Kerstpreek van John Donne
Vijfenveertig jaar lang maakte ds. M.G.L. den Boer deel uit van de redactie van In de Waagschaal. In september overleed hij in de leeftijd van 87 jaar. Het tijdschrift waarin hij jarenlang publiceerde heeft enkele artikelen van zijn hand opnieuw uitgegeven in dankbare nagedachtenis aan ds. Den Boer. Een artikel over John Donne (1572-1631), de grote Engelse dichter en prediker van de St. Paul’s kathedraal in Londen, ontbreekt daarin niet. Ds. Den Boer was geraakt door de Anglicaanse theologie van de vleeswording en bijzonder gesteld op John Donne. In onderstaande passage bespreekt hij een kerstpreek van Donne:
Voor John Donne was het niet alleen een wonder, dat het Woord vlees werd; hij achtte het ook een wonder, dat het Woord zich vermenigvuldigt in woorden en een preek kan worden. Hij verwonderde zich over beide wonderen. Die verwondering klinkt telkens door in zijn preken, ook in zijn kerstpreken.
Alle kerstpreken, die Donne als deken van de oude St. Paul’s heeft gehouden, zijn bewaard gebleven. Het zijn er acht en het hadden er tien kunnen zijn. Twee keer moest hij wegens ziekte met kerstfeest verstek laten gaan, in 1623 en in 1630. Zijn laatste kerstpreek heeft hij gehouden in 1629.
Op de kerstavond van 1624 preekte Donne over Jesaja 7:14 (“Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven”). Donne wist al, dat het Hebreeuwse woord dat in de vertaling van het NBG met “jonkvrouw” is weergegeven ook “jonge vrouw” betekent en dat jonge vrouwen niet per defi nitie maagden behoeven te zijn. Wat hij wist, vertelde hij ook zijn gemeente. Toch koos hij voor de vertaling “maagd”, omdat hij niet wijzer wilde zijn dan Mattheüs in zijn evangelie (Matth.1:23).
Aan het begin van de preek worden we getroffen door de opmerking, dat God alle gelegenheden aangrijpt om zijn genade te tonen en dat zijn goedertierenheden aan geen seizoen zijn gebonden, maar dat de genade ook een eigen, bijzondere weg gaat. Even later in de preek gaat hij daar op door en dat gedeelte is een van de mooiste passages uit Donne’s preken. “Zijn goedertierenheden zijn altijd in hun volste rijpheid. Wij vragen ‘panem quotidianum’, ons dagelijks brood, en God zegt nooit dat gij gisteren had moeten komen, Hij zegt nooit dat ge morgen maar terug moet komen, maar heden als gij zijn stem wilt horen, heden zal Hij u verhoren. Al heerst een koning van deze aarde over een zodanig uitgestrekt gebied, naar Noord en naar Zuid, dat hij winter en zomer tegelijk heeft in zijn rijk, over een zodanig uitgestrekt gebied, naar het Oosten en Westen, dat hij dag en nacht tegelijk heeft in zijn rijk, dan heeft God toch in nog veel grotere mate genade en recht tegelijk. Hij heeft licht gebracht uit duisternis, niet uit een minder licht; Hij kan zomer voor u brengen uit winter, al hebt gij geen lente gekend. Al zijt gij op het gebied van de fortuin, of van het begrip, of van het geweten, tot nu toe in het donker gebleven, tot nu toe ingevroren en toegesneeuwd, bewolkt en verduisterd, nat en verkleumd, verstikt en versuft geweest, dan komt God nu naar u toe, niet als in het krieken van de dag, niet als in het ontluiken van de lente, maar als de zon op het midden van de dag om alle schaduwen te verluchten, als de schoven in de oogsttijd, om alle gebrek te verzadigen: alle gelegenheden lokken zijn goedertierenheden uit en alle tijden zij zijn seizoenen” (all occasions invite his mercies, and all times are his seasons). Wij kunnen er wel zeker van zijn, dat het in de kersttijd van 1624 sneeuwde en dat Donne verlangde naar de lente en de zomer.
