ALLES OVERGEVEN
Het gebed [2]
Je moet het maar overgeven, zeggen mensen nogal eens in een moeilijke situatie. Vaak beseffen ze nauwelijks wat daarmee is gezegd. Echte overgave betekent immers dat je, zoals Calvijn zegt, al je zorgen en angsten in Gods schoot neerlegt en je toevertrouwt aan Gods vaderlijke zorg en wil.
Eenswillendheid’ heet deze overgave met een plechtig woord. Zolang Gods wil overeenstemt met onze eigen voornemens en verlangens, is er geen vuiltje aan de lucht. Maar anders wordt het als Gods weg en wil frontaal in botsing komen met onze plannen en idealen. En dat gebeurt. Soms heel extreem.
Zo las ik een aantal jaren geleden over een vliegtuigongeluk in Ivoorkust. Onder de slachtoffers bevonden zich vier mensen die bij het bijbelvertaalwerk in Afrika betrokken waren, onder wie het echtpaar Bob en Ruth Chapman. Drie kinderen hadden ze gekregen, twee zoons en een dochter. Hun beide zoons waren overleden aan malaria. Toen waren ze nog met z’n drieën: vader, moeder en hun enige dochter. Maar na die ramp met het vliegtuig bleef dat meisje alléén over. Erin heet ze, destijds goed twintig jaar. Van jongs af heeft ze leren bidden. De Chapmans waren godvrezende mensen. Hoe talloos vaak zullen ze in gezinsverband niet hebben gebeden: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt…, Uw wil geschiede’. En nu moest Erin dat moederziel alleen bidden: ‘Vader, Uw wil geschiede. Leer me volgen waar U gaat, hoe steil en onbegaanbaar Uw weg ook is en hoe zwaar me die ook valt.’
GAVE
Begrijpen we dit? Het lijkt zo eenvoudig eenvoudig: alles maar over te geven aan God. En het ís ook eenvoudig. Maar niet als je het in eigen kracht moet doen. Dan is het ronduit onmogelijk. Het is alleen dán eenvoudig, als je mag geloven dat God een Vader is die alle dingen, ook het ongerijmde en ondraaglijke, doet medewerken ten goede.
Overgave is een complete capitulatie, tegen de drang van eigen vlees en bloed in. Daar is geen sterveling van huis uit toe geneigd en nog minder toe in staat. Het hoge woord moet eruit: gebedsovergave is geen prestatie van beneden, maar een gave van hogerhand. Saulus van Tarsen overkwam het. Hoog zat hij te paard. Zelfbewust. Zeker van zijn zaak, die hij zonder aarzelen vereenzelvigde met de zaak van God. In eigen oog een ridder Gods. Maar toen het zinderende licht van de verhoogde Christus hem uit het zadel stootte, ging hij door de knieën. En hij stond uit deze gebedsgestalte bij wijze van spreken nooit meer op. De ridder werd een bidder, en hij bleef het levenslang. ‘Zie, hij bidt’, zei de Heere tegen Ananias over die bloeddorstige wolf. Zo mak als een lam. Jawel, weerbaar als een leeuw zodra het om de eer en de naam van zijn Meester ging, maar zo weerloos als een lam als het zijn eigen wil en planning betrof. Hoor maar: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’
WONDER
Deze gebedsovergave is werkelijk een wonder. Het wordt door genade verwekt. Vlees bidt niet. Sedert Genesis 3 al niet meer. Daar is de aanbidding gestaakt en de gebedsadem gestokt. De gevallen mens eist zijn rechten, of hij mokt en mort opstandig onder de pijn van het leven, maar bidden is er niet bij. Het vat geeft uit wat erin zit. En wat er niet in zit, komt er niet uit.
De weg verkennen naar de levende God komt bij geen sterveling op, laat staan dat hij die weg zou betreden. Adams route voert van God af. En niets brengt daarin een keer. ‘Nood leert bidden’, luidt het spreekwoord. Maar het is niet waar. Vergeet het maar. Niet nood leert bidden, maar God. Dat Hij daarbij gebruik kan maken van de noden in het leven, zal waar zijn. Maar het zijn niet de omstandigheden die ons leren bidden, maar het Woord en de Geest van God. Het initiatief ligt aan Gods kant.
