is.
Het is ook de Geest die Jezus vanuit de hemel in het mensenhart brengt, door dat mensenhart er innerlijk van te overtuigen dat er niemand is in hemel of op aarde die het meer bemint dan juist deze Jezus (NGB art.26).
Zonder de Geest blijft Jezus op afstand, en is Hij niet de levende Christus die vanuit het Nieuwe Testament op ons af komt.
• Spreek nooit zo over de Geest dat Hij losstaat van de Zoon. Een christen is dus vervuld met de Geest – maar die Geest doet ons nooit zózeer vallen of lachen en brengt ons nooit zózeer in hoger sferen dat we geen boodschap meer hebben aan het kruis waaraan Jezus stierf. Een geestelijk mens raakt nooit zover in hemelse sferen, dat de zelfovergave en het offer van Jezus niet langer zouden bepalen wie we zijn en wat we doen.
Want de Geest geeft vreugde en troost vanuit kruis en opstanding van Christus. Hij bewerkt dus geen feel good-geloof waarin alles draait om zelfbevestiging en positief denken. Elke vorm van spiritualiteit waarin ik God in mezelf of mezelf in God aantref zonder dat Jezus eraan te pas komt, is subchristelijk: men kan er misschien een spiritueel mens mee zijn, maar daarmee nog geen christen.
Wie op spirituele wijze aan Jezus voorbij denkt te kunnen komen, heeft het over een andere Spiritus dan de Geest van de Vader en de Zoon.
• Spreek nooit zo over de Vader dat Hij losstaat van de Geest. Christelijk in God geloven, is nooit geesteloos. Het gaat in het christendom niet om een verre, afstandelijke God, die ooit als een intelligente horlogemaker de wereld in elkaar gezet heeft, maar zich verder niet meer met haar bemoeit. In zo’n deïstische God kan men op een puur rationele manier geloven, maar men kan er nauwelijks toe bidden.
Christelijk in God geloven betekent dat we door de Geest van Christus opgenomen zijn in een relatie met de Vader. De Bijbel gebruikt daar grote woorden voor, zoals ‘opnieuw geboren’ of ‘levendgemaakt worden’ door de Geest.
De gemeenschap met de Vader kan slechts gekend worden als we erin ingeleid zijn door de Geest – of het moet een andere Vader zijn dan degene die volgens het Nieuwe Testament Zijn Geest zond.
• Spreek nooit zo over de Geest dat Hij losstaat van de Vader. Ten slotte voert de Geest nooit voorbij aan de concrete plannen en bedoelingen van God met deze harde aardse werkelijkheid. Hij brengt ons via Christus namelijk weer terug bij het hart van de Vader. Hij doet dus nooit voorbijgaan aan Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid. Hij doet ons juist met de schepping meezuchten zolang dat Koninkrijk nog niet voltooid is (Rom.8:26). Het was immers dezelfde Geest die Jezus al inspireerde tot diens verkondiging van dat Koninkrijk. Die Geest laat christenen niet toe zich terug te trekken in een sfeer van religieuze zelfbevrediging, maar rust hen toe voor een leven in getuigenis en dienstbaarheid.
Er anders over denken betekent dat je het over een ander hebt dan de Geest van het Koninkrijk van de Vader.
Coördinatenveld
Zo zet de drie-eenheidsleer om zo te zeggen het coördinatenveld af waarbinnen christelijk geloof kan gedijen. Duidelijk mag zijn dat het niet om het even is hoe wij ons God denken. Het woord ‘God’ is zeer vaag en algemeen en staat open voor de meest uiteenlopende invullingen.
Bepaald niet elke invulling is christelijk, en het is dus de vraag of je al blij moet zijn als iemand het tegenwoordig nog over God heeft.
Want daarmee is feitelijk nog niet zoveel gezegd – het kan van alles betekenen. Vandaar de noodzaak van het trinitarisch dogma.
Mogelijk vallen de meeste preken die we gehoord hebben, ruimschoots binnen de richtlijnen die ik hierboven heb weergegeven. Dat is dan natuurlijk fijn. Het laat namelijk zien hoe ruim dat veld is.
Men denkt vaak dat het dogma krap en strak is, dat het slechts één visie toelaat. Historisch gezien is dat echter niet het geval.
Het dogma bakent veeleer een ruimte af, waarin verschillende visies mogelijk zijn, maar waarbinnen men wel moet blijven. Het gaat in het dogma dus niet om één en dezelfde manier waarop de dingen altijd weer gezegd moeten worden, omdat er anders misschien iets ‘gemist’ wordt.
Het beste antwoord op de spreekwoordelijke kritiek dat iemand iets ‘gemist’ heeft in de preek is nog altijd: dat hoort u dan hopelijk in een volgende preek.
Elke preek legt immers z’n eigen accenten, afhankelijk van de accenten die gelegd worden in de tekst waarover gepreekt wordt.
Maar de spreekregels die ingegeven worden door het dogma van de drie-eenheid geven wel het domein aan waarbinnen preken zich moeten afspelen om voluit christelijk te kunnen heten en te klinken binnen de ruimte van de catholica.
En de prediker die zich er iets aan gelegen laat liggen, stuurt zijn gemeente niet het bos in met zijn private inzichten, maar leidt en bewaart haar in de ruimte van de kerk der eeuwen.
Volgende week het slot: moet er over het Oude Testament ook trinitarisch gepreekt worden?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's