SPANNING IN DE GEMEENTE
De Nederlands Gereformeerde Kerken hielden onlangs een conferentie waarin dieper werd ingegaan op de spanningen tussen kerkenraden en predikanten. Steeds vaker lopen dominees vast en waar ligt dat aan? Ds. Freddy Gerkema uit Amersfoort schrijft daarover in Opbouw het volgende:
Wat is dat toch, dat het tussen predikanten en gemeenten zo vaak niet goed gaat? Het gaat ongeveer zo. De eerste maanden van de nieuwe predikant stellen wat teleur en de eerste kritische geluiden gaan rond. Gelijkgezinden weten elkaar te vinden, terwijl het gesprek tussen predikant en critici niet goed van de grond komt. De problematiek komt op de agenda van de kerkenraad, vergaderingen worden langer en er komen brieven vanuit de gemeente. Het ‘wij-gevoel’ taant, zodat het vaker gaat over ‘hij’ en ‘ze’. De amplitudo van de kerkelijke spanning slaat steeds verder uit en de thematiek wordt onoverzichtelijker. Het gaat al lang niet meer over de dingen waar het in eerste instantie over ging. De Vertrouwens- en Adviescommissie [een soort visitatie, GvM] komt erbij. En na nog weer lange, onverkwikkelijke maanden valt de hamer op een regiovergadering of de Landelijke Vergadering. Er zijn alleen maar verliezers. De gemeente likt de wonden, terwijl de predikant ander werk moet zoeken, waarbij de kans op een doorstart elders na een losmaking nihil is.
Ds. Gerkema benadrukt dat je in de kerk niet vaak genoeg kan bedenken dat je vooral samen bezig bent voor het Koninkrijk van God.
Samen. Dat geldt natuurlijk voor de predikanten. Vooral de dominanten, die langs een rechte streep kunnen uittekenen waar het met de gemeente heen moet. Maar als het al die kant op moet, dan zal dat sámen met kerkenraad en gemeente moeten, langs lijnen van overleg, met bochten die tijd kosten. Dat ‘samen’ is ook iets voor kerkenraden. Bijvoorbeeld dat je je predikant niet als een baksteen laat vallen bij tegenwind vanuit de gemeente. ‘Je moet als kerkenraad toch om je predikant heen staan’, hoorde ik laatst iemand zeggen. Dat is misschien te beschermend, maar dat wij-gevoel is onmisbaar, inclusief de onderlinge steun en de aanvulling van elkaars tekorten. Met ‘elkaar’ (…) om zo samen als kerkenraad de minnen van het gemeentelijke werk te (ver)dragen. Houd je elkaar vast bij tegenvallers en teleurstellingen? Daar gaat het om. Altijd natuurlijk, maar in het bijzonder bij spanningen en onvrede. (…) De basis is: houd samen vast dat Jezus Heer is, blijf dicht bij het grote gebod van de liefde en (ver)draag elkaars tekorten. (…)
Met dat terugschakelen naar de gemeenschappelijke basis zijn de teleurstellingen, irritaties, verlangens en wensen natuurlijk niet opgelost, terwijl daar wel echt iets mee moet gebeuren. In de kerkelijk praktijk gebeurt dat vaak niet of te weinig. Daar zit een menselijk trekje achter, om wat moeilijk ligt vooruit te schuiven, in de hoop dat het vanzelf oplost. Soms vertaalt zich dat in een terugtrekkende beweging, waarmee iemand een confrontatie ontwijkt. De kop in het zand kan ook. Je komt het in de kerk allemaal tegen. Het is zo menselijk. Bij ziekteverschijnselen en rond huwelijksproblemen zie je precies dezelfde mechanismen. Maar het lost niks op en kerkelijke spanningen en irritaties blijven daardoor vaak onnodig lang ondergronds, zonder bespreekbaar gemaakt te worden. Het helpt vervolgens ook niet als er vooral ‘over’ moeite en onvrede gepraat wordt, en dan vrijwel altijd met gelijkgezinden, niet met degene die het betreft. Onder dat ‘praten over’ schaar ik voor het gemak ook maar het gemopper en geklaag. Benedictus, de zesde-eeuwse abt die een invloedrijke kloosterregel schreef, noemde gemopper (murmuratio) het meest bedreigend voor een gemeenschap. Het werkt negatief in op de eigen ziel van de mopperaar, hij of zij beïnvloedt de ander met wie het gemopper gedeeld wordt en het meest schadelijk is het voor degene op wie gemopperd wordt. Van deze omgang met gemeentelijke moeiten zou je gewoon tegen jezelf moeten zeggen: ‘Daar doe ik niet aan mee – niet pratend en niet luisterend.’
