De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ZENDING EN ZELFSTANDIGHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZENDING EN ZELFSTANDIGHEID

Drie fasen in relatie tussen kerken in Nederland en Indonesië

9 minuten leestijd

Den 27en februarii 1605 doen is den admirael voor de eerste reyse aen t lant ende het casteel gevaren, alwaer het woort Goods gepredict worden met dancksegginge van de naemcondelicke victorie die Godt Almachtich hem voor sijne Meesters ende Heeren verleent hadde.

Aldus het verslag van de verovering van Ambon, door een VOC-vloot onder admiraal Van der Hagen, gevolgd door de eerste godsdienstoefening aan land in Azië gehouden.
De eerste protestantse godsdienstoefening, want de roomse missie heeft dan al bijna een eeuw in de Molukken gewerkt en er zijn op Ambon 16.000 christenen.
Maar Van der Hagen stuurt de missiepaters weg en de Molukse christenen worden ingelijfd bij de Gereformeerde Kerk.
Dat is het begin van de protestantse kerk in Indonesië (en in heel Azië), die daarmee ouder is dan die in Amerika. Vanaf dit begin tot op heden is er een hechte band tussen de kerken in Nederland en die in Indonesië. Eerst wordt die getekend door de koloniale situatie, nu is ze een relatie tussen (steeds meer) gelijkwaardige kerken. We kunnen drie perioden onderscheiden.

I De Indische kerk onder de VOC (1605-1799): Nederlandse structuren
De kerk in Indië is in de tijd onder de VOC als het ware een filiaal van de Gereformeerde Kerk in Nederland. Europese en Indonesische leden zijn niet gescheiden. Ze vieren samen het avondmaal (de Molukse vrouwen in een aparte ruimte, omdat ze volgens de adat, het Indonesische gewoonterecht, niet samen met mannen mogen eten).
Als er al gescheiden kerkdiensten zijn, is dat vanwege de taal. Er is in elk centrum één kerkenraad, met (op Ambon tenminste) evenveel Nederlandse als Indonesische ouderlingen en diakenen.
Maar: de predikanten komen bijna allemaal uit Nederland en hebben dezelfde opleiding ontvangen als hun collega’s daar.
De in Indië geldende kerkorde is een aangepaste versie van de Dordtse Kerkorde van 1619. Ook de liturgie en het onderwijs in de godsdienst zijn als in Nederland.
Naast de Bijbel wordt het hele Nederlandse kerkboek vertaald (met uitzondering van de Dordtse Leerregels) en de schoolkinderen leren de Maleise Heidelbergse Catechismus uit het hoofd.

‘DUIVELSDIENST’
Wat voor christenen en wat voor kerk brengt deze werkwijze voort?
Misschien moet je zeggen dat de verregaande gelijkschakeling met de kerk in Nederland juist een omgeving schept waarin de oude godsdienst ondergronds kan voortleven. Heidense praktijken worden door de christelijke overheid streng bestraft. Maar kerk en christelijk geloof blijven vreemde elementen.
De preken en het godsdienstonderwijs gaan niet of nauwelijks in op de geestelijke wereld van de mensen. De Nederlandse predikanten weten daar ook nauwelijks iets van af, ze noemen het heidendom ‘duivelsdienst’ en daarmee is de kous af.
Er worden wel boeken en boekjes in het Maleis geschreven, maar nooit door Indonesiërs en nooit uitgaand van de Indonesische leefwereld – met uitzondering, tot op zekere hoogte, van de twee bundels gedrukte preken die in 1648 en 1678 het licht zien.
Wat vooral opvalt is dat de dominees en de onderwijzers niet ‘vertellen’. Ze onderwijzen de leer van de kerk, maar nooit lees je in hun brieven en rapporten dat ze in een dorp een bijbels verhaal ‘vertelden’ en zo dichter bij de leefwereld van de mensen probeerden te komen, zoals later bijvoorbeeld Van de Loosdrecht dat in Torajaland deed.
Maar zo kan een christendom ontstaan waarnaast niet alleen het heidendom blijft voortbestaan, maar dat ook zelf doordesemd is van heidense beseffen, van magisch denken. Desondanks zijn de mensen christen en dat willen ze ook zijn. Op hun manier, maar toch: christen.

