PLAATS IN DE GEMEENTE
Wie is de christen? Is hij verloste? Of is hij zondaar? En hoe krijgt dat een plaats in de verkondiging? Twee gemeenteleden − één van hen is predikant − gaan rond dit thema met elkaar in gesprek. Vandaag de derde en laatste brief.
Beste dominee,
Hartelijk dank voor uw reactie. U sluit af met de vraag hoe ik, met de kritiek die ik heb, vruchtbaar mijn plek in de gemeente inneem. Ik denk meteen aan de woorden van Jezus: ‘Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen.’ Om vrucht te kunnen dragen kan ik niet zonder de Heere Jezus, zonder Zijn levende een krachtige Woord. Anders heb ik ook niets om uit te delen.
Ik voed mij in geestelijke zin met het bezoeken van de kerkdiensten, het beluisteren via internet van preken en lezingen, het bezoeken van mannendagen, het lezen van theologische boeken liefst van de meest uiteenlopende theologen (Van de Beek, Bavinck, Ouweneel) en het actief deelnemen aan een bijbelstudiekring. Daarnaast houd ik elke avond een halfuur stille tijd om een stukje uit de Bijbel te lezen en te overdenken. Dit alles is voor mij geen verplichting maar iets wat mijn hart heeft. Ik ben bevoorrecht om in een land te leven en in een positie te zijn waarin dit allemaal mogelijk is.
Gaandeweg mijn leven ben ik ook steeds meer gaan beseffen dat ik al deze dingen alleen aan God te danken heb. Hij heeft mij in Jezus Christus uitverkoren voor de grondlegging der wereld.
U geeft aan dat u mijn frustratie proeft dat niet alles met die intensiteit, radicaliteit en totaliteit van de grond komt zoals ik het graag in de gemeente zou willen zien. Het gevaar dreigt echter dat ik daardoor alles wat er in de gemeente plaatsvindt negatief ga benaderen. Dat is een uitermate onvruchtbare houding en daarmee dien ik de gemeente niet. Het is voor mij zoeken om kritiek op een goede manier aan de orde te stellen. Dit is overigens iets wat niet zo makkelijk is. Het is eenvoudiger om de zaken op hun beloop te laten en maar te hopen op andere tijden. Een afwijkende mening uitdragen vergt energie en tijd. Toch heb ik gemerkt dat het uiten van je zorgen de moeite waard is. Dit kan het beste door het gesprek met een kerkenraadslid aan te gaan of door het schrijven van een brief. Met opbouwende kritiek kunnen we elkaar scherp houden en ze kan ook dienstbaar zijn aan de gemeente. Ik heb gemerkt dat kerkraadsleden zeker bereid zijn te luisteren. Dikwijls zijn ze het ook nog met me eens, maar ontbreken de moed en de wil om dingen anders aan te pakken.
Het is mijn verlangen als gemeente tot Christus te komen en als levende stenen gebouwd te worden tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus (1 Petr.2). Geloven is geen privéaangelegenheid. De leden van de gemeente zijn aan elkaar gegeven om met elkaar dienstbaar te zijn aan God en aan elkaar. Daarom probeer ik zo veel mogelijk datgene wat ik heb mogen ontdekken in de Bijbel te delen. Hiervoor biedt de bijbelkring een uitstekende mogelijkheid. Ik kijk er elke weer naar uit om met broeders en zusters in het geloof bij elkaar te komen en de meest wezenlijke dingen te delen. De ontmoeting met andere christenen is voor mij onmisbaar. Het versterkt je als je weet dat er nog meer mensen gegrepen zijn door Jezus Christus en dat je samen Zijn gemeente mag zijn.
Het is echter niet zo dat het hier bij mag blijven. Het Woord moet de wereld in. Ik schreef u al eerder dat hier in onze gemeente weinig aandacht voor is. Met de mond wordt wel beleden dat dit belangrijk is, maar de gemeente wordt er niet voor toegerust. Ik probeer hier steeds weer aandacht voor te vragen, niet alleen omdat ik actief ben in het evangelisatiewerk maar ook omdat het van wezenlijk belang is. Net als veel andere gemeenteleden woon en werk ik in een omgeving waar mensen niet bekend zijn met het Evangelie. Als we doen of deze werkelijkheid niet bestaat en er zelfs geen gebed is voor de gemeenteleden om een krachtige en heldere getuige te mogen zijn op de plek waar ze gesteld zijn, hebben we een probleem.
Ten slotte, het heeft me moeite gekost om de dingen die me bezighouden op papier te zetten. Soms heb ik me ook kritisch uitgelaten over de gang van zaken binnen de gemeente. Ik hoop dat u geproefd hebt dat ik dit doe uit bezorgdheid. Ik vond het fijn om uw brieven te lezen en dank u hartelijk voor uw antwoord en advies.
