Brief aan mijn kleinkind
Het gesprek tussen de generaties is op dit moment in de mode maar daarmee is het natuurlijk niet zonder betekenis. Generatieleren heeft oude papieren en in de Bijbel moeten Gods grote daden niet alleen aan de kinderen maar ook aan kindskinderen worden doorverteld. Het tijdschrift Wapenveld nodigde in een nieuwe serie emeritus hoogleraar dogmatiek en ethiek H.W. (Hans) de Knijff (1931) uit om een brief te schrijven aan zijn kleinkind. Het is een uitvoerige brief geworden, waarin De Knijff vanuit het perspectief van de leefruimte een tijdsbeeld schetst.
Jij kleinkind, ik grootouder: die woorden omvatten al dadelijk drie generaties! Is dat lang? Noordmans heeft eens gezegd: “Christus is vlak bij ons om de hoek geboren”. Tweeduizend jaar geschiedenis, dat is in feite heel kort: zet alle generaties op een rij en men komt met een zestigtal personen uit om de ganse historie vanaf het jaar één te vertellen! En als grootouders het direct aan hun kleinkinderen vertellen, dan komt men zelfs op een veertigtal. Dat er desondanks telkens heel veel verandert, blijkt wel uit de moeite die ouderen veelal hebben om hun eigen tijd te begrijpen. Zij verlangen naar ‘de goeie oude tijd’! In feite verandert er in het algemeen heel veel en heel snel en dat ook binnen één generatie. (…)
Om de aard van de veranderingen te schetsen, ga ik uit van de behuizing, de leefruimte. Die was in het verleden een huis met vier muren en kleine vensters, terwijl de mens van vandaag veel meer ‘buiten’ leeft, in de ‘publieke ruimte’. Het gaat dus over het wegvallen van muren die het leven omsloten hielden en over het opengaan van ‘de wereld’ vanaf ongeveer 1900.
In welke wereld groeiden mijn grootouders op? Alles begint en eindigt hier in het gezin, rijk of arm. Maar de openbareruimte begint te veranderen. Mijn in 1854 geboren grootvader zal de trekschuit nog wel gezien hebben. Maar hij zag ook het spoorwegnet ontstaan en maakte er tegen het eind van zijn leven druk gebruik van. Het treinreizen moet in het begin een tamelijk ingewikkelde onderneming geweest zijn; er bestond zelfs nog niet eens een uniforme klokketijd!
Hij groeide op in een wereld vol armoede, een gesloten klassenmaatschappij met weinig voorzieningen, grote materiële verloedering en een primitieve gezondheidszorg. Onderwijs was vaak beperkt: mijn vader leerde zijn schoonmoeder op volwassen leeftijd lezen en schrijven!
Toen mijn ouders in de crisisjaren van Amsterdam naar Enschede verhuisden, moesten zij hun ouders wel meenemen en zij huurden een winkeltje (‘het smulhoes’) en mijn grootouders konden zich daarmee met een fl. 25 in de week in leven houden. Men moest alles zelf doen en was sterk op elkaar aangewezen. (…)
Kortom, de generatie van mijn grootouders leefde in een gesloten en kleine wereld, letterlijk en geestelijk. De beslissende leefeenheid was het gezin met de familie eromheen. De kerkgang was vaak de enige doorbreking daarvan, maar bracht de mensen daarbuiten niet samen: er was nog nauwelijks enige maatschappelijke of levensbeschouwelijke organisatie. Deze begint tegen het einde van de negentiende eeuw op gang te komen: jeugdbonden, verenigingen, partijen, vakverenigingen, enzovoort
Zij zijn karakteristiek voor de volgende periode. Zij kenmerken ook de tijd waarin ik zelf ben opgegroeid.
De twintigste eeuw laat tot na het midden een uitbouw zien van de publieke ruimte: de ramen en de deuren van het gesloten huis gaan open, maar hebben nog steeds het gezin als voorwaarde en uitgangspunt. Dat geldt binnen en buiten de kerk, evenzeer voor de christen als de socialist. Er ontstaat dus een overgangsruimte tussen woonplek en wereld, waarin de deelname aan die wereld vorm begint te krijgen. In ons beeld zou men kunnen zeggen: de scheidsmuren vallen weg, er ontstaat een participatie aan het leven ‘buiten’. En ‘de wereld’ komt binnen. Wat betekende dat voor de kerk? Het einde van de Tweede Wereldoorlog bracht het inzicht dat de nood van de mens en zijn isolement tot dan toe weinig waren gezien en dat leidde tot een sterke wil tot verandering en maatschappelijk engagement. Dit streven bracht vooral de oude Hervormde ‘volkskerk’ sterk in beweging. (…)
Uitvoerig beschrijft De Knijff de ontwikkelingen die hij na de oorlog zelf bewust meemaakte in de Hervormde Kerk en de PvdA en de aard en omvang van de secularisatie die lange tijd onderschat bleef. Maar hij wil zijn kleinkind ook iets meegeven voor de toekomst, levend in de informatiemaatschappij.