Gebedsovergave is werkelijk een wonder
COMMUNICATIE
Met Calvijn is het gebed te omschrijven als de communicatie tussen God en mens, als een vertrouwelijke samenspraak met de Heere. Dat is niet te veel gezegd. Wel dient zich de vraag aan door wie die communicatie wordt gesticht. Want ze ligt verbroken. Onherstelbaar onzerzijds. Het is louter God die in vrijwillige genade het gesprek heropent en de gemeenschap herstelt. Aan elke gebedsweg die wij betreden, gaat het wonder van Gods genade vooraf. Voordat een sterveling zijn ziel opheft naar omhoog, buigt de Heere Zijn hart naar omlaag. Zo opent Hij de weg van het gebed. Hoe precies? Door van Zijn heilige hoogte af te dalen in Zijn Woord en door ons van onze zelfgenoegzame hoogte af te brengen naar het dal. Dat dal is niets anders dan de ootmoed van de overgave. Dat is het trefpunt met God, de plaats waar Hij ons wil ontvangen en wij Hem mogen ontmoeten.
Het is daar waar wij niets meer in te brengen hebben dan een hulpbehoevend hart, zoals een vogeltje zijn snavel openspert in het moedernest. In de hongerige begeerte die zich verlaat op Gods belofterijke gebod: ‘Doe uw mond wijd open, Ik zal hem vervullen.’
ONBESCHAAMD
Deze overgave aan God moet u dan ook maar nooit verwarren met doffe berusting of met onverschilligheid. Nee, wie zich aan de Heere overgeeft, vertrouwt zich toe aan Zijn beloften. Calvijn noemt dat zo treffend en trefzeker: ‘appelleren aan Gods beloften’. Daar doet het gelovige gebed een beroep op. We staan niet op onze eigen rechten – welke zouden dat in de lichtval van Gods heiligheid ooit kunnen zijn? Maar we mogen ons gronden op Gods genaderecht, het voorrecht dat Hij ons zelf heeft aangereikt: ‘Roep Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen.’ Op grond dáárvan smeek ik: ‘Doe mij recht, o God! Gedenk het woord tot Uw knecht gesproken.’ In dit door God Zelf verwekte pleidooi mogen we tot in het onbeschaamde gaan. Zoals Jakob deed: ‘Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent.’ Dat heeft niets
met brutaliteit te maken. Het is een kwestie van nood. En nood breekt wet. We zijn gewoonweg te arm en behoeftig om de Heere níet lastig te vallen. Ik kan u verzekeren dat onze God deze heilige onbeschaamdheid niemand verwijt en ook dat Hij op onze verlegenheid volstrekt is berekend.
Het ogenschijnlijk ootmoedige bezwaar dat een mens hier te onwaardig voor is, zou in werkelijkheid wel eens uit trots kunnen voortkomen. Vinden wij het misschien beneden onze waardigheid om onze bedelende hand te blijven ophouden? Wie bidt met overgave, legt deze arrogantie af. Die hééft niet alleen een gebed, maar die ís één en al gebed.
ARMLASTIG
Hoe fnuikend dit ook is voor ons gevoel van eigenwaarde, juist voor deze armlastigheid liggen schatten gereed. In eigen engte gaat de ruimte van Gods goedgeefsheid open. Daar hoeven we geen status van geschiktheid en bekwaamheid te etaleren, zoals de farizeeër deed. We mogen daar slechts ‘de zondaar’ zijn, die de tollenaar was.
De veel gehoorde klacht: ‘Ik kan niet bidden’ zou wel eens op een droggrond kunnen rusten. Alsof we om te bidden iets moeten kunnen! Bidden is veeleer een acte van volslagen onvermogen. Het is tot niets in staat zijn dan tot vlucht en overgave, en zo onbeholpen als we zijn uitwijken naar God die armzaligen binnenlaat en zwervers onderdak verschaft. Dat had dat zwervertje in de straten van Londen goed begrepen. Hij liep langs een herenhuis waarop een bord was aangebracht met de mededeling dat men daar daklozen opnam. Hij belde aan en een deftige heer deed open. ‘Zou ik hier binnen mogen, mijnheer, alstublieft?’ ‘Jazeker, als jij een aanbeveling hebt van een bevoegde instantie.’ Het ventje stond beteuterd te kijken, want zo’n document bezat hij niet. Maar daar kreeg hij een inval en hij zei: ‘Meneer, ik heb geen brief op zak, maar zou dít misschien mijn aanbeveling kunnen zijn?’ En toen wees hij op de scheuren in zijn broek, de rafels aan zijn jasje, de gaten in zijn schoenen en op zijn magere knietjes. ‘Kom jij er maar in’, zei die deftige meneer, die de huisvader was.
