Verlangen naar de Geest
(…) neem Uw Heilige Geest niet van mij weg. Psalm 51:13b
Gods kinderen zondigen niet goedkoop. Dat heeft ook David ervaren. Hij beseft dat verstoting uit Gods gemeenschap het ergste is wat hem kan overkomen. Daarom bidt hij in Psalm 51 om een radicale aanpak van de zonde.
David schreef deze Psalm tegen de achtergrond van een donkere episode uit zijn leven. De Schrift noemt hem een man naar Gods hart (1 Sam. 13:14). Toch heeft hij de overspelige relatie met Batseba en de slinkse moord op Uria op zijn geweten.
Het profetische woord – ‘ú bent die man!’ – dwingt hem uiteindelijk voor God op de knieën. In zijn boetegebed daalt hij af tot de diepe bron van zijn falen: hij is in ongerechtigheid geboren, in zonde ontvangen.
Vernieuwing
Hij zegt dat niet om zich vrij te pleiten, maar om een diepere verlossing van de zonde af te smeken. David is er zich van bewust dat er van hem geen verbetering te verwachten is als er in zijn hart niet iets ingrijpend verandert. Het wegnemen van de schuld zonder ingreep in het hart is enkel dweilen met de kraan open. Het hart is immers het centrum van het mensenleven waar de beslissingen worden genomen.
David heeft niet alleen vergeving nodig, maar ook de tweelinggenade (Calvijn) van innerlijke vernieuwing. Hij bidt dat God hem een rein hart schept. Het woord ‘scheppen’ heeft in de Bijbel altijd God als onderwerp. Het gaat steeds om handelingen waarvoor de krachtige Geest van God nodig is. Bij David zal er alleen sprake zijn van een standvastige geest (v.13), een geest van vrijmoedigheid (v.14) en een gebroken geest (v.19), wanneer God Zijn Heilige Geest niet terugtrekt.
Koning
Terecht is opgemerkt dat David hier als koning bidt. Als gezalfde koning heeft hij de Geest van God ontvangen om zijn koninklijk ambt te kunnen uitoefenen.
Ongetwijfeld heeft David gedacht aan wat er met zijn voorganger Saul was gebeurd. Zonder Gods Geest kan het koningschap niet zegenrijk functioneren. Een reden om ook voor onze koning Willem-Alexander aanhoudend te bidden om de genade van de Heilige Geest.
Toch bidt David dit gebed ook als kind van God. Daarom heeft het voor iedere gelovige actualiteit.
De zonde bedroeft de Heilige Geest. Het is niet voor niets dat de Geest in deze Psalm de Heilige Geest wordt genoemd.
Terugtocht
Het is tekenend voor de trouw van de Geest dat David niet hoeft te bidden: ‘Geef Uw Heilige Geest aan mij terug’, maar: ‘Neem Uw Heilige Geest niet van mij weg’. Ondanks zijn zware zonde verkeert hij nog voor Gods aangezicht en is de Geest nog niet van hem geweken. Maar de Heilige Geest is in het hart van Gods kinderen geen vanzelfsprekend bezit. Volharden in zonde veroorzaakt een terugtocht van de Heilige Geest.
Je kunt met een beroep op de gereformeerde belijdenis zeggen dat het verlies van Gods Geest onmogelijk is (HC, zondag 20). Maar David is daar op dit moment niet van overtuigd.
Vanuit het Nieuwe Testament weten we dat het mogelijk is de Heilige Geest te bedroeven. Juist omdat de Geest zo’n kostbaar geschenk is, de trouwring van onze hemelse Bruidegom, moeten we zeer voorzichtig met Hem omgaan.
De Heilige Geest is uit op onze heiliging, hervorming naar het beeld van Christus, geloofsgroei.
Hij wordt bedroefd wanneer Zijn heiligend werk verhinderd wordt door ongehoorzaamheid of slordigheid in de omgang met het Woord en in het gebedsleven. De almachtige Geest is zeer kwetsbaar en gevoelig. Hij deinst terug voor de zonde.
Trouw
Dat neemt niet weg dat de Geest ook uitermate trouw is. Anders was Hij allang uit Davids leven vertrokken, én uit ons leven. Maar Gods kind zondigt niet ongestraft. De Geest is weliswaar nog niet geweken, de vreugde van het heil wel.
In feite is dat bittere feit op zich al een blijk van Gods trouw. Er is sprake van een wederkerigheid.
Wanneer wij de Heilige Geest bedroeven, bedroeft Hij op Zijn beurt ons. Om ons terecht te brengen! Hij maakt dat we geen rust vinden in de zonde en dat we weer verlangen naar een nieuwe doorwerking van Zijn kracht in ons leven.
De trouw van de Geest blijkt juist uit het feit dat dit gebed gebeden wordt. Het is een gebed van de Geest om de Geest. En de Geest rust niet totdat Davids gebed werkelijkheid wordt, ook de bede van vers 17, waar het werk van de Geest altijd op uitloopt: ‘Heere, open mijn lippen; dan zal mijn mond Uw lof verkondigen.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's