Ouder worden
Ds. P. Vermaat: Het was, nee het is een mooie tijd
Het afgelopen jaar was het zogeheten jaar van de actieve oudere. Wie de zeventig gepasseerd is, nog wekelijks mag preken, voor twee dagen in de week een kleine gemeente dient, her en der lezingen houdt, kwartaaldominee in Spanje is en nog wat bescheiden bestuurstaken vervult, valt ook in 2013 binnen die categorie.
Soms zou je het willen. Zomaar even. Zoals vroeger. Thuis. In je geboortedorp. De Paddenwei in. Slootjes springen. Salamanders vangen. Vooral die met een gouden buik. Bij de smid door de ramen gluren. De geur van het paarden beslaan.
Gisteren was ik jong
Nog eens een kind te kunnen zijn
dat argeloos in het leven staat,
dat van geen ziekte weet noch pijn,
van liefde noch van haat.
En dan de zondag. De stilte in huis. De gang naar de kerk. De achterste bank. Vroeg zijn. Dan zie je iedereen binnenkomen. Vooral als er avondmaal is. Dan zat ik een poosje alleen met mijn twee zusjes. In die grote, oude bank. Dan gingen mijn ouders samen naar de tafel. Wat was het stil in de kerk. Naar de laatste tafel ging altijd Jan Hoek, de organist. Hij kwam van boven, bij het orgel. Nog hoor ik het kraken van de trap. Alsof het bij de liturgie hoorde. Hij ging ook altijd wat eerder ván tafel. Wat lijkt het kort geleden.
Daniël Schaap
Soms zou je het willen. Zomaar even. Weer op de fiets. Tweemaal per dag. Ruim een uur. Door de Maastunnel. De fietstunnel. Politie te paard groepeert de file fietsers. Later naar Dordrecht. Gymnasium Talen, stereometrie, Grieks, Latijn. Allemaal van die moeilijke vakken. Wat tussen of buiten de lesuren gebeurde, boeide meer. En dan was er die man. Af en toe kwam ik hem tegen. Daniël Schaap. Een vriend van mijn vader. Verhuisd uit Barendrecht. Via een mannenvereniging begonnen zij de evangelisatie. Zijn liefde voor de dienst van God was nog groter dan zijn lengte. Tussen de middag kwam ik hem tegen. Steevast vroeg hij wat ik wilde worden. Dan zei ik: ‘Dat weet ik niet.’ Hij: ‘Je wordt vast dominee!’ Daar dacht ik toen in de verste verte niet aan. Alleen dacht ik: dat wil hij zeker graag? Hij stierf plotseling en nog jong. Door zijn werk kon mijn vader niet naar zijn begrafenis. Het was op een zaterdag. Er waren heel veel mensen. Een dominee zei: wie veel te doen heeft, maar hard werkt, mag vroeg naar huis. Dat begreep ik toen niet. Ik zag de diep bedroefde familie. En ik dacht: die man komt nooit meer thuis.
Wat lijkt het kort geleden.
God roept
De laatste twee middelbare schooljaren zat ik op kamers. Een pastorie in Alphen aan den Rijn. Mooie jaren bij echte kinderen van God. Ik leerde over kerkmuren heen kijken. Deed belijdenis bij ds. A.J. Jorissen. Werd gekeurd voor de militaire dienst. Een onvergetelijke dag. Ik moest kiezen welk onderdeel. Ik had hoogtevrees en watervrees: dus de landmacht. Ze deelden me in bij de luchtmacht. Dat werd het niet.
Die avond riep God me tot Zijn dienst. Een vaandel met een Leeuw, maar dan die van Juda. Dat was zo duidelijk, daaraan heb ik nooit meer getwijfeld.
Studeren in Utrecht. Prachtige jaren. Theologische vakken, kerkgeschiedenis, studentenverenigingen. Ik haalde mijn hart op. Kostbaren jaren, ook in besturen. Met prof. S. van der Linde sprak ik een promotieonderzoek af. Johannes Hoornbeek. Zijn portret hangt nog steeds op mijn studeer. Nog altijd verzamel ik zijn boeken en die van zijn tijdgenoten.
Kerkenwerk
Toen kwamen Marietje en het pastorietje. Sommige keuzes zijn niet moeilijk. Vanaf de Utrechtse Dom is Ooltgensplaat niet te zien. Het was een grote overgang. Het was er goed. Mijn eerste gemeente. Preken, dopen, begraven, trouwen. ‘In je eerste gemeente leer je fietsen… en ook vallen.’ Zo verging het ook mij. Er waren kerkenraadsleden met hart voor het Woord en voor de kerk. Wat heb ik veel van hen geleerd. Tot mijn verwondering mag ik er nog altijd terugkomen. We waren samen jong en enthousiast. Catechisatie, jeugdwerk, ouderenmiddagen, Dabarwerk. Consulentschappen. We kwamen tijd en handen tekort. Vooral privétijd, huwelijkstijd en gezinstijd.
