Zien met ogen van geloof
In de serie ‘Brief aan mijn kleinkind’ laat Wapenveld prof. dr. Cees Gooijer, geboren in 1947, aan het woord. Gooijer was van 1998 tot 2011 hoogleraar scheikunde aan de VU en is voorzitter van de algemene kerkenraad van de hervormde gemeente te Huizen.
In het orthodox-bevindelijke milieu van mijn jeugd werd aan het bestaan van God niet getwijfeld en evenmin aan Zijn handelen, zowel op wereldschaal als in het persoonlijke leven.
Oorlogservaringen hadden daarin geen verandering gebracht. Integendeel: ‘De Amerikanen zijn gekomen, maar God heeft ons van de tirannie bevrijd, ondanks onze schuld. Hij is barmhartig en genadig.’ Daarover bestond geen onzekerheid. Waar wel mee geworsteld werd, was de persoonlijke toe-eigening van Gods genade, van het heil verworven door Jezus Christus. Daar kun je alleen deel aan krijgen als je ‘veranderd’ wordt, een ander, een nieuw mens wordt. Wedergeboren wordt. En daarvan moet je weet hebben in je leven, zodat je daarvan kunt getuigen: ‘hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest’. Je mag je overgeven en toevertrouwen aan Hem, maar uiteindelijk doe je dat niet zelf; dat bewerkt Hij, ‘beide het willen en het werken’. Maar een sfeer van lijdelijkheid was er nauwelijks; lijdelijkheid is uit den boze. God schenkt het geloof op het gebed, op Zijn tijd.
Zulke gelovige mensen heb ik ontmoet, ze zijn op mijn weg geplaatst. Mensen die vanuit een onwankelbaar Godsvertrouwen leefden en hun leven daarmee gestalte gaven. Zoals die zakenman, die er in de opstartfase van zijn bedrijf toch niet voor koos een zeer grote klant binnen te halen. Hij zou daarmee met zijn zondagsviering in de knel komen en beleed zijn God lief te hebben boven de mammon. Zoals mijn tante, die zo dicht bij haar God leefde en zich als vanzelfsprekend opofferde om te helpen waar nood was. En die mij, toen een nabij familielid aan zwaarmoedigheid ten onder dreigde te gaan, ervan overtuigde: ‘Hij mag leven, want hij zal eenmaal van zijn geloof in Jezus Christus getuigen’. En dat is gebeurd, zo’n twintig moeitevolle jaren later; het licht brak ten volle door! En zo waren er meerderen, trouwens ook in mijn latere levensfasen en niet alleen uit Huizen afkomstig, maar zelfs uit verscheidene landen van de wereld. Arie van de Beukel noemt zulke mensen (in zijn onvolprezen boek ‘De dingen hebben hun geheim; gedachten over natuurkunde, mens en God’) de ‘getuigen’ en geeft aan dat ze bepalend zijn geweest voor zijn eigen geloofsontwikkeling. Mensen die leefden vanuit Gods beloften in het leven hier en nu.
Gooijer beschrijft à la Psalm 78 voor zijn kleinkinderen de weg die hij is gegaan: via de HBS naar de universiteit en de wetenschappelijke loopbaan die hij daar maakte. Een belangrijk onderdeel van zijn brief gaat over de verhouding geloof en wetenschap.
De vraag die momenteel veelal ontkennend beantwoord wordt is: ‘Kun je als gelovige een vooraanstaande rol in de natuurwetenschappen spelen?’ De gangbare opvatting – naar mijn gevoelen breed gedragen, ook onder vooraanstaande wetenschappers – is: ‘Christelijk geloof en natuurwetenschappen verdragen elkaar niet’. Zo stelt Richard Dawkins in zijn bekende ‘God als misvatting’ dat je geen intelligente wetenschapper kunt zijn als je er godsdienstige overtuigingen op na houdt. Die opvatting (b)lijkt gemeengoed te zijn geworden. Het boek van de befaamde hoogleraar neurobiologie Dick Swaab, een orthodox atheïst, getiteld ‘Wij zijn ons brein’, werd een bestseller en beleefde van september 2010 tot maart 2011 twaalf herdrukken.
Geloven wordt geridiculiseerd: ‘Waarachtig geloven is een chemische kwestie, een schommeling van de endorfinespiegel. Gelovende mensen plaatsen zich in een fysische conditie waarbij bepaalde stoffen, endorfines, worden aangemaakt die ervoor zorgen dat zij zich beschermd en gekoesterd voelen’. Dat zou een van Swaab afkomstige zin kunnen zijn, maar ik heb hem al veel eerder genoteerd. Hij komt van de schrijver Ronald Giphart uit een zogeheten ‘Tien Geboden interview’ in het dagblad ‘Trouw’ van 23 december 2000. (…)
Waar komt dan die gedrevenheid van diverse vooraanstaande (natuur)wetenschappers vandaan om zo fel het bestaan van God te ontkennen en het geloven in God als achterhaald te beschouwen, terwijl ze toch (zouden moeten) weten dat dit op basis van de natuurwetenschappen niet mogelijk is?
