De losser
(…) geloofd zij de Heere, Die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven (…). Ruth 4:14
Onbegonnen werk, moet menigeen verzuchten als hij met zijn zaligheid bezig is. Hij zal er wat aan moeten doen, de tijd dringt, de nood stijgt. Maar het breekt ons bij de handen af, wij beschikken niet over de middelen.
Berooid en onbemiddeld zijn we.
Welnu, voor onbemiddelden is de Middelaar gekomen. Als wij het er bij laten zitten, omdat onze moed bezwijkt, dan is het daarom niet verloren. De Heere liet het er niet bij zitten. Hij komt met de Verlosser naar voren: Zijn eigen Zoon. Heel het verlossingswerk is in die Verlosser gegeven. Is al begrepen in Zijn geboorte. Een losser, dé Losser. Het kostte Christus Zijn leven. Wie dit Kind in de armen neemt, kijkt naar Zijn handjes en voetjes: ze worden aan het kruis gespijkerd. Opdat Hij zou verlossen, bevrijden uit de macht van zonde en dood. Hij, dat is Gods lieve kind Jezus. En toch liet de Heere het niet na; Hij had er Hem voor over. Wij waren Hem niet waard, de Losser was ons niet eens welkom. Maar ook dat verhinderde de Heere niet om Hem te zenden.
De Losser. Hij maakt onze verloren zaak tot de Zijne. Hij deed meer. Hij herstelde ons in oude rechten. Hij was de laatste Adam, de stamhouder Gods onder de mensen. Hij deed ons weer delen in de goederen van het heil, in het eeuwige leven. Deze Goël – losser – doet geen half werk.
Door Hem verlost, genieten wij een overvloed van leven en vrede. Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. Die niet heeft nagelaten...
Geven
Een Losser te geven. De nadruk valt even op dat ‘geven’. Het is genade! Naomi krijgt Obed, dank zij de genadige beschikking van God, Die het in de wet zo had geregeld dat Obed als een kind van Machlon wordt gerekend. Zij was te oud om nog kinderen, zonen, te krijgen, dat had ze haar schoondochters voorgehouden. Geen kans op een kind. Geen kans op een kostwinner, op een erfgenaam, op een Losser. Was Ruth geen kinderloze? En Sara en Rebekka?
De Heere maakt het, de hele geschiedenis door, heel duidelijk dat er niets van komen kan als het van ons moet komen. Die kans is verkeken. Wij brengen de verlossing niet aan, wij brengen de verlosser niet voort. Hij wordt door het wonder der genade gegeven. Dat spitst zich toe voor Maria: Hoe zal dit wezen. En dat onderstreept de kerk als ze belijdt: geboren uit de maagd Maria.
Zo krijgt Naomi haar losser. En zo krijgt een mens die het niet meer redt, zijn redder. Gegeven. Geboren, dat is groot. Gegeven, dat is groter. Want dan kan het, ruim en goed. Nu moeten wij er tussenuit, om rust te vinden in de genade Gods. Genade reikt ons dit Kind aan, alleen uit de hand van de genade kunnen wij het aannemen. Zijn er uitgestrekte armen? Er is een uitgestrekte hand, de hoge en goede hand des Heeren.
Vrouwenkoor
Weer zie ik Naomi zitten met Obed. Hoor, het vrouwenkoor heft een lied aan: ‘Geloofd zij de Heere, die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven.’ Dat is het heden van Zijn genade. Wat hebben wij meer nodig dan een Losser. Hij brengt alles mee. Hij maakt de genaderijke beschikking Gods van kracht. Zouden wij daarom aan Hem niet genoeg hebben?
Waar God dit Kind wegschenkt, daar kan Simeon in vrede heengaan; daar mag Hanna – stokoud is ze en ze maakte heel wat mee – haar taak vervullen: ‘En zij sprak van Hem tot allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.’
Misschien bleven nood en leed u niet bespaard, u bleef zitten met...
U bleef zitten zonder. Maar de Heere liet u niet zonder Losser zitten. En Hij, Die Zijn eigen Zoon niet spaarde, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken.
Houd moed. Ook in de ouderdom is dit Kind een reden tot vreugde.
Een Losser! Wat een rijkdom. Eén Die al mijn nooddruft vervult tot heerlijkheid. Nu leg ik dit blad even neer, daar wil ik de Heere eerst voor danken.
Meezingen
Wij mogen dan meezingen met de vrouwen van Bethlehem, met Maria, Zacharias, Simeon, zowaar met de engelen. Geloofd zij de Heere. Wie er omheen staat, wie het aangaat, zoals het Naomi aanging, die mag gewagen van de grootheid en de goedheid Gods.
Alle woorden doen mee in het vermelden van Zijn deugden. De Heere, de God des verbonds; Hij had het beloofd en heeft het bevestigd.
Hij heeft niet nagelaten. O, als Hij dat toch gedaan had, dan was er geen verwachting. Een Losser. Die had ik nodig. Te geven. U, heden. Zo worden oude woorden nieuw, en dode woorden levend.
Wie kerstfeest viert looft de Heere.
Zullen wij ons in de adventstijd vast oefenen? De grondtoon van het lied is genade. Wie het hoort, zou van een Mara een Naomi worden. Het Kind kan wat veranderen!
Deze meditatie is een enigszins bewerkt fragment van de overdenking in ‘De Waarheidsvriend’ van 17 december 1970, geschreven door ds. L. Kievit, destijds hervormd predikant te Gouda.
Volgende week voor de vierde en vooralsnog laatste keer een meditatie uit één van de 100 jaargangen van ‘De Waarheidsvriend’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 2012
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 2012
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's