Het levenseinde
Ds. Margriet van der Kooi is geestelijk verzorger in het Hofpoortziekenhuis in Woerden en in een psychiatrisch centrum. Onlangs schreef ze in Trouw een essay waarin ze de medicalisering van het levenseinde aan de orde stelt. Vorig jaar zomer stelde het College voor zorgverzekeringen een aantal vanzelfsprekende verworvenheden in de gezondheidszorg ter discussie. Niet alles wat vergoed werd aan medicijnen en therapieën kan vergoed blijven. Daarover ontstond veel verontwaardiging, onder andere in de media, want we moeten toch alles op alles zetten om de dood voor te blijven?
Als geestelijk verzorger in een algemeen ziekenhuis en in een psychiatrisch centrum vraag ik me af of verontwaardiging het adequate antwoord is. Of deze crisis niet een nieuwe kans opent. Ik zou willen dat werkers in de gezondheidszorg deze handschoen samen opnemen om het debat verder te helpen. Een man wiens moeder stervende was op onze palliatieve afdeling zei: ‘Wat ik het ergst vind is dat we het nergens over konden hebben, zelfs nu niet. Dat put me uit. Toen mijn moeder vorig jaar ziek werd en er weinig voor haar gedaan kon worden waren mijn ouders ontredderd. Ze zijn op internet gaan surfen. In Duitsland werd een supplemententherapie aangeboden. Het had iets verbetens, het werd hun project. Ik schat dat het hen anderhalve ton heeft gekost. De dokters zagen er niks in, maar het was hun enige hoop, zeiden mijn ouders. Hun enige hoop! Ik had met mijn moeder willen praten over haar leven, over hoe het is om afscheid te moeten nemen, waar ze dankbaar voor is, wat ze anders had willen doen, waar ze op hoopt. Ik had gehoopt op nabijheid, op vertrouwelijkheid, op troost. Ik had gehoopt dat ze troost in hun geloof vonden. Maar het mocht er niet over gaan. Dat het geld kostte kan me niet schelen. Dat alle tijd voorbij is gegaan zonder één echt gesprek, ik lig er wakker van. Ik ben boos op mijn ouders. Straks is ze dood en weet ik niet wie we begraven.’
Een jongeman wordt na een suïcidepoging opgenomen op de intensive care van een ziekenhuis. Hij zag zich na het dodelijk ongeluk van zijn beide ouders geconfronteerd met angsten die hij in die mate eerder niet kende. Het ziekenhuis ontslaat hem als de grootste paniek geweken lijkt. Hij kan rekenen op allerlei soorten hulp. De huisarts geeft hem kalmeringsmiddelen; de arbo-arts raadt hem aan een tijdje pas op de plaats te maken en geeft een verwijzing naar een psycholoog. Die gaat kundig in op de inhoud van zijn angsten, wat tijdelijk helpt, maar na enige tijd zoekt zijn angst een ander onderwerp. De psychiater schrijft hem antidepressiva voor. Wie spreekt met hem over zijn echte vraag: waarom leef ik eigenlijk? (…)
Je kunt proberen mensen die lichamelijk ziek zijn of die lijden aan de onvervuldheid van het leven met therapeutische middelen van dienst te zijn. Vaak zal dat helpen om angsten en vragen uit te stellen of te bezweren. Ik bestrijd de zinnigheid daarvan niet, maar de therapeutische overmacht in de gezondheidszorg dreigt vragen die ten diepste religieus zijn over te nemen en af te schermen van een existentiële verkenning: waaróm gebeuren deze dingen? Is er zin en samenhang in dit leven en is er een daarna? Godsdienst heeft geen handboeken, maar wel Verhalen van hoop, die zeer oude papieren hebben. Godsdienst doet iets anders dan behandelen: ze nodigt uit om vragen onder ogen te zien en uit te houden, lang en aandachtig te luisteren naar wat anderen nu en langer geleden op dezelfde vragen vonden. Godsdienst stelt vragen aan ons.
