Schoolstrijd in Friesland
Verschil in visie op relatie kerk en school explodeerde in Hardegarijp
Anno 2013 discussieert Den Haag over bijzonder onderwijs en het al dan niet subsidiëren van godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs op openbare scholen. Zon zestig jaar geleden bemoeide de Hervormde Kerk zich met het Friese dorp Hardegarijp, waar een heuse schoolstrijd woedde.
In Hardegarijp kwam het in 1951 en 1952 tot een schoolstrijd nadat de kerkenraad van de hervormde gemeente een nieuw te stichten christelijke school afweerde. Hij groeide uit tot een landelijke rel waarin de (hervormde) Raad voor Kerk en School een hoofdrol speelde door zijn steun aan deze opstelling.
De protestantse kerkelijke pers en protestants-christelijke kranten stonden er vol van. De polemieken maakten duidelijk wat er op het spel stond: hoe stond de Hervormde Kerk tegenover het onderwijs? En: koos zij door de kerkenraad te steunen in zijn afwijzing van een te stichten christelijke school voor het openbaar onderwijs?
Openbare school
Hoe was in deze periode de verhouding tussen (Hervormde) kerk, staat en school? De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kende geen scheiding van kerk en staat. In het onderwijs kwam dit tot uitdrukking doordat de openbare scholen in handen van de overheid waren maar naar de heersende religie een gereformeerd protestants karakter hadden. Dit bleek uit de liederen die gezongen werden en in de nadruk op het onderwijs in de Bijbel en de Heidelbergse Catechismus.
Dit veranderde in de Franse tijd, toen mede onder invloed van de Verlichting de openbare school een algemeen christelijke nationale school werd, die leerstellige kwesties moest vermijden en moest opleiden in de christelijke en maatschappelijke deugden.
Deze school moest aanvaardbaar zijn voor protestanten, katholieken en Joden.
Réveil
Deze algemeenheid riep weerstanden op bij de afgescheidenen, die overgingen tot het stichten van eigen christelijke scholen. In hun verzet tegen een dergelijke staatsschool kregen zij steun vanuit het Réveil. Een aantal aanhangers van het Réveil stond echter een andere aanpak voor, zoals blijkt uit de pleidooien van Groen van Prinsterer vanaf 1840. Op grond van zijn theocratische opvatting van Nederland als protestants-christelijke natie wees hij de neutrale openbare school af en wilde hij zo veel mogelijk een volksschool met een christelijk karakter. Daarmee wees Groen ook het particulier onderwijs van protestants-christelijke zijde af.
Onderwijswet
De Onderwijswet van 1857, die ingevoerd werd door J.J.L. van der Brugghen, eveneens afkomstig uit het Réveil, handhaafde echter de zogeheten ‘gemengde openbare school’. Deze instelling leidde wel op tot de christelijke en maatschappelijke deugden, maar op een zodanige wijze dat dit aanvaardbaar was voor protestanten, rooms-katholieken en Joden. De wet bepaalde dat het geven van onderwijs in de godsdienst aan de kerkgenootschappen werd overgelaten. Dit kon op school gebeuren buiten de schooluren.
Voorts schiep de wet de mogelijkheid om bijzondere scholen op te richten. De Tweede Kamer verwierp echter de door Van der Brugghen voorgestelde subsidieregeling voor het bijzonder onderwijs.
De idee van de openbare school werd binnen de Nederlandse Hervormde Kerk breed gedragen op grond van de volkskerkgedachte: de Nederlandse Hervormde Kerk nam in de Nederlandse natie vanuit haar geschiedenis een bijzondere positie in, zij was kerk van en voor het volk.
Bijzonder onderwijs betekende dat de kerk deze notie losliet, omdat ze zich dan alleen op het eigen volksdeel richtte. De invulling van de gedachte van de volkskerk liep echter uiteen − van het doordringen van het Nederlandse volk met de christelijke deugden tot een openbare school met een gereformeerd karakter.
In en na de oorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest de kerk veel functies overnemen van maatschappelijke organisaties, ook van schoolorganisaties. Dat leidde binnen de Hervormde Kerk tot de oprichting van een Commissie voor Kerk en School, later Raad voor Kerk en School. Behalve aan praktische zaken besteedde de raad aandacht aan de doordenking van de verantwoordelijkheid van de kerk voor het onderwijs.
Daarbij speelde het begrip (her)- kerstening een belangrijke rol.
We vinden dit terug in de bepalingen in de (toen) nieuwe kerkorde van 1951 over het onderwijs.
Behalve in het verrichten van studies, het beleggen van conferenties en het geven van adviezen zette de raad zich vooral in voor het bijbelonderwijs op openbare scholen, vooral via het na de oorlog opgerichte Interkerkelijk Overleg in Schoolzaken (IKOS).
