De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerk in de samenleving

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerk in de samenleving

Breed gebruik van godshuis versterkt positie in gemeenschap

3 minuten leestijd

Waar kerkgebouwen open staan voor diverse activiteiten, zoals in vroeger eeuwen ook gebeurde, kan de kerkgemeenschap bijdragen aan het lokale gemeenschapsleven.

In de zeventiende en achttiende eeuw was de Hervormde Kerk – toen nog de Gereformeerde Kerk – de publieke kerk. Tot in de negentiende eeuw waren bij de kerk allerlei functies ondergebracht, waarvan we tegenwoordig niet direct het idee hebben dat die tot het takenpakket van de kerk behoren. De kerk diende als begraafplaats en de koster en de doodgraver hadden feitelijk de taak van begrafenisondernemer.
Daarnaast gaf in veel dorpen de koster, die vaak ook voorzanger en schoolmeester was, onderwijs in het kerkgebouw.
In steden was het kerkgebouw ook buiten kerkdiensten een belangrijke ontmoetingsplaats, bijvoorbeeld tijdens orgelconcerten.
Mensen kwamen onder andere naar de kerkdienst om de laatste nieuwtjes te horen, niet alleen van de buurvrouw, maar tijdens de kerkdienst werden bijvoorbeeld ook regelgeving en opkopingen afgekondigd, de gemeentelijke mededelingen die tegenwoordig in regionale kranten verschijnen.
De kerk fungeerde tevens als een burgerlijke stand en de kerkrentmeesters dienden zorg te dragen voor het water- en wegennet dat onderdeel was van de kerkelijke goederen.
Een publiek, dat is een breder, gebruik van het kerkgebouw kan de positie van de kerk in de samenleving dus versterken.

Verschuiving
De scheiding van kerk en staat in 1795 zou een proces op gang brengen waardoor de opvattingen over de taak van de kerk in de samenleving langzamerhand zouden verschuiven.
In de loop van de negentiende en twintigste eeuw nam de overheid geleidelijk aan steeds meer publieke taken van de kerk over. Tot in 1811 de burgerlijke gemeenten in het leven werden geroepen had de kerk gefunctioneerd als burgerlijke stand. Vanaf 1825 was het niet meer toegestaan om in het kerkgebouw te begraven en raakte de kerk haar taak als begrafenisondernemer kwijt.
Berichtgeving gebeurde via de krant, bovendien groeide het besef onder predikanten en kerkenraadsleden dat deze openbare berichtgeving niet thuishoorde in de kerk en zeker niet in de kerkdienst. Met de komst van de verzorgingsstaat kwamen ook steeds meer taken op het gebied van sociale zorg voor verantwoordelijkheid van de overheid.

Privézaak
Dit alles had niet alleen tot gevolg dat het kerkgebouw steeds meer gereserveerd werd voor religieus gebruik, maar dat daarmee ook de rol van de kerk in de samenleving veranderde. Kerk, geloof en religie worden steeds meer een privézaak.
Doordat de kerk een aantal publieke functies niet meer vervult, komt de kerk minder snel in beeld: voor bijvoorbeeld mensen met financiële problemen is de diaconie vaak niet het eerste adres waar ze aankloppen en diaconieën zijn zich meer gaan richten op nood en armoede ver weg. Met de huidige crisis en een zich terugtrekkend overheid, waardoor meer van mantelzorgers verwacht wordt, verandert er op dit punt mogelijk wel het een en ander.
Sommige diaconieën merken bijvoorbeeld al een toename van het aantal hulpvragen.
De veranderde positie van de kerk in de samenleving is dus niet alleen een gevolg van de ontzuiling, maar komt voort uit een proces dat al veel langer aan de gang is.

Niet nieuw
De problemen waar gemeenten nu mee worstelen, deden zich in het verleden vaker voor. Uit classicale acta van Overijssel uit het begin van de zeventiende eeuw blijkt dat er in sommige plattelandsgemeenten te weinig lidmaten waren om ambtsdragers te kunnen benoemen. Daarnaast wordt melding gemaakt van ‘weygeriche erkoren olderlingen’, mensen waren dus niet altijd hun verkiezing tot ambtsdrager aan te nemen. In andere gemeenten beschikte men niet over voldoende financiële middelen om een predikant te kunnen bekostigen.
Gemeenten werkten samen in een combinatiegemeente, om zo een predikant te kunnen beroepen.
Samenwerking tussen gemeenten is dus geen nieuw fenomeen, maar komt al voor sinds de Reformatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 2013

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Kerk in de samenleving

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 2013

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's