Een brandende witte kaars
Adventspoëzie [2]
In het gedicht ‘Winterstilte’ van Jacqueline van der Waals komt frequent het woord ‘wit’ voor:
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
‘Wit’ past hier goed in de fijnzinnige natuurtekening. Vanouds is wit een symbolische kleur, net als rood en blauw. Wit symboliseert maagdelijkheid en reinheid, blauw onder meer kuisheid en onschuld.
En rood is de kleur van de liefde.
In 1998 verscheen een bundel christelijke gedichten met ‘wit’ in de titel: Witte kaarsen, geschreven door Jan Groenleer. De keuze voor ‘wit’ is ongetwijfeld bewust. De zojuist genoemde symbolische betekenis – reinheid of zuiverheid – kan meespelen, maar ook de beeldspraak in de Bijbel: in het eerste hoofdstuk van Jesaja is sprake van zonden die afgewassen worden en wit zullen worden als sneeuw en wol. In een ander gedicht in de bundel, getiteld ‘Eeuwig licht van den beginne’, legt de dichter een relatie tussen het licht van een brandende witte kaars en het Licht, een heenwijzing naar Jezus als het Licht der wereld.
Kernachtige verzen
Jan Groenleer (1949) is christelijk gereformeerd predikant, momenteel in Leiden. Zijn bundel Witte kaarsen bevat gedichten die ‘cirkelen rond het geheim van het christelijk geloof’, aldus de achterflap: verwondering, verlangen en vreugde, maar ook twijfel, gemis en schuld. De verzen van Groenleer zijn gevarieerd qua vormgeving. Enerzijds gebonden gedichten – met metrum, regelmatige strofebouw en vast rijmschema –, anderzijds vrije verzen waarin deze elementen ontbreken. Maar zowel in de gebonden als in de vrije verzen toont de dichter een voorkeur voor kernachtigheid: met weinig woorden veel zeggen. Je moet als lezer zelf verbanden leggen en diepere betekenissen blootleggen. Groenleer reikt ons doordenkertjes aan. Soms bestaat een gedicht slechts uit enkele regels en een regel bevat soms maar één woord.
Een goed voorbeeld is ‘In de stal’.
laag
bij de grond
de macht van het kleine
aanvaarden
Turen
Een fraai voorbeeld van poëtische zeggingskracht is het gedicht ‘Tussen Voleinding en Advent’. De titel is direct al verrassend: we zouden eerder verwachten ‘Tussen Advent en Voleinding’. Wat het aantal regels betreft is het een lang gedicht, maar de regels zelf zijn kort tot zeer kort en bevatten soms slechts één woord. Het is een vrij vers: niet alleen ontbreken eindrijm en vaste strofebouw, maar ook hoofdletters en interpunctietekens.
nu de nachten
langer worden
kouder
banger
nu de dagen
schraler worden
de mensen
tasten
naar wat liefde is
snakken wij
naar een woord van U
een open deur
waardoor Gij binnenkomt
turen wij
naar de dag van morgen
de dag van morgen
ach wanneer
breek bij ons in
o God
die liefde zijt
en zaai in ons uw licht
Zoeken
Kernwoorden zijn ongetwijfeld de drie werkwoorden die alle het wanhopig zoeken van ons mensen aangeven: tasten-snakken-turen. Exact in het midden van het gedicht is het diepste verlangen verwoord, een verlangen naar God: snakken naar ‘een woord van U’, ‘een open deur’ naar God toe.
Onmiskenbaar is op de achtergrond Psalm 130 aanwezig, een psalm de profundis (uit de diepten), maar ook van hoop vanwege Gods goedertierenheid. In de voorlaatste strofe – ‘de dag van morgen/ ach wanneer’ – is duidelijk herkenbaar vers 3 van Psalm 130 in de berijming van 1773:
Mijn ziel vol angst en zorgen
wacht sterker op den Heer,
dan wachters op den morgen,
den morgen, ach, wanneer?
Inbreken
De eerste vijf strofen van Groenleers gedicht vormen samen één lange, knap gebouwde volzin, die een situatietekening geeft: wij mensen zoeken en tasten. Hoe kan de deur naar God opengaan?
De laatste strofe – de beginregel van een lied van Jan Wit: ‘O grote God die liefde zijt’ lijkt hierin mee te resoneren – geeft daarop het antwoord en vormt zo een prachtig sluitstuk. De eerste regel ervan heeft iets van een hamerslag: ‘breek bij ons in’. God moet in ons bestaan ‘inbreken’, Hij moet het Licht zaaien, willen we werkelijk zien.
Als dat gebeurt, gaan we ontdekken waar voor ons tastende en zwalkende mensen de redding ligt: alleen bij God, die in Jezus Christus naar deze wereld is toegekomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 2012
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 2012
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's