Hoe zal jij, mijn kleinkind, hier jouw weg vinden, hoe een zelfstandig geestelijk leven opbouwen? Wij hebben steeds gesproken over ‘de ruimte’ waarin de levenservaring gestalte krijgt. Tegenover die van mijn grootouders (uiterst klein, en statisch van aard) en die van mijn ouders (groot en vol uitdagingen) ontwikkelt zich de moderne ruimte als een functioneel absoluut neutraal communicatiemiddel, waar alle inhouden kortstondig en fluctuerend van aard zijn. (…)
De moderne mens is ‘overal en nergens’. Hij verkeert in een grote ongearticuleerde
ruimte en zijn plek is onzeker en onbestemd geworden. Dat heeft hem het voordeel opgeleverd, een grote wereld aan interesses en ervaringen op te kunnen bouwen (reizen, hobby’s, cultuur, ontmoetingen, vriendschappen, enz.). Zijn probleem is echter dat hij daarbij weinig communaal gericht is, zodat de opbouw van de maatschappij niet aan de orde komt. Hij is van mening dat er tegenover de wereld van het geld, de economie en de techniek niet veel valt te veranderen, zij zijn eigenwettelijk. (…)
Wat zou ik zo gezien als wenselijkheden voor de toekomst willen formuleren die jou kunnen helpen bij het vinden van de weg van het geloof ? De kerk zou er goed aan doen minder nadruk te leggen op de popularisering van haar boodschap. Alsof wij zomaar zouden weten wat die boodschap vandaag inhoudt! Karl Barth zegt ergens dat het voor de kerk helemaal niet zo vanzelfsprekend is, centraal te staan in het volksleven; het spreken van de rand af (‘marginaal’!) kan zeer wel voor de maatschappij van grote betekenis zijn. Zij zal zich daarbij moeten toeleggen op de inhoud van haar boodschap en haar belijden. Maar hoe zal zij dat organiseren? De oude vormingskaders (gezin en vereniging) zijn immers grotendeels weggevallen. Zij zal met wat daarvan over is aan verenigings-, groepsen studentenwerk uiterst zorgvuldig moeten omgaan.
En de kerk moet leiding geven. Er zijn pogingen (zoals, nog bescheiden, ‘De hartslag van het leven’), om alle gemeenten met de grote vragen te confronteren. Moeten deze pogingen niet worden uitgebouwd tot een deelname van ieder gemeentelid, om te komen tot een gemeenschappelijke bezinning? Zou de kerk dus niet opnieuw een gezamenlijk proces van vorming en toerusting moeten organiseren? Wij hebben niet meer de middelen van de jaren vijftig. Maar het ‘antwoord aan de machten’ (A.W. Kist) blijft de grote uitdaging. En als de ernst van die vraag wordt beseft, dan zal het lidmaatschap van de Protestantse Kerk in Nederland een ander aanzien krijgen.
Dr. De Knijff doet vervolgens een pleidooi tot activering van kerkleden als het gaat om de inhoud van het geloof en de bezinning op de maatschappelijke vragen. Daarin klinken echo’s door uit de naoorlogse periode maar misschien ook wel de hedendaagse nadruk in de kerk op discipelschap en karaktervorming.
Waarom zijn er nauwelijks grotere diaconale initiatieven tot dienst aan de samenleving (ik denk aan werkvormen als buurtzorg, jeugd- en verslaafdenzorg, burenhulp en dergelijke)? Daar is het Leger des Heils goed in en een scheut daarvan zou de kerk meer naam geven dan alle paasen kerstnachtevenementen bij elkaar. (…)
Jij, mijn kleinkind, zal leven in een wereld waarin de inzet voor een humaan mensenbestaan misschien heimelijk wordt bewonderd, maar waarin de mogelijkheden beperkt zijn om daaraan vorm te geven. Zul je in staat zijn om alle moderne opwinding aan je laars te lappen en toch als modern mens met ‘beslistheid’ getuigenis te geven van het volle leven, dat het Evangelie predikt?
Het kleinkind van De Knijff moet misschien wel haar best doen om opa te volgen, maar ze heeft dan wel heel wat stof om over na te denken. Zo’n brief aan een kleinkind is een eenvoudig en krachtig middel om scherp te krijgen wat waard is om mee te geven. Al geldt ook zonder kleinkinderen dat ‘wie anderen in zijn vruchten laat delen, een inspiratiebron kan worden voor velen’ (Jantine Nierop). Het kleinkind van De Knijff moet misschien wel haar best doen om opa te volgen, maar ze heeft dan wel heel wat stof om over na te denken. Zo’n brief aan een kleinkind is een eenvoudig en krachtig middel om scherp te krijgen wat waard is om mee te geven. Al geldt ook zonder kleinkinderen dat ‘wie anderen in zijn vruchten laat delen, een inspiratiebron kan worden voor velen’ (Jantine Nierop).
Ds. G. van Meijeren uit Utrecht is interim-predikant in de Protestantse Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's