Ik wil niet beweren dat therapeutische assistentie rondom levensvragen geen zin heeft. Maar ik zie wel een risico: de religieuze vraag wordt gemakkelijk gemaskeerd of buiten de deur gehouden. De vraag is, kort samengevat: is er hoop en uitzicht, ook als de dokter niets meer kan? En valt er iets te zeggen op de zo voorstelbare jammerklacht van A.F.Th. van der Heijden in zijn requiemroman ‘Tonio’: “Wat blijft er voor Mirjam en mij te hopen over?” Hoop ‘die geen wassen neus is’, maar ‘toekomst ontsluit, een belofte impliceert’. (…)
Vijfentwintig jaar geleden zei een van mijn opleiders aan een Riagg in Amsterdam: als de kerken er niet waren met het goede bericht van hoop en naastenliefde hadden we tien keer zoveel Riaggs nodig. Een van de gevolgen van de uitbanning van religie uit het publieke domein is dat we de verbinding met het onzienlijke en ontzagwekkende verliezen. Mensen zijn erop aangelegd om met anderen en zichzelf in gesprek te zijn over grote levensvragen: wie ben ik, waar kom ik vandaan, waar ga ik naartoe en waarom ben ik hier? Als alles van het hier en nu afhangt, staan we bij de grote levensvragen sprakeloos. Of ze melden zich als onbestemde angsten.
Kerk en levensbeschouwelijke instellingen kunnen beschikbaar houden wat zij ontvingen en vonden aan hoop. Het ligt daarom in de rede om stervenden eerder te verwijzen naar een religieuze geestelijk verzorger, die van die dingen weet heeft, dan naar een psycholoog of naar een humanist die in verlegenheid raakt als de eeuwigheid ter sprake komt. Het Humanistisch Verbond maakt zich daar wel heel gemakkelijk (en onnodig polemisch) van af met de nogal flauwe boodschap te geloven in een leven vóór de dood. Dat klinkt laf in de oren van wie te horen krijgt dat er weinig levenstijd meer is. (…)
Ds. Van der Kooi legt de vinger bij een ook voor christenen belangrijk thema. Door de nadruk te leggen op de bijna onbeperkte mogelijkheden van de gezondheidszorg, worden de grote levensvragen weggedrukt. Maar wat blijft er over als de dokter zegt: ‘Ik kan niets meer voor u doen’? Is er dan ook nog hoop, of is het daar nooit over gegaan? Is er ruimte om in vrede te sterven? Tegelijk signaleert ze dat er door het wegvallen van de godsdienstige, in het bijzonder de christelijke stem, in de gezondheidszorg veel op het spel staat.
De Raad van Kerken belegt op 24 juni een symposium over mantelzorg. De brochure Gij hebt mij bekleed met een mantel van trouw, die met het oog op dit symposium verschijnt, gaat ook in op het levenseinde. Ik citeer een passage over het zalven van zieken, met onder andere aandacht voor Jakobus 5:14-15.
De Jakobustekst spreekt niet over beter worden en gezondheid, maar gebruikt juist woorden die aan het paasgebeuren van Jezus Christus refereren: redden en oprichten. De zorg van de gemeente betekent hier dat de geloofsgemeenschap, waar een situatie dreigt dat men af komt te staan van het paasmysterie, de aanwezigheid daarvan juist onderstreept. Door het gelovige gebed wordt dit bewerkt, door de zalving wordt de Gezalfde aangeduid. In deze zorg staat niet de dood centraal, ook niet de ziekte, maar de zieke en wel als gelovige, als deelgenoot binnen de gemeente, als deelhebber aan het paasgebeuren.
Dit lijkt me een sprekend voorbeeld van wat ds. Van der Kooi beoogt. In het ziek-zijn wordt een verbinding gelegd met de werkelijkheid van de opgestane Christus, die de dood heeft overwonnen. ‘Midden in de dood zijn wij in het leven’ (Liedboek, 566).
Ds. G. van Meijeren uit Utrecht is interim-predikant in de Protestantse Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's