Zoveel te meer zet de Heere Zijn huis en vaderhart open voor ieder die te arm en ellendig is om Hem te kunnen missen. Echt, wie onbeholpen tot Hem gaat, zal niet ongeholpen zijn.
TOEGANGSBEWIJS
Op de gebedsweg hoeven we ons dus niet op te poetsen. De Heere vraagt geen toegangsbewijs. Hij heft geen tol en vergt geen prestaties. Kohlbrugge heeft eens raak opgemerkt: ‘De huichelaar en de duivel sporen altijd aan tot doen; de Heilige Geest tot bidden.’ In dit bidden zien we af van alle eigen bijdragen. Van heel die eigen inbreng wordt een mens waarlijk niet wijzer of waardiger.
Weten we waar het in het gebed op aan komt? Op de hartgrondige belijdenis dat er niets meer op óns aankomt, maar alles op genade alleen. Genade voor een onwaardige. Dat is overgave. In dit passief klinkende woord overgave is nu precies de grondactiviteit van het gebed gelegen. Maar het is een activiteit die alles alleen van de Heere verwacht. Ze schikt zich naar Zijn vaderlijke wil. Deze overgave kan dus nooit een verkapte poging zijn om Gods wil te conformeren aan de onze. Het is juist andersom. Wie zich aan de Heere toevertrouwt, conformeert zich aan Zijn wil.
GRENS
Maar je mag daarbij op grond van heel de Bijbel weten en geloven dat Gods wil heilzaam is en goed, ook wanneer Zijn weg door onherbergzame oorden voert. Deze horigheid aan Gods wil is de blijvende grondtrek van alle gebed. Calvijn legde die aan de dag toen hij naar Genève teruggeroepen werd en het gevoel had dat hij op de pijnbank werd gelegd: ‘Ik breng mijn hart als een slachtoffer aan de Heere ten offer.’ Het werd zijn levensdevies.
Mogen we dan niet al onze verlangens kenbaar maken aan de Heere? Jawel, voor zover ze stroken met Gods geboden en beloften. En krijgen we dán alles wat we maar begeren? Nee, we verkrijgen alleen wat Vader raadzaam acht en heilzaam. God zou geen Vader zijn als Hij niet ook ‘nee’ kon zeggen. Hij weet wat goed is.
Maar kunnen ook wij dat nu weten? In principe wel. Om alle goeds dat de Heere in de Schrift heeft beloofd, mogen we met vrijmoedigheid bidden. Maar als we die grond níet onder de voeten hebben, is het ons niet geraden Hem iets op te dringen.
De beloften vormen dus enerzijds de grónd van ons gebed (ze geven ons vrijmoedigheid, permissie), maar anderzijds vormen ze ook de gréns van het gebed, omdat ze onze begeerten besnoeien. Gods Woord opent ons de toegang tot het onmetelijke veld van Gods beschikbare gaven, maar geeft meteen ook de perken aan waarbinnen onze vragen zich mogen bewegen. Deze perken moeten we maar niet te buiten gaan.
Ook binnen die perken past het ons niet de Heere iets voor te schrijven. De enige ‘dwang’ die we mogen uitoefenen is het beroep op Zijn genadebetoon. Maar hoe Hij dat concreet invult, is aan Hem. We kunnen de Heere niet sommeren ons op onze wenken te bedienen, laat staan dat we Hem onze zelfbedachte ontwerpen konden dicteren. Ook ons vurigste begeren mag nooit chantagemiddel zijn. Het gebed blijft overgave. We leggen ons verlangen in Zijn hand. Wat de Heere ermee doet, is aan Hem. De ziel van het gebed wordt dus gevormd door de woorden: ’Uw wil geschiede’. Vergeten we daarbij nooit dat het niemand minder dan de Heere Jezus is die het ons zo letterlijk heeft voorgezegd, en vooral ook dit niet, dat de Heiland Zelf het in de nacht van de Olijvenhof, door ongekende bestrijdingen heen, heeft voorgelééfd.
ONDERWERPING
Het verrassende is dat de onderwerping aan God reeds een wezenlijke verhoring van het gebed uitmaakt. Als we onze eigen ideeën over verhoring prijsgeven, vertrouwen we ons restloos toe aan Gods wijze van verhoren. En zou die beste van alle vaders niet weten wat voor ons het beste is? Dit bedoelt Psalm 37: ‘Verlustig u in de Heere, en Hij zal u geven de begeerte van uw hart.’ Wiens lust en leven in God gelegen is, die ontvangt wat zijn hart begeert. Wat begeert het? Wat God behaagt en wat Hij heeft beloofd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's