II 1800-1942: de zendeling als geestelijk leidsman
De periode na 1800 laat een groot verschil zien met de voorgaande tijd. Kerk en staat treden terug, zendingsverenigingen nemen het stokje over. De uitbreiding van de Nederlandse macht in de Archipel, de uitvinding van de stoomboot, de betere medische zorg, maken een geweldige expansie van de zending mogelijk.
Ambonese onderwijzers en evangelisten zijn daarbij onmisbare hulpkrachten. Zijn er in 1800 ongeveer 50.000 Indonesische protestanten − hoofdzakelijk in Batavia en op de Molukken en de Sangir-eilanden −, in 1900 is dat aantal gestegen tot bijna 300.000, en in 1942 tot 1.700.000, ‘van Sabang tot Merauke’. De groei gaat gelijk op met de vestiging van het Nederlandse gezag in afgelegen gebieden, zoals Torajaland, maar je kunt ook weer niet zeggen dat ze alleen door die vestiging is mogelijk gemaakt.
Er is ook een kwalitatieve verandering. In de VOC-periode bleven de meeste predikanten niet lang werkzaam: ze stierven (verreweg de meesten, en vaak na slechts enkele jaren) of ze repatrieerden.
De zendelingen gaan in principe uit voor het leven en de gemiddelde werktijd ligt bij hen inderdaad veel hoger. Ze hebben geen academische opleiding, maar dat gebrek (als het in de situatie van deze tijd een gebrek is) wordt meer dan gecompenseerd door de expertise die ze in die lange tijd opbouwen op het gebied van de taal, de kennis van godsdienst en cultuur, de vertrouwdheid met de bevolking.
Wat dat laatste betreft: de predikanten behoorden tot de koloniale elite − op de zendelingen met hun kleine traktementje kijken de Europeanen in Indië neer, en ze wonen meestal ook te midden van de inheemse bevolking.

INDIVIDU
Daar komt nog bij dat intussen in Europa op cultureel en godsdienstig gebied van alles gebeurt: de Verlichting, de Romantiek, het Reveil.
De zendelingen zijn over het algemeen orthodox, maar het gaat hun niet meer zozeer om de ‘leer’ als wel om de toepassing daarvan.
Meer dan vroeger gaat de aandacht naar de ziel van de individuele heiden en het individuele gemeentelid.
En: ze gaan het evangelie vertéllen. Zoals Kruyt, die aan koppensnellers de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan vertelt. Of Van de Loosdrecht, die in Toraja, waar rijkdom een teken van goddelijke gunst is, al is ze door roof verkregen, de mensen het verhaal van de rijke dwaas als een spiegel voorhoudt. Zo kan dat evangelie een breekijzer worden in de bestaande gewoonten en denkpatronen.
De aandacht voor het individu is zo sterk, dat men in vele gevallen ‘vergeet’ om aan kerkvorming te werken. In 1942, wanneer de Europese zendelingen worden geïnterneerd, is een aantal kerken inmiddels zelfstandig, maar ze staan nog onder Europese curatele. In een aantal minder ontwikkelde gebieden zijn er dan nog steeds geen kerkenraden en geen zelfstandige gemeentepredikanten met bevoegdheid de sacramenten te bedienen.
Daarin speelt ook het diepgewortelde Europese superioriteitsgevoel een rol. De Nederlander, christelijk of seculier, zendeling of bestuursambtenaar, is er diep van overtuigd dat hij boven de ‘inlander’ staat. Bij de zendeling neemt dat de vorm aan van een welwillend en zeer toegewijd paternalisme. Hij moet de kerk-inwording de weg wijzen, want ‘ze zijn nog niet rijp’ om die zelf te vinden.
Dat gevoel blijft tot 1942 toe. Ook bij de GZB, maar daar werkt men tenminste wel aan de opbouw van een kerkelijke organisatie; er komen kerkenraden, classes, en relatief snel ook geordende predikanten.

