De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vraag van het waarom

Bekijk het origineel

De vraag van het waarom

Sporen van geloof in hedendaagse romans [3]

4 minuten leestijd

In hedendaagse literatuur is veel te vinden waarmeer dominees en catecheten hun voordeel kunnen doen. Bijvoorbeeld in het werk van Philip Roth.

Hoe moeten we het menselijke lijden begrijpen, met het oog op de goedheid van God? Die vraag is oeroud, maar blijft actueel. In de letteren zit deze thematiek vaak in de hoek van het tragische levensbesef: je ondergaat ellende waarvoor geen enkele verklaring mogelijk is. De grondstemming is in mineur, uitzicht afwezig.
Je zou de stelling kunnen verdedigen dat de tragedie als genre niet past bij een levensvisie die zich op de Bijbel baseert. Want bijbels gezien blijft de roep om God overeind, ook waar de moeite alles lijkt te verpletteren. Dat is niet tragisch, maar getuigt van hoop. In een recente roman van de Amerikaan Philip Roth (1933) treedt deze tegenstelling tussen een bijbelse oriëntatie en een tragische berusting op een intense manier aan het licht.

Nemesis
In de roman Nemesis, verschenen in 2010, vertelt Philip Roth het aangrijpende verhaal van een jonge, veelbelovende man die ‘door zijn tijd vermalen’ werd. Het verhaal speelt zich af in 1944, in Newark en brengt de huiveringwekkende sfeer van een polio-epidemie in beeld. Bucky Cantor, de hoofdpersoon van Nemesis, is sportleraar. In de zomermaanden openbaart polio zich in de groep jongeren aan wie hij les geeft.
De situatie is ernstig én gevaarlijk, ook voor hem. Zijn vriendin, die ver weg een zomerkamp leidt, vraagt hem dringend daarheen te komen.
Hij wil eigenlijk niet, want dat zou een vlucht zijn. Toch gaat hij. Later zal hij de conclusie trekken dat juist hij het virus heeft overgebracht naar dat verre zomerkamp. Veel jongeren in het kamp raken ziek, ook hij.
Dat ruïneert zijn bestaan. Hij wordt achteraf vermalen door schuldbesef en verbittering.
Cantor is Jood en vraagt zich waarom God, die in de synagoge lof toegezongen wordt, kinderen ziek maakt. God ervaart hij als een monsterlijke macht. Tegelijk blijft hij in God geloven, maar zijn godsbeeld is uiterst negatief: hij staat met de vuist omhoog naar God en daagt Hem ter verantwoording.

Ik-verteller
De scharnier waaromheen het betoog draait, heeft te maken met de compositie van de roman. Heel lang laat Roth je in de waan dat hij rechttoe rechtaan het verhaal van Bucky Cantor vertelt. Pas op tweederde ontdek je dat er een ik-verteller is, ene Arnie Messnikoff, een jongen die zelf in 1944 getroffen is door de polio-epidemie. Hij ontvouwt in het laatste deel van het boek nadrukkelijk zijn eigen kijk op Cantor en diens verbittering. Dat heeft als effect dat je opeens te maken hebt met twee denkwerelden: die van Cantor (de opstandige, die God ter verantwoording roept) en Messnikoff. De laatste legt uit dat Cantor een domkop is, want polio is een blinde speling van het lot.

Het waarom
Arnie Mesnikoff meent dat Cantor te graag de dingen stevig in de hand hield. Hij kon niet omgaan met wat zijn krachten te buiten ging, in dit geval polio. Bovendien dacht hij in termen van schuld en verantwoordelijkheid, en dat is erg dom, vindt Mesnikoff. Cantor geeft niet alleen God de schuld, hij verwijt ook zichzelf dat hij de poliobesmetting heeft overbracht. Tegen die achtergrond zegt Mesnikoff: je moet accepteren dat het slechts een tragedie was.
Verantwoordelijken bestaan niet en er is ook geen schuld. Polio is een macabere speling van het lot, verder niks.
Maar Cantor kan zo niet denken.
Hij is inderdaad de ‘maniak van het waarom’. Hoe verwrongen zijn godsbeeld ook is, hij heeft een sterk besef van de waardigheid van het menselijk bestaan. Dood en verderf zijn niet ‘normaal’, maar vormen een schelle dissonant in het menselijke bestaan, waarvoor – dat is de verzwegen veronderstelling – zou moeten gelden: ‘Het is zeer goed.’

Tragedie
Deze verschillende interpretaties van het menselijke lijden vormen de eigenlijke gesprek binnen de roman. De vertelling zuigt je mee naar een ‘tragische’ kijk op polio: het is slechts het lot, leg je daar bij neer.
Cantor kon dat niet, hij bleef de waaromvraag stellen. Precies dat vormt zijn ondergang, zijn persoonlijke nemesis. Mesnikoff bezigt terecht het woord ‘tragedie’ voor zijn levensfilosofie. Tegenover hem staat Cantor, als een eigentijdse en bijna seculiere Job. Het tragische levensbesef zet deze Job in zijn hemd, maar de prijs is hoog: overgave aan het wrede en onmenselijke ‘lot’. Roth toont indringend een moeitevolle levenservaring, waar de Bijbel ook vanaf weet. Maar wie berust in tragedie, verliest ook de hoop.

Volgende week staat de auteur stil bij werk van Robert Anker.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 2012

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De vraag van het waarom

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 2012

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's