Diaconaal delen
Kerk toont allereerst zorg voor geloofsgenoten
Diaconaat is geen algemeen goed doen in de wereld. Het heeft allereerst een plaats binnen het heilig gezin van de christelijke kerk en van daaruit naar buiten.
Het formulier voor de bevestiging van de ambtsdragers omschrijft de taak van de diaken als de ‘dienst der barmhartigheid’. Dat wordt uitgewerkt in twee richtingen.
Diakenen moeten trouw en zorgvuldig gaven voor de armen inzamelen en bewaren en zich daarbij inspannen om genoeg middelen binnen te krijgen. Vervolgens is het hun taak om de gaven oplettend en zorgvuldig uit te delen, zodat het terecht komt waar het nodig is. Over dit laatste aspect is meer te zeggen. Waar zijn de gaven nodig?
Levenshouding
De Bijbel lijkt op dit punt een zeker onderscheid aan te brengen tussen de nood binnen de christelijk gemeente en de nood daarbuiten. Als vanzelf denken we dan aan de aanwijzing van de apostel Paulus: ‘Laten wij dus, terwijl wij gelegenheid hebben, goeddoen aan allen, maar vooral de huisgenoten van het geloof.’ Deze tekst is wel gebruikt om mensen aan te sporen hun inkopen te doen bij een middenstander van de eigen kerk. Een gereformeerde christen moest bij een gereformeerde bakker zijn brood kopen, een hervormde christen zijn vlees bij een hervormde slager en een roomskatholiek christen zijn groente bij een katholieke groenteboer. Vandaag leeft dat gevoel niet meer zo.
Wat blijft staan is wel dat Paulus een onderscheid lijkt te maken tussen hulp aan christenen en hulp daarbuiten.
Nu is duidelijk dat Paulus het hier niet speciaal heeft over de diakenen. Het gaat hem om de goede werken van iedere christen. Maar zijn uitspraak geeft wel een levenshouding aan die kenmerkend zal hebben te zijn voor de gemeente in haar optreden en gaat dus zeker ook het werk van de diakenen aan.
Opzoekende liefde
Wat bedoelt Paulus met zijn oproep? Ze betekent in ieder geval niet dat de hulp helemaal beperkt dient te zijn tot alleen de christenen, omdat de wereld buiten de kerk vervreemd van God leeft en daarom geen liefdezorg aan de mensen buiten de kerk betoond zou moeten worden. Nee, de apostel schrijft als eerste: ‘Laten wij goeddoen aan allen.’ De liefde wil ook goeddoen aan hen die (nog) los van God leven. De goede werken willen ook hen opzoeken die nog niet door het doopwater zijn gestempeld tot eigendom van Christus, of zij nu geen godsdienst hebben of een andere godsdienst aanhangen. In de dagen van Paulus betrof het dan veelal de aanhangers van de heidense religies, die Diana of Zeus en vele andere goden met offers eerden. Paulus zegt: ‘Laten wij goeddoen aan allen.’ Dat is het uitgangspunt.
De opzoekende liefde van God zit daarachter. Hij heeft de wereld zo liefgehad dat Hij Zijn Zoon voor haar overgaf. Hij laat het zaad van het evangelie zo breed uitstrooien, dat het ook op plaatsen terechtkomt waar het wordt weggepikt door de vogels of geen wortel kan schieten vanwege de steenachtige ondergrond. God deelt ruim uit. Hij is geen karige God.
Vanuit Hem schept het evangelie christenen die onbevangen en ruimhartig wel doen aan allen. Zo zien we Paulus bidden en optreden voor de heidense bemanning van een koopvaardijschip (Hand. 27). Ook zien we hem genezing zoeken en geven aan de vader van de heidense bewindvoerder van het eiland Malta (Hand.28).
Vooral
Deze brede liefdezorg heeft zich in de Vroege Kerk voortgezet.
Christenen stonden erom bekend dat ze in hun zorg voor zieken en het uitdelen van voedsel ook mensen buiten de gemeente opzochten.
Toch maakt Paulus dan binnen die ene brede zorg wel onderscheid: het goeddoen moet ‘vooral’ gebeuren aan de huisgenoten van het geloof. Die huisgenoten van het geloof verwijzen naar de christenen, zowel die afkomstig zijn uit de Joden als uit de heidenen. In Christus zijn ze samen huisgenoten van het geloof geworden. In Christus is het huis van God ontstaan, de christelijke gemeente. En allen die bij Christus gaan horen, zijn van elkaar huisgenoten. Het goeddoen moet zich eerst richten op deze huisgenoten. Met ‘vooral’ wijst Paulus erop dat je als gemeente eerst moet zorgen dat de huisgenoten van het geloof geholpen zijn.
Daarna heeft de gemeente zich te richten op ‘allen’.
Telescopische naastenliefde
Dit lijkt erop te wijzen dat christelijk dienstbetoon zich eerst richt op de nood binnen de christelijke gemeente en vervolgens de breedte erbuiten opzoekt. Soms is dit punt wel wat schamper benaderd: als twee mensen in het water liggen, vraag je toch niet wie kerkelijk is, om deze dan vervolgens als eerste uit het water te halen? Toch zit er achter deze regel van Paulus een belangrijk punt van het geloof.