Ten slotte kom je bij een kerkelijke moeite ook niet veel verder langs de weg van aanval en verdediging, waarbij je al snel in een sfeer van verwijt en beschuldiging terechtkomt. Daarvoor hoef je niet oog in oog met een ander te zitten, want op afstand gaat dat ook. Wat kunnen e-mails projectielen zijn! De aanval roept verdediging op (‘helemaal niet, hoe kom je daar bij’) en zo ontwikkelt zich een gevecht dat zelden een gesprek van hart tot hart wordt. Het is natuurlijk ook mogelijk dat je de kritiek van een ander te snel als een aanval oppakt. Als iemand bij de predikant komt met kritiek op de preek (of iets anders), kan het zo maar zijn dat die predikant het als een aanval opvat en in de verdediging schiet. Maar zelfs als er agressie in de kritiek doorklinkt, is het vruchtbaarder om direct de sfeer van gesprek en gedachtewisseling te zoeken. Vooral ook omdat er met kritiek van een ander bijna altijd wel iets goeds te doen is. Misschien breekt dat de ban en wordt het toch nog een gesprek van hart tot hart.
Ds. Tom Viezee kiest in het ND een iets andere invalshoek. Hij vindt juist dat predikanten de hand in eigen boezem moeten steken:
Zonder volledig te kunnen of willen zijn, wil ik een paar punten aandragen. Zo denk ik dat een belangrijke oorzaak van menig conflict is dat predikanten veel te lang in hun gemeente blijven staan. Zes tot uiterlijk acht jaar is een verantwoorde termijn. Daarna moet een predikant wegwezen. Dat is gezond, verfrissend en dynamisch voor zowel de predikant als de gemeente. Slechts weinigen is het gegeven om week in week uit voor hetzelfde ‘publiek’ op te treden zonder in te leveren op hun boeiend vermogen. Wanneer een predikant langer in een gemeente staat, is het gevaar groot dat men te veel met elkaar vergroeid raakt, met alle risico’s van dien. Zwakheden en beperkingen ga je steeds moeilijker van elkaar verdragen, waardoor je eerder gaat botsen. Je weet te veel van elkaar en dat kan hinderlijk worden. Je moet dat elkaar niet aan willen doen. (…)
Naast het belang van een tijdig vertrek – ‘Paulus bleef ook maar kort’ – naar een andere gemeente wijst ds. Viezee op de vooropleiding van predikanten. Daar zou meer aandacht moeten worden besteed aan communicatieve en sociale vaardigheden. ‘Het gedrag van ons als predikanten roept nog wel eens vragen op.’
Ook het inzicht in onze maatschappij, hoe de hazen lopen, zou sterk vergroot moeten worden: wat betekent het om werknemer te zijn, welke impact heeft de flexibele arbeidsmarkt op een gezin, op de ambtsdrager; wat betekent dreigende werkloosheid, onzekerheid over het al dan niet halen van doelstellingen. Een predikant kent geen dagelijkse filestress, kan thuis ontbijten, lunchen en dineren, hij heeft een vaste baan, vrije dagindeling, variabele werktijden, geen personeelszorgen en nog veel meer arbeidsgemakken.
Vergelijk het eens met een kleine ondernemer of een winkelier. Die kan niet eens ziek zijn en ook na gezinsuitbreiding moet de zaak de volgende dag gewoon weer open. Twee of drie keer op een zondag preken, is niet extreem zwaar. De godsdienstleraar die op het (v)mbo vier lessen voor en twee tot drie na de lunch geeft, levert op zijn minst een soortgelijke prestatie. Het is belangrijk dat wij als predikanten onze zegeningen tellen en daarvan ook blijk geven naar de gemeente. De grootste zegen is om fulltime in dienst te zijn van de Here. Laten wij als predikanten daar eens van genieten en dat plezier ook uitdragen.
Ds. Viezee schrijft uitdagend, al kwamen er opvallend weinig ingezonden brieven op. Als het gaat om zijn aansporing tot tijdige verandering van standplaats denk ik aan het feit dat niet iedereen dat is gegeven. En wat dan? In de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt vond recent een vijfhoeksruil plaats tussen predikanten. Ook dat kan bijdragen aan ont-spanning. Ds. Viezee eindigt met een voorbehoud en een advies:
‘Natuurlijk is met het voorgaande lang niet alles gezegd. Veel collega’s doe ik mogelijk onrecht, dat is het gevaar van generaliserend schrijven. Maar in de vele voorbeelden van conflictsituaties die ik inmiddels heb moeten vernemen, ontkom ik er niet aan om toch eens te pleiten voor het steken van de hand in eigen boezem. Gemeenten, zet uw predikant nooit op een voetstuk. En predikanten, laat u nooit op een voetstuk plaatsen!’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's