Wonderen in de Himalaya
Zending heeft ook te maken met ontberingen
Geloven we dat God alleen of vooral werkt volgens onze denklijnen of gaat de Heilige Geest zijn eigen weg? In Nepal gaan onze ogen open voor het verrassende van wat God doet. De Bijbel noemt dit een wonder.
Het is maandagmorgen acht uur. In Nederland gaan de schooldeuren open, nemen de files in lengte toe, draait de economie op volle kracht. Mijn ochtendwandeling voert al twee uur over een pad door de bergen van de Himalaya. Ik nader het dorpje Jagat, waar het vandaag feest is. Tien jaar nadat de hoteleigenares van Jagat christen werd – zoals ooit Lydia in Filippi haar hart opende voor de Heere –, neemt de kleine gemeente haar kerkje in gebruik, gedurende twee jaar gebouwd met support van de GZB, met steun dus van u en mij.
Kerk op maandagmorgen? Ja, want wij hadden tijd nodig hier te arriveren. Die ‘wij’ zijn Tim Verduijn, landencoördinator Nepal van de GZB, het bij de zending betrokken echtpaar Jan en Dieneke Schot uit Tholen en ikzelf. De gemeente van Jagat neemt de kerk niet in gebruik op zaterdagmorgen, het wekelijkse moment waarop de gemeente van Christus samenkomt, maar op de dag dat ‘het GZB-team’ er kan zijn. In dit deel van de wereld staat de tijd nog in dienst van de mens.
Doof echtpaar
Zoals in alle kerken in Nepal zitten de vrouwen rechts, de mannen links. Schoenen uit, een plaats op het tapijt, want kerkbanken kerkbanken kom je in dit land niet tegen. Mijn oog valt op een echtpaar dat met zijn drie kinderen in het gebouwtje zit. Ds. Navaraj Bharati vertelt me dat man en vrouw beiden doof zijn. ‘Maar hoe hebben ze dan ooit het evangelie gehoord?’ ‘Dat weet niemand’, antwoordt Navaraj me, ‘dat weet God alleen.’ Hij lijkt er niet eens verrast door. Immers, God dóet hier wonderen, omdat de kerk gelooft in een God van wonderen.
Ds. Navaraj Bharati is een man die je tijdens de eerste ontmoeting al in je hart sluit. Zijn levensverhaal illustreert zowel Gods macht als Zijn liefde. Navaraj vertelt ons over 1996, het jaar dat zijn weerstand door grote vermoeidheid weg was en zijn lichaam verlamd raakte. In het ziekenhuis in de hoofdstad Kathmandu waren er voor hem geen medicijnen. ‘Bid maar tot jouw God’, zegt de arts tegen de dominee, meer cynisch dan serieus.
Navaraj deed het, én genas. God geeft Zijn dienstknecht er wel een opdracht bij. In een droom worden de boeddhisten die in de bergen wonen op zijn hart gebonden. De gemeente van Navaraj zou gaan bestaan uit de onbereikten in de Himalaya. ‘Mijn lichaam werd door God klaargemaakt om door de bergen te kunnen lopen’, zegt de predikant, die in 1997 de Himalaya Outreach Mission oprichtte. Sinds ds. Wim Poldervaart vijf jaar geleden in contact kwam met Navaraj, biedt de GZB steun aan deze kleine zendingsorganisatie met de bijzondere naam: zending voor de onbereikten van de Himalaya
Ontberingen
Wat leer ik in de dagen dat ik met ds. Bharati optrek? Allermeest dat zendingswerk niet plaatsheeft zonder inspanning, ontberingen, kou. De verkondiging van het evangelie elders in de wereld is zoveel meer dan ons vanouds romantische beeld van de dominee onder de palmboom, een Bijbel in zijn hand, een strohoed tegen de zon. Paulus had ons dit natuurlijk al voorgehouden: ‘Op reis was ik vaak in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar van de kant van volksgenoten, in gevaar van de kant van heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders, in inspanning en moeite, vaak in nachten zonder slaap, in honger en dorst, vaak in vasten, in koude en naaktheid’ (2 Kor.11:26,27). Het is goed dat een biddend thuisfront beseft dat twintig eeuwen later deze ervaringen nog altijd reëel kunnen zijn.