Het was Donne opgevallen dat in de Schriften niemand anders dan Christus Immanuël wordt genoemd. Wel konden velen Jezus heten, ofschoon “geen andere Jezus een Jezus was” zoals Jezus, omdat alleen deze Jezus als Immanuël het is “die zijn volk zal redden van hun zonden”. Donne erkende volmondig, dat hij de betekenis en de volheid van de naam Immanuël niet kon bevatten, ook niet met de hulp van de vele kerkvaders die hij in zijn preek ten tonele voerde. “Hoeveel ligt er besloten in deze naam Immanuël, en hoe weinig tijd is er om het te ontvouwen (…) Een minuut is voldoende om te herhalen wat de heilige Bernardus heeft gezegd, maar een dag en zelfs een heel leven is niet voldoende om deze naam te bevatten”. Hij liet het dan ook bij enige omschrijvingen, maar deze omschrijvingen zijn uiterst veelzeggend. Met de naam Immanuël wordt de weg Gods in Christus naar ons beschreven. “Immanuël is: Godmet- ons; het is niet: wij met God. God zoekt ons en komt tot ons, voordat wij tot Hem komen”. Hij is ons nabij “als de sterke God, gereed en bij machte om ons
bij te staan en te bevrijden”. En dat niet alleen. Op zijn weg naar ons, geeft Hij zich aan ons. Donne herinnerde zijn hoorders aan het woord uit de psalmen, dat God ons deel is (73:26, 119:57, 142:6). Omdat God niet karig is in zijn geven, kan er over Hem ook niet benepen worden gesproken. Er staat niet: “God heeft u uw deel gegeven, en nu moet ge niet uitzien naar meer, maar er staat: God, God zelf is uw deel, en zolang als Hij God is, heeft Hij meer te geven, en zolang als gij de zijne zijt, hebt ge meer te ontvangen”.
Wie Immanuël zegt, zegt tegelijk vleeswording des Woords. Het woord “incarnatie” vond Donne een woord dat door de kerk en de schrijvers der kerk terecht werd gebruikt. Het is een woord, dat door iedere gelovige in verwondering en verrukking moet gehoord worden, want met dat woord wordt erkend en tot uitdrukking gebracht dat het Woord voor ons vlees is geworden. Zelf bracht Donne zijn verwondering over de vleeswording in de volgende dichtregels onder woorden:
De mens naar God gemaakt, ’t verbaast mij zeer, Maar dit: dat God een mens moest worden, meer
In de naam Immanuël hoorde Donne ook, dat God er niet mee volstaat “een kamer netjes in orde te maken om het verder donker te laten; Hij ontsteekt daar lichten. Zijn eerste zorg was het, dat zijn weldaden gezien zouden worden”. Donne zei dat aan het einde van zijn preek, toen hij liet merken dat bij het wonder van de vleeswording des Woords ook behoort, het wonder van de woorden aangaande de vleeswording. Ook in de woorden aangaande het Woord wil de Heer met ons zijn en zichzelf geven. “Hij geeft zichzelf weg door mijn mond ... Hij schenkt zichzelf door mijn hand aan de communicanten aan de tafel. Tot u allen hier kan ik zeggen: De genade van onze Heer Jezus Christus zij en blijve met u allen. En tot hen allen daar kan ik zeggen: Het lichaam van onze Heer Jezus
Christus, dat voor u gegeven werd, beware u tot het eeuwige leven. Ik kan het u zo nabij brengen; maar alleen de waardige hoorder en de waardige ontvanger kan deze Heer, deze Jezus, deze Christus Immanuël, God-met-ons noemen... Zij, die dit getuigenis (dat zij hernieuwd zijn in het bloed van het Lam) hebben, in een gereinigd geweten, zijn pleegvaders voor dit kind Jezus (Godfathers to this child Jesus) en mogen Hem Immanuël, God-met-ons noemen; want, zoals geen mens God kan bedriegen, zo kan God geen mens bedriegen. God kan zelf niet in de duisternis leven, evenmin kan Hij hen, die de zijnen zijn, in de duisternis laten. Indien Hij met u is, zal Hij u doen zien, dat Hij met u is. En nooit zal Hij uit uw gezicht weggaan, totdat Hij u gebracht heeft, waar gij nooit uit zijn gezicht kunt raken”.
De preken van Donne vragen om aandachtige lezers en hoorders. Ds. Den Boer was zo iemand. In de jaren tachtig publiceerde hij een boek over John Donne onder de titel De ridder met de witte pluim. Daarin schrijft hij onder meer dat voor Donne de traditie wijder was dan alleen de gereformeerde. Hij wilde staan in de traditie van de gehele kerk en had daarom ook veel aandacht voor de kerkvaders. Verder schrijft Ds. Den Boer: ‘In de preken van Donne is een mystieke toon evenals in zijn geestelijke poëzie. In ‘bevindelijke’ kringen zouden zijn preken een warm onthaal moeten vinden, maar niet alleen daar.’ Wanneer bovenstaande preek naar meer smaakt, wijs ik nog op de eerder dit jaar verschenen bundel met preken van Donne, vertaald door dr. J.T. Bakker, In de schaduw van uw vleugelen. Ik besluit met de laatste zin van ds. Den Boer: ‘Kerstfeest met John Donne in de St. Paul’s moet een belevenis zijn geweest. Na eeuwen kunnen we er nog iets van meebeleven.’
Ds. G. van Meijeren uit Utrecht is interim-predikant in de Protestantse Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 2012
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's