Met vriendelijke groet, JOHAN
Beste Johan,
De laatste brief alweer. Bedankt voor alle dingen die je gedeeld hebt. In ieder geval heb ik het als winst ervaren om naar je luisteren en met je mee te denken. De vragen die je stelt, de opmerkingen die je maakt raken immers ook mijn geestelijk leven en bezig zijn als predikant. Ik hoop dat ook anderen (gemeenteleden en kerkenraden) er hun voordeel mee kunnen doen.
We zijn immers niet gemeente voor onszelf. Elke zondag keren we na een werkweek terug naar het huis van de gemeente voor de dienst aan God. Zo mogen we de week beginnen met de lof aan God, krijgen we te horen wat de Geest tot de gemeente te zeggen heeft en worden we toegerust voor het dienen van God in ons alledaagse leven. Mooi dat dit samen op gaat en niet in concurrentie is met elkaar. Laten we als gemeentes dit helder voor ogen houden of weer krijgen.
Terwijl ik jouw brief las, dacht ik ook aan 1 Korinthe 12. Misschien heeft jouw frustratie ook wel daarmee te maken dat de gelovige leden van de gemeente ook elk hun eigen taak hebben binnen het lichaam van de gemeente. Iedereen krijgt een andere plek en ziet, beleeft en doet de dingen daarom ook anders. Dit bedoel ik niet als relativering voor lauwheid of naar binnen gerichtheid. Wel bedoel ik dit als een sterke aansporing om zelf – door de kracht van de Heilige Geest – te doen waarvoor je je geroepen weet. Dat is zoveel meer vruchtbaar dan je te irriteren aan de ander, die misschien met dingen bezig is waar je echt het nut niet van ziet of voor wie de wereld buiten de kerkmuren in eerste instantie niet in zicht komt.
Het zal niet voor niets zijn dat Paulus na het hoofdstuk over het lichaam met haar Hoofd en ledematen begint over een weg ‘die dit alles nog overtreft’ (1 Kor.12:31). De liefde voor Christus en de liefde tot elkaar én tot allen (1 Thess.3:12) zal boven alles binden of is afwezig. Dan is er niets te beginnen, maar moeten eerst geloof en bekering volgen.
Waar de liefde wel is kunnen de tuinman van de gemeente en de leden van de evangelisatiecommissie elkaar vinden in de liefde (met daden) tot het Hoofd Christus. Waar de liefde wel is zullen de leden van de oud papiercommissie wellicht tot hun verrassing opeens een goed woord spreken over hun Zaligmaker. Waar de liefde is kun je geduld hebben met de zwakkeren en kijk je misschien met verlangen naar de sterkeren. ‘Laat de een de ander voortreffelijker achten dan zichzelf (Fil.2:3). Dat neemt niet weg dat er kritiek gegeven mag en moet worden. Toen ik ooit belijdenis
deed zei de predikant: je hebt een ‘recht’ en een ‘plicht.’ Recht op onder andere bijbelse verkondiging van het Evangelie en je hebt een plicht om mij of anderen erop te wijzen als dit ontbreekt of mank gaat. Ook dan geldt het adagium van de liefde. De liefde die zichzelf niet zoekt, de liefde die geduldig is, de liefde die weet: voordat ik het helder zag, duurde het ook best wel even…; dan is het ook niet vreemd dat het bij een ander doordringt wat ik bedoel. En… de wijsheid heeft niemand persoonlijk in pacht. Samen met al de heiligen verstaan we maar ‘iets’ van het geheim van Gods liefde in Christus.
Tegenover de genade van God in Christus zinkt onze wederliefde als gelovigen, onze levenswandel als heiligen in het niet
Met die uitdrukking (‘iets’) kom ik bij de rode draad door deze briefwisseling. Hoe zit het met de gelovigen? Ligt de zonde achter hen en zijn ze al klaar met hun bekering? Ik heb sterk benadrukt dat alles in Christus ligt. Dat God ons voor rechtvaardig én heilig houdt en dat aan ons toerekent en in ons leven uitwerkt. De catechismus drukt treffend uit dat dit om een ‘klein beginsel van gehoorzaamheid’ gaat. Dat zegt de catechismus vanuit een diep besef: tegenover de machtige, overvloedige en onvoorstelbare genade van God in Christus zinkt onze wederliefde als gelovigen, onze levenswandel als heiligen in het niet. Het is genade van begin tot eind. God wordt mij niet zat, raakt in dit opzicht niet in mij teleurgesteld, want Hij weet wat Hij van mij te verwachten heeft. Al val ik misschien niet als David in overspel en moord of verloochen ik als Petrus niet mijn Heiland, er is zoveel wat ik wel wil en moet, maar niet doe.
In mijn vorige brief beloofde ik nog te schrijven over de gemeentezang. In De Waarheidsvriend is daarover de laatste tijd al meer geschreven. De psalmen zingen we als gemeente met liefde en voorkeur, niet alleen vanwege onze verbondenheid met Israël maar vooral ook vanuit onze verbondenheid met Christus, ons Hoofd. In alle omstandigheden vond Hij woorden voor Zijn lof én klacht in de psalmen die zondaars − voor wie Hij leed − gedicht hebben. Gods zegen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's