Altijd goede moed
Lichamelijke ontberingen in zendingsdienst maken Paulus echter niet depressief of somber. Als hij ziet dat de genade overvloediger wordt tot verheerlijking van God (2 Kor.4:15), concludeert hij: ‘Daarom verliezen wij de moed niet, integendeel.’ Het mooie en verrassende (of moet het me eigenlijk helemaal niet verrassen?) is dat ik dit denken van Paulus sterk herken in het optrekken met ds. Navaraj Bharati.
‘Ik heb altijd moed, al is het moeilijk vertelt hij aan de vooravond van de opening van de kerk, als ik mijn handen strak om een mok thee houd, om nog enigszins warm te blijven. ‘Want het is Gods werk.’ Met traktaten trekt hij door de bergen, het gebied waartoe weinig zendelingen zich aangetrokken weten. Na tien jaar zijn er ongeveer 150 christenen in een gebied dat 10.000 inwoners telt. In sommige dorpjes zijn er twee of drie huizen waar een christen woont.
Gebed
Zendingswerk zonder gebed, dat kan evenmin als timmeren zonder hamer. Navaraj vertelt over zijn eerste bezoek aan Jagat, waar hij zijn intrek nam in het plaatselijke hotel – overigens niet te verwarren met wat we in ons land onder een hotel verstaan. Nadat hij met de eigenares over God en Jezus sprak, ging hij weg, voor een maand de bergen in. Maar uit zijn gebed was de vrouw niet meer. De predikant, die weet dat God zijn woorden hoort als hij door de bergen trekt, wijst me op 2 Kronieken 7:15. ‘Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkzaam zijn op het gebed van deze plaats.’
Op de terugreis was hij weer in Jagat, waar hij zag dat zijn gebed verhoord was. ‘De eerste vrucht die God hier gaf.’
Niemand anders
Wie de kwetsbare positie van de christenen in het kleine dorp overdenkt, begrijpt waarom deze maandag bij Navaraj de tranen in de ogen staan. Terwijl zijn zoon de woorden van Tim Verduijn, die de openingshandeling van de kerk verricht, in het Nepalees vertaalt, zegt hij tegen me: ‘Ik ben zo gelukkig.’ Zijn gezicht straalt. Tim leest het gebed dat Salomo uitsprak bij de opening van de tempel, het gebed of ‘wij in Zijn wegen zullen gaan, Zijn geboden in acht zullen nemen, opdat alle volken van de aarde weten: de HEERE, Hij is God en niemand anders’. Dieneke Schot overhandigt aan de plaatselijke predikant een Engelstalige studiebijbel, bedoeld voor de jongeren uit de gemeente. Haar man, Jan, leest uit Psalm 91, over de engelen die degenen die bij de Allerhoogste schuilen zullen bewaren op al hun wegen. Van die engelen wist Paulus en daar weet Navaraj van. Zelf zeg ik tegen de kleine gemeente die vandaag officieel haar kerkdeur opende, iets over de geopende deur die God geeft en die niemand sluiten kan.
Geen aanzienlijken
De meisjes uit de gemeente zingen ter ere van God. Hun houding en toewijding tonen de eerbied waarmee hun loflied gepaard gaat. Het Nepalees versta ik niet – en toch weet ik wat ze zingen. De kerk van Jagat is als een Eben Haezer in de bergen, een gedenksteen die verwijst naar de genade van God, die ook hier Zijn mensen zoekt.
Dat ontroert, als je de gemeente rondkijkt. Een meisje dat het thuis zwaar heeft, omdat zij christin is en haar moeder boeddhist. Een gehandicapte man die een steen in zijn oog kreeg en weinig meer ziet. Het dove echtpaar met hun kinderen. De weinig geletterde predikant die bij een open Bijbel toch voorganger moet zijn. Nog maar een keer de brief aan Korinthe: ‘Let op uw roeping, broeders: er zijn onder u niet veel wijzen naar het vlees, niet veel machtigen, niet veel aanzienlijken. Maar het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen.’
Daarom zeggen we in de bergen van de Himalaya Paulus, de zendeling die van ontberingen wist, na: ‘Wie roemt, laat hij roemen in de Heere.
P.J. Vergunst is hoofdredacteur van De Waarheidsvriend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's