Toen kwam Vlaardingen, uit zes andere beroepen. Het minst aantrekkelijk, we waren te jong. Maar we mochten niet bedanken. Gesprekken met ds. G. Boer namen de vrees weg. Hij zou me bevestigen met Jeremia 1:7 en 8. Het werden roerige maar ook prachtige jaren. Het was de tijd van polarisatie. Niet het harmonie- maar het conflictmodel. Binnen de kerk moest de orthodoxie haar plaats bevechten. Het was niet allemaal heilig vuur op het altaar. Toch waren het zegenrijke jaren, ook privé. De liefde voor Israël ontstond. Soms denk je achteraf: hoe konden we het allemaal doen? Catechisaties, kringen, trouwen, begraven. Mooie tropenjaren. Israëlreizen, het werk voor de hogeschool in Ede en voor de EO. Dat gaf ontspanning, verbreding en verdieping.
Tropenjaren
Veenendaal volgde. Gelijkgezinde collega’s, wat een verschil. Ds. A. Vroegindeweij bevestigde me. Wat had ik veel respect voor zijn inzet in kerk en maatschappij. Helaas stierf hij plotseling. Met zes collega’s verdeelden we zijn taken. Eerste predikant in een nieuwbouwwijk. Wekelijks elf uur catechisatie, één of twee kringen, vergaderen.
Ook nog een paar jaar synodelid en besturen. Wekelijks nieuwe preken, voor jong en ouder. Werd je dan nooit moe?
Maassluis kwam. Er zijn beroepen waar je geen ‘neen’ tegen durft zeggen. We hadden het zo goed in Veenendaal, ook de kinderen. Toch ‘moesten’ we. Het werden opnieuw mooie jaren. De polarisatie was nog niet voorbij. Voor een volwaardige plaats binnen de kerk moest gevochten worden. ’s Zondags en door de weeks. De mooie kerk, het prachtige orgel, maar vooral de mensen. Nog niet de tijd van kerkverlaters maar van kerkvinders.
Wat hebben we door de genade van God veel mooie dingen van Zijn Koninkrijk mogen zien. ‘Druk op de melk brengt boter voort.’
(Spr.30:33) Het was zoals in Vlaardingen. In Veenendaal was en is het kerkelijk leven zo vaak de verwondering voorbij. In het Westen kennen mensen het nog.
Aan zee
Scheveningen kwam. Opnieuw een ‘bedreigde’ bondsplaats. Wonen in Den Haag, werken in Scheveningen. Een bonte afwisseling, toch bijzondere jaren. ‘Wandelen aan zee’, op veel manieren. We leerden opnieuw fijne mensen kennen.
Toch is ook daar niet alles goud wat er blinkt. Ook al is er Mooi Tooi. De ernstige ziekte van ‘Marietje’ zorgde voor een abrupt einde. Tussen de bestralingen en de chemokuren door toerde ik tussen Veenendaal en Scheveningen. Bij elke rit met acht volle dozen boeken en weer leeg terug. Het afscheid was met veel verschillende gevoelens.
Nieuwe fase
Gas terug nemen of blijven multitasken? Een nieuwe levensfase kwam. Tijd voor meer studeren (en schrijven), in allerlei gemeenten voorgaan, terugtreden uit besturen, af en toe gewoon gemeentelid zijn. Er kwamen nieuwe taken.
Zendingsdiaconessenwerk in Amerongen. Bijstand in Arnhem, kwartaaldominee in Spanje, nog een paar bestuurstaken, lezingen her en der.
Hoe lang kan het nog allemaal? Zou je niet meer tijd voor samen moeten nemen? Genieten van je volwassen kinderen? Vaker vreugdevol oppasoma en -opa zijn? Maar als God je riep om Zijn vaandel te dragen? Als Hij je nu nog gezondheid en gelegenheid geeft?
Jeukende handen
Soms jeuken je handen. Je zou het willen zeggen tegen de jonge collega’s van nu. Wat was het goed toen: wekelijks jongeren en ouderen ontmoeten. Met hen in de branding van de tijd staan. Samen ontdekken hoe het profetische Woord van God spreekt over déze tijd. Israël, het milieu, de vluchtige media, het blijvende Woord. Soms heb je met hen te doen. Wat lopen gemeenteleden tegenwoordig makkelijk van de ene herder naar de andere. Van de ene naar de andere kudde. Maar zwervende schapen blijven toch meestal mager?
Over willen doen
Het was, nee ook het is, een mooie tijd. Wat is er veel dat je nog eens over zou willen doen.
Wat waren er veel mensen als bloemen op je levenspad. Er waren zes verschillende studeerkamers, elke met eigen herinneringen. Moeilijke gesprekken, mooie gesprekken, weldadige studie-uren. Geen studiepunten, maar veel zegen, al vóór de zondag. De studeer was mijn keuken. Bidden en werken. Wekelijks de spanning: wordt het krachtvoer of meer ‘slappe kost’? Veel lijkt gisteren. Wat gaat het snel. Psalm 90 heeft het over ‘onze jaren’. Ze gaan als een gedachte (letterlijk: een zucht) voorbij. Wat was het mooi, nee, wat is het mooi. Ook al ging het snel.
Nog eens een kind te kunnen zijn
dat argeloos in het leven staat,
dat van geen ziekte weet noch pijn,
van liefde noch van haat.
Ik kan de weg terug niet gaan,
de tijd is voor verlangens blind.
Maar bij de oorsprong van ’t bestaan
wacht God mij op en zegt: MIJN KIND.
Ds. P. Vermaat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's