III 1942-heden: een gelijkwaardige relatie
Uit zichzelf geven de Nederlanders de leiding in de Indonesische kerken niet uit handen. Dan komen de Japanners, en ontnemen hen die leiding met geweld. Heeft de Heere God de Japanners gebruikt om de Nederlanders te dwingen de Indonesische kerken los te laten? In ieder geval: het gebeurde. Na de oorlog wordt Indonesië zelfstandig, en nog een paar jaar later maakt het geschil over Nieuw-Guinea dat de Nederlanders het land worden uitgejaagd. Ook de aanwezigheid van de zending wordt sterk beperkt.
Als de verhouding tussen de twee landen weer is verbeterd, zijn de Indonesische kerken intussen zozeer aan hun zelfstandigheid gewend dat de oude situatie niet meer terugkomt.
Een voorbeeld: tot 1957 wordt het normaal gevonden dat de zendingspredikanten van de GZB in Toraja zitting hebben in het synodebestuur van de kerk. Dan zijn er enkele jaren geen zendingspredikanten meer. In 1966 arriveert ds. Jacob de Heer. Hij krijgt de gewone plaats in het bestuur (beleefdheidshalve?) weer aangeboden. Maar ds. De Heer heeft de wijsheid te weigeren. Er komen meer Nederlanders, maar nooit meer heeft een van hen zitting in het leiding van de Torajakerk. En zo gaat het ook elders.

AMERIKAANSE INVLOEDEN
Hoe was en is de relatie dan? Er zijn drie kenmerken.
(1) De Indonesische kerken blijven de Nederlandse (of Duitse) zendelingen zien als de stichters van de nieuwe christelijke gemeenschap die binnen de oude gemeenschap ontstaat. De pioniers zijn de geestelijke voorouders, op hetzelfde niveau als de voorouders van de stam. Er ontstaan rond hen zelfs mythologische verhalen (ook over Van de Loosdrecht). De nu levende vertegenwoordigers van de zendende kerken en organisaties worden met alle egards ontvangen.
(2) Maar tegelijk gaan de kerken hun eigen weg. Ze oriënteren zich breed, proberen theologische antwoorden te vinden op de problemen van hun eigen leefwereld, die anders is dan de Nederlandse of de Duitse. De contacten met andere kerken in eigen land zijn belangrijker dan die met de moederkerken.
In het geval van de Torajakerk betekent dat ook dat men in zaken die in de GZB-kring belangrijk worden gevonden (vrouw in het ambt, gezangen in de eredienst) zich heeft aangepast aan de Indonesische omgeving. Omdat men het Nederlands of Duits niet meer beheerst, leest en vertaalt men vooral Engelstalige boeken.
(3) Dat betekent ook: meer Amerikaanse invloeden.
Voor 1942 had de koloniale overheid de komst van Amerikaanse zendelingen afgeremd; na 1945 valt die rem weg. Er is een toenemende invloed van met name het Amerikaanse evangelicalisme. Dat leidt tot de stichting van honderden evangelische kerken, maar heeft ook invloed in de uit de Europese zending voortgekomen kerken, zoals de Torajakerk.

SPIEGEL
Wat kunnen wij nog doen? In ieder geval meeleven, ons op de hoogte houden van wat in de kerk(en) daar gebeurt. Daarvoor is het goed dat nog enkelen namens ons daar werken. We kunnen bemoedigen.
We kunnen nu en dan de kerkelijke assen een druppeltje olie geven, dat wil zeggen een bescheiden financiële bijdrage (en asjeblieft niet meer dan dat).
We moeten hen in ieder geval respecteren zoals ze zijn, maar kunnen vervolgens misschien nu en dan een kritische opmerking plaatsen (je moet het recht om kritiek te oefenen wel eerst verdienen!).
We kunnen zeker naar die kerken kijken als in een spiegel: wat kunnen we van hen leren? We zouden misschien kunnen leren bepaalde eigenaardigheden van ons kerkelijk leven wat minder te verabsoluteren. En misschien kan kennis van het kerkelijk leven daar ons ertoe brengen ons af te vragen of misschien onze geloofsbeleving evengoed de sporen draagt van de omringende wereld als daar het geval is.

Tijdens de GZB-zendingsdag, aanstaande zaterdag, staat de 100-jarige relatie met Indonesië centraal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 2013

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

ZENDING EN ZELFSTANDIGHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 2013

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's