De zegen van het schuld belijden
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve (…). 1 Johannes 1:8 en 9
Oppervlakkig gezien lijkt het heel gemakkelijk om van de Heere vergeving van zonde en schuld te ontvangen. We hebben onze zonden slechts te belijden en God de Heere is zo getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden wil vergeven en ons van alle ongerechtigheden reinigen wil.
Waar ieder wel moet erkennen dat hij een zondaar is, om de eenvoudige reden dat elk mens zijn gebreken heeft, schijnt er niets gemakkelijker te zijn dan om deelgenoot te worden van die grote zondaarsliefde van de Heere. Toch denkt de apostel Johannes er zelf niet zo gemakkelijk over.
Hij veronderstelt tenminste in 1 Johannes 1 telkens de mogelijkheid dat er mensen zullen zijn die zeggen dat ze geen zonden hebben.
Die waren er blijkbaar in de dagen van Johannes al en die zijn er nog bij duizenden. Of liever gezegd, wij beweren allen, van nature althans, dat wij geen zonden hebben. Je kunt in de alledaagse gesprekken telkens weer opnieuw merken hoe mensen zichzelf verheerlijken. Eigen zonden worden verkleind of totaal weggepoetst. We doen hetzelfde als wat de eerste mensen hebben gedaan.
Adam schoof de schuld van zich af en wierp die op de vrouw, die God hem gegeven had. Maar Eva schoof haar weer af op de slang, die door God was gemaakt. In plaats van de zonden te belijden, trachtte men God Zelf tot auteur van de zonde te maken. Verschrikkelijk.
Hoe vaak kun je horen beweren dat de schuld van een misdrijf is te vinden in de droevige sociale toestanden. Of ze worden eenvoudig op rekening gesteld van de satan, de vorst der duisternis.
Niet gemakkelijk
Nee, het schuld belijden is nog niet zo gemakkelijk als het wel lijkt. Voor de rechtbank zien we vaak dat de bekentenis pas van de lippen vloeit als er in het scherpe kruisverhoor geen andere weg meer openstaat dan maar eenvoudig te bekennen.
Zo trekt ook het adamskind zich van nature liever terug in de uiterste verschansingen, voordat hij zal belijden met de verloren zoon: ‘Ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u en ik ben niet waard uw kind genaamd te worden, maar maak mij slechts één van de huurlingen.’
Het is alleen Gods Heilige Geest, die bij het ontdekkende licht van Gods genade de zondaar ertoe kan dringen om met de dichter te zeggen: ‘’k Zal mijn misdaan, die U tergen/ Niet verbergen. / Ik bedek voor U die niet.’
Rijkdom
Gelukkig moment in een mensenleven als het hart verbroken en verbrijzeld wordt en de zonden en ongerechtigheden worden beleden. Niet slechts de zonde in het algemeen.
Nee, onze persoonlijke schuld en zonde. Ook maar niet een enkel feit, een enkele misstap. David heeft met recht beleden dat het niet zijn misstap met Bathseba alléén was die om straf riep. Nee, hij besefte dat hij in ongerechtigheid geboren was en dat zijn moeder hem in zonden had ontvangen.
Maar dan openbaart zich de Heere in de rijkdom van Zijn vergevende zondaarsliefde. Kwam er ooit één boeteling tot Hem die door Hem werd afgewezen?
Nee, die zó kwamen, met een verbroken hart en een verslagen geest, werden nooit afgewezen. Rijken mochten leeg worden weggezonden, maar armen werden steeds door Hem met goederen vervuld.
Voor de grootste zondaar is bij Hem genade en vergeving te krijgen.
Getrouw en rechtvaardig
Met recht zegt de tekst dat de Heere getrouw en rechtvaardig is.
Op de eersten klank af zouden we misschien liever een ander woord gehoord hebben dan ‘rechtvaardig’.
Er had ook kunnen staan ‘trouw en genadig’. Op de eersten klank af kan de gedachte aan de rechtvaardigheid Gods ons geen enkele troost bieden.
Ik denk onmiddellijk aan het psalmlied: ‘Zo Gij in ’t recht wilt treden, / O Heer’, en gadeslaan / Onz’ ongerechtigheden, / Ach, wie zal dan bestaan?’
Toch is het heerlijk dat er staat geschreven ‘trouw en rechtvaardig’.
Stel je toch nooit zó voor dat genade bewijzen zou betekenen dat de Heere de zonde maar door de vingers ziet. Wie dat dacht, moet met mij mee naar Golgotha en daar Gods eniggeboren Zoon zien hangen aan een kruis. Hoor Hem uitbreken in de bange klacht over godverlatenheid.
Daar op Golgotha is het rantsoen gebracht voor velen. Daar is volkomen gerechtigheid aangebracht voor verlorenen in zichzelf. Alleen in Zijn zoen- en kruisverdienste kan en wil de Vader in de hemel de grootste schuld vergeven.
Wat een weldaad. De zonden vergeven! Geworpen in de oceaan der vergetelheid! De Heere zal ze niet meer gedenken. Zijn ook uw zonden al vergeven? Hebt u ze al in waarheid beleden? Weet dat er geen andere weg is om die vergeving te verwerven, dan de weg van ware zielsverbrijzeling.
Deze meditatie is een bewerking van de overdenking in ‘De Waarheidsvriend’ van 22 januari 1942, geschreven door ds. J.J. Timmer, destijds hervormd predikant te Harderwijk en secretaris van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond.
Volgende week opnieuw een meditatie uit één van de 100 jaargangen van ‘De Waarheidsvriend’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's