Alister McGrath, een theoloog, in Oxford gepromoveerd in de biofysica, beweert ‘dat het merendeel van zijn atheïstische collega’s vooronderstellingen in hun vakgebied hebben binnengedragen, die niet gebaseerd zijn op wetenschappelijk werk’. Hij heeft gelijk.
Ik heb jullie, mijn kleinkinderen, een tijdje geleden al in ander verband geschreven: ‘Veel mensen die net als opa onderzoek zijn gaan doen in de natuurwetenschappen geloven niet (meer) dat er een levende God bestaat. Bij opa is dat niet gebeurd. Integendeel. Hij heeft steeds meer leren inzien dat er een Schepper is en dat wij ons mogen verwonderen over de wereld om ons heen.’
Verwondering is een houding die – mede door de huidige focus op nut, bruikbaarheid en winst – helaas steeds meer achter de horizon van de natuurwetenschapper verdwijnt. Juist christenwetenschappers zouden zich moeten onderscheiden door verwondering over de orde die je in de natuur aantreft en de wetmatigheden, waarop je de vinger mag leggen. Verwondering ook over het feit dat het je gegeven is daarin als mens te mogen participeren. Een christenwetenschapper leeft en werkt juist vanuit het besef dat er meer is dan de waarneembare werkelijkheid, namelijk een levende God. Verscheidene mensen hebben daarvan getuigd, en getuigen daarvan ook heden ten dage. En die zullen er ook in de toekomst zijn, ook al zal getuigen in het openbaar wellicht moeilijker worden. De bekende tekst uit het evangelie ‘Gij zult mijn getuigen zijn’, is immers meer een belofte dan een opdracht.
Toch is in de natuurwetenschappen de verwondering niet geheel buiten het vizier. Dat blijkt onder andere uit het feit dat verscheidene recente scienceboeken ‘Nature’ schrijven, dus ‘natuur’ nadrukkelijk van een hoofdletter voorzien. Ik acht dat een bedenkelijke ontwikkeling en sluit mij liever aan bij het adagium van de Vrije Universiteit, als verwoord in het votum uitgesproken bij het begin van een promotieplechtigheid: ‘Onze hulp is in de Naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft’.
Heeft de overgang van de gesloten gemeenschap van mijn jeugd naar de wereld van nu, alsmede het jarenlang actief zijn in de natuurwetenschappen mijn geloofsleven dan niet beïnvloed?
Zeker wel, maar ik meen dat de veranderingen daarin toch niet wezenlijk zijn. Zo ervaar ik het leven naar de geboden – in vroeger tijd eigenlijk ‘verboden’ – thans niet meer als beknellend. Integendeel. Nu bieden zij de vrijheid voor een leven uit dankbaarheid; met vallen en opstaan, dat wel.
En ik ben bepaald geen creationist gebleven (ik ben er trouwens niet zeker van of ik dat ooit ten diepste ben geweest), als daarmee wordt bedoeld ‘iemand die probeert onwelgevallige wetenschappelijke resultaten zo te duiden, of zelfs te manipuleren, dat ze een letterlijke lezing van de Bijbel mogelijk maken’. Ik neem de resultaten van de natuurwetenschappen als zodanig volstrekt serieus en lees de bijbel anders dan ik vroeger deed: als het Woord van God, gericht tot mensen in hun tijd en hun omstandigheden en met hun kennis, waarin God zich openbaart in zijn Zoon, Jezus Christus, de Heiland der wereld. Ook tot ons, hier en nu.
Het geloof in het bestaan van de levende God laat zich niet bewijzen in de strikte zin van het woord. Maar dat hoeft ook niet; het geloof van de atheïst – ‘God bestaat niet’ – laat zich trouwens nog veel lastiger bewijzen. Vergeet niet dat het christelijk geloof leert dat wij mensen zondig zijn: dat houdt in dat we ons God van het lijf proberen te houden omdat we menen dat God ons stoort en van onze vrijheid berooft. God dringt zich niet als een bruut feit aan ons op, maar tikt ons eerder op de schouder en dingt naar onze hand. Hij meldt zich wel degelijk, er zijn alleen ‘ogen van geloof ’ nodig om Hem te ontdekken (ik citeer hier ‘Christelijke dogmatiek’, Van den Brink en Van der Kooi, 2012). Er zijn diverse gebeurtenissen en omstandigheden in mijn leven geweest, waardoor ik innerlijk overtuigd ben geraakt van het bestaan van de levende God. En er waren de ‘getuigen’. Zonder mijn getuigen zou een brief aan jullie er heel anders hebben uitgezien. Ontmoetingen met dergelijke mensen wens ik jullie ook toe.
Zorg dat je (ook in deze seculiere tijd) de kans niet laat lopen ze tegen te komen.
Ik heb dit keer uitgebreid geciteerd uit de bijdrage van prof. Gooijer. Het is van Wapenveld een uitstekend idee om door middel van een brief aan de doorleefde geloofservaring van senioren de ruimte te geven. Wie zelf door ‘getuigen’ op het spoor van God is gezet, wordt zo zelf opnieuw een getuige voor de lezers. Om te leren leven van verwondering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's