Hardegarijp
Het dubbele spoor dat de Raad voor Kerk en School bereed, maakte dat ze met een zekere argwaan bekeken werd, zeker vanuit het christelijk onderwijs.
Dit ondanks het feit dat de raad zijn medewerking verleende aan de totstandkoming van minstens twintig christelijke scholen in het zuiden van het land. De spanningen die dit gaf, escaleerden in Hardegarijp.
De schoolstrijd in Hardegarijp is niet los te zien van de richtingenstrijd aldaar tussen vrijzinnigen en orthodoxen. De eersten waren in de meerderheid en de predikant was dan ook vrijzinnig. De verhoudingen lagen scherp.
In het Friese dorp was er alleen een openbare school. Onder de orthodoxen leefde het verlangen naar een eigen christelijke school. In 1946 richtten zij met gereformeerde en christelijke gereformeerde kerkleden de Vereniging tot Stichting en Instandhouding van een School met den Bijbel te Hardegarijp op.
Toen de oprichting leek te gaan lukken, kwam de kerkenraad in actie. Hij meende dat de verhouding tussen kerk en school goed was. Het personeel was, op één persoon na, lid van de Nederlandse Hervormde Kerk. Een bijzondere school was niet nodig en zou alleen maar verdeeldheid brengen.
Advies
De kerkenraad besloot om advies in te winnen bij de Raad voor Kerk en School. Op 6 mei 1951 bezocht de secretaris van de raad Hardegarijp. Deze betoogde op een aldaar belegde bijeenkomst dat de openbare school volkomen kerkelijk verantwoord was.
In de zomer van 1951 publiceerde de kerkenraad op grond van een concept van de secretaris van de raad een verklaring waarin hij opriep om niet mee te doen aan de actie voor het oprichten van een bijzondere school.
Nu kwam het antirevolutionaire Friesch Dagblad in het geweer. Het stelde dat de Hervormde Kerk zich door de medewerking van de raad tegen het bijzonder onderwijs uitsprak. Daarmee tilde het blad de discussie op het landelijk niveau. Het was vooral prof. G.C. van Niftrik, lid van de Raad voor Kerk en School, die zich in woord en geschrift in de daarop volgende discussie mengde. Persoonlijk was hij voorstander van christelijk onderwijs, maar hij onderschreef de opvatting dat de Nederlandse Hervormde Kerk zich zowel op het christelijk als het openbaar onderwijs moest richten. Hij wees de antithesegedachte van Kuyper af, ook voor het onderwijs.
Synode
De synode agendeerde de schoolkwestie vervolgens in haar vergadering op 2 en 3 april 1952. Na een uitvoerige bespreking waarin een minderheid zich distantieerde van de opstelling van de Raad voor Kerk en School, had toch het hervormde denken in termen van volkskerk, apostolaat en kerstening de overhand.
Dat leidde ertoe dat de synode uitsprak dat de Hervormde Kerk op grond van haar karakter als Christusbelijdende volkskerk medeverantwoordelijkheid droeg voor het gehele onderwijs dat aan de kinderen van ons volk werd gegeven. De kerk moest in elke concrete situatie zich bezinnen hoe gehandeld zou worden naar de in de kerkorde geformuleerde opdracht. Dat liep uit op de cruciale zin: ‘De Nederlandse Hervormde Kerk kan en mag in het huidige tijdsgewricht niet in het algemeen een voor allen geldende keuze doen tussen het bestaande openbare en het bestaande christelijk onderwijs.’
De synode droeg de raad op voort te gaan in de door de synode gevolgde en door de kerkorde gewezen richting en gaf haar goedkeuring aan het door de raad gegeven advies om niet mee te werken aan de oprichting van een christelijke school te Hardegarijp. Ook nu volgden er uiteraard veel reacties. Het twee sporenbeleid bleef moeilijk liggen.
Verschillend inzicht
In de schoolstrijd te Hardegarijp kwamen de verschillen van inzicht over de relatie tussen de Nederlandse Hervormde Kerk en de school tot explosie. Allereerst was daar het standpunt dat deze kerk niet wilde kiezen voor de christelijke of openbare school en de keuze daarvoor een verantwoordelijkheid van de ouders achtte.
Daarbij zou de kerk wel de ouders moeten ondersteunen in hun oordeelsvorming. De meerderheid van de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk steunde de raad daarin, die zich in zijn werk op de kerkorde baseerde.
Hierin werkten negentiendeeeuwse noties van de volkskerk duidelijk door.
De daarmee verbonden gedachte van ‘kerstening’ was echter niet eenduidig. Zij kon betekenen dat de openbare school ook door het evangelie gestempeld zou moeten worden. Een andere, afgeslankte vorm was dat de kerk in het openbaar onderwijs aanwezig moest zijn door het aanbieden van godsdienstonderwijs. In de praktijk is vooral deze lijn gevolgd.
Dit is een beknopte versie van een artikel over de godsdienstonderwijzer in het juninummer van ‘Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's