Het woordje huisgenoten geeft daarvoor al de aanzet. Dat doet denken aan een gezin, waarin één kind chronisch ziek is en een ander zijn werk kwijt is geraakt. De vader besteedt vanuit edele motieven veel geld en zorg aan enkele mensen die een straat verderop wonen, maar zijn twee eigen kinderen en hun nood verwaarloost hij. Vrijwel iedereen zal hem vooral verwijten dat hij zijn eigen kinderen verwaarloost en hem minder prijzen dat hij voor de mensen verderop zorg draagt. Wat is je zorg waard wanneer je je eigen gezin verwaarloost?
De Engelse schrijver Charles Dickens heeft dat in één van zijn boeken een ‘telescopische naastenliefde’ genoemd. Hij schildert de situatie van een vrouw die op haar tafel een landkaart van Afrika heeft en dagelijks bezig is met de zorg voor een onbekende arme stam in dat werelddeel. Maar ondertussen lopen haar eigen kinderen er onverzorgd bij, mislukt de opvoeding en heerst er wanorde en chaos in huis. Telescopische naastenliefde: goeddoen verder weg en het eigen gezin over het hoofd zien.
Gemeenschap
Paulus wijst in Galaten 6 deze telescopische naastenliefde af als het gaat om de christelijke gemeente. Daarmee geeft hij aan dat de band van het geloof zo sterk is, dat het christenen aan elkaar verbindt als tot een gezin.
Feitelijk ligt achter Paulus’ oproep dus de band van de gemeenschap der heiligen. Die band gaat zelfs de bloedband te boven. Zij schept Gods ene, heilige gezin. Wereldwijd. Vanuit die heilige band is de christelijke kerk geroepen de zorg binnen haar huisgezin bovenal in het oog te hebben.
Niet om anderen te verwaarlozen, maar omdat het eigen gezin de eerste roeping is.
Een mooi voorbeeld is de collecte die Paulus voor de christenen in Jeruzalem organiseert. Hij noemt hen de ‘heiligen te Jeruzalem’.
Heiligen is in het Nieuwe Testament de naam voor hen die tot geloof in de Heere Jezus zijn gekomen. Het geloof blijkt wereldwijd een band te leggen waardoor christenen in Griekenland verbonden zijn met de christenen in Jeruzalem en deze steunen.
Vervolgde christenen
Dit zal het werk van de diaconie ook willen stempelen, om in de uitdeling sterk te werken vanuit de kerk en via de kerk. Diaconaat is geen algemeen goed doen in de wereld. Het is geplaatst binnen het heilig gezin van de christelijke kerk en van daaruit naar buiten.
Praktisch uitgewerkt betekent dit dat bijvoorbeeld de vervolgde en lijdende christenen zeer sterke aandacht van ons hebben te krijgen. De kleine christelijke kerken in de Arabische landen, zoals de Koptische Kerk in Egypte, en de Messiasbelijdende Joden in Israël zullen in het Midden- Oosten extra hulp en zorg hebben te krijgen. Ook wordt bij het hulpverlenen in de wereld geprobeerd via plaatselijke kerken daar hulp te brengen en te verspreiden. Net als via organisaties die de naam van Christus dragen, om zo het huisgezin van Christus niet in de kou te laten en tegelijk alles tot eer van Christus te laten gebeuren.
Achter deze werkwijze steekt het geloof in de gemeenschap der heiligen. Deze gemeenschap wortelt in de persoon van onze opgestane Heere. Zo blijkt diaconaat dus geleid te willen worden door een diep geloof in de christelijke kerk als het werkelijk volk van God in de wereld, als de gemeente die door de gemeenschap der heiligen nauw aaneen verbonden is als tot een gezin.
De vraag is daarbij niet hoeveel in een gemeente echt christen zijn en hoeveel (nog) niet. Beslissend hierbij is het oordeel der liefde, zoals de Dordtse Leerregels het noemen. Daarbij wordt ieder voor een christen gehouden die in leer en leven de christelijke weg gaat. Het geloof in de kerk als het huisgezin van God geeft de roeping om eerst zorg te dragen voor de christenen dicht bij en verder weg. Vervolgens wil het uit liefde tot allen ook buiten de kerk goed doen.
Beleid
Het is goed als diakenen hun inzamelings- en geefbeleid op een vergadering bespreken met deze regel als leidraad. Tegelijk kan elke christen zijn eigen giftenpatroon hierop bekijken. Dan kan het wel eens zijn dat we, wanneer we door een verdiept geloof de gemeenschap van Gods gezin meer beseffen, ook meer met liefde zullen weggeven voor broeders en zusters elders in de wereld. Juist omdat de heilige gezinsband nieuwe liefdeverantwoordelijkheid oproept.
Volgende week start een serie over diaconale initiatieven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 2013
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 2013
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's