Vragen rond de doop
Alles met orde
In één week tijds kreeg ik twee vragen in verband met de doop. Ze zijn heel verschillend maar hebben toch iets gemeenschappelijks.
De eerste luidde kort en krachtig: ‘Ik ben vader geworden van een prachtige dochter. Echter, de doop is mij geweigerd door de kerkenraad omdat ik ongehuwd samenwoon. Kunt u mij hierbij helpen?’ De volgende dag ontving ik een vraag van een predikant: ‘Wij zijn bezig het beleidsplan aan te passen. De kerkenraad meent dat er regels gesteld mogen worden voor de toelating tot de doop: een van beiden moet belijdend lidmaat zijn. Mag je als kerkenraad zulke voorwaarden stellen?’
Hervormd en gereformeerd
Vroeger bestond er een scherpe tegenstelling tussen hervormd en gereformeerd als het erom ging wie de doopvragen mochten beantwoorden. De gereformeerden waren orthodox en streng: daar mochten alleen belijdende leden hun kind laten dopen; hervormden waren pastoraal en soepel, ze doopten alles wat in het doophuis kwam (althans, naar een woord van prof. dr. A.Th. van Deursen, ‘het scheelde wel bijzonder weinig’).
Over ongedoopte ouders die hun kind willen laten dopen, heeft de kerk zich bij mijn weten nooit officieel uitgesproken. In het hervormde Pastoraal Advies inzake de Heilige Doop (1960) komt het niet ter sprake. Van oudsher kwamen ongedoopte ouders niet zoveel voor. Uitvoerig komt in het Pastoraal Advies wel aan de orde hoe te handelen als een niet-meelevend gezin de doop van een kind begeert.
Fusie
Toen de kerken zich verenigden, moest een weg gevonden worden voor de verschillende dooppraktijk. Voor gemeenschappelijke kerkdiensten geldt dat ‘de betrokken kerkenraden tevoren overeenstemming bereiken over het al dan niet beantwoorden van de doopvragen door doopleden’ (GR federatie, art.2-2). Waar in gemeenten van fusie of federatie geen sprake is, is de bestaande praktijk ongewijzigd.Bij wijziging van het beleid moet de gemeente worden geraadpleegd. ‘De kerkenraad bepaalt of doopvragen door doopleden mogen worden beantwoord. De kerkenraad neemt een besluit tot wijziging van het beleid ter zake niet dan na de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord te hebben’ (ord.6-2-4).
Deze bepaling is vooral opgenomen voor gereformeerde kerkenraden die tot een versoepeling van het beleid willen komen. Dat doopouders nog geen belijdenis van het geloof hebben afgelegd komt daar ook steeds vaker voor.
Voorwaarden
Kan het beleid ook in de andere richting worden gewijzigd door striktere bepalingen voor de toelating tot de doop? Kerkordelijk is het mogelijk (ord.4-8-7) te bepalen dat het voortaan aan doopleden verboden is de doopvragen te beantwoorden. Zoiets wordt soms overwogen vanuit het besef van verantwoordelijkheid om de doop heilig te houden. Men wil voorkomen dat gemeenteleden op lichtvaardige gronden de doop van hun kind verlangen. Kerkenraden krijgen er steeds meer moeite mee kinderen van nauwelijks-meelevenden te dopen.
Toch wil ik krachtig ontraden deze weg op te gaan. Het Pastoraal Advies zegt: ‘Enerzijds is het onverantwoord alles maar te dopen wat zich aanbiedt. Anderzijds moet in onze dooppraktijk iets zichtbaar worden van de royaliteit van Gods bemoeienis met de wereld en van de stijl van Gods Koninkrijk. Tussen deze twee uitersten moet het pastoraat zich bewegen om van geval tot geval een verantwoorde weg te zoeken.’ Ik zet een dikke streep onder de woorden ‘pastoraat’ en ‘van geval tot geval’. Ik vind het een verkeerde ontwikkeling het pastoraat te formaliseren en vast te leggen in protocollen. Dat geeft schijnbare duidelijkheid, maar in feite wordt pastorale wijsheid ingeruild voor een bureaucratisch systeem. Men hoeft dan alleen maar af te vinken of iemand aan de vastgestelde criteria voldoet, maar de wezenlijk vragen blijven buiten beeld. Dan geeft de doorslag: ‘bent u getrouwd voor de burgerlijke stand’ en niet: ‘verlangt u er oprecht naar dat uw kind in het genadeverbond wordt opgenomen en dat het zal opgroeien in de genade van Christus?’ Ik moet er trouwens aan herinneren dat het weigeren van de doop niet als een tuchtmaatregel mag worden gehanteerd.Vroeger zagen we al de schaduwzijde van strikte regelingen: gereformeerden deden belijdenis om hun kind gedoopt te krijgen, hervormden kwamen zes zondagen in de kerk om een weigering te ontlopen.
Het is niet wijs om toelating tot de doop aan dergelijke voorwaarden te binden. Er is maar één begaanbare weg: met de ouders een pastoraal traject aangaan en daarin – samen met de ouders – een pastoraal verantwoorde weg te vinden.
Ds. P. van den Heuvel is hervormd emeritus predikant te Bunnik.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's