FREYJA EN DE APOSTELEN
Dr. H. Vreekamp raakt in derde deel Veluwetrilogie hoogste toon
Als weinig anderen is dr. H. Vreekamp bekend met heidendom, jodendom en christendom in hun onderlinge verhouding. In drie boeken heeft hij, zelf zoon van de Veluwe, de resultaten van zijn zoek- en voettochten op de Veluwe vastgelegd.
Eerder verschenen Zwijgen bij volle maan en De tovenaar en de dominee. Nu heeft de emeritus predikant uit Epe zijn Veluwse trilogie voltooid met Als Freya zich laat zien. De code van het christendom. Hier komt dr. Vreekamp helemaal uit de knop, naar mijn oordeel op de hoogste toon in de trilogie, in een taalveld dat er zijn mag. Met verwijzingen naar vele, vaak ook vergeten of ondergewaardeerde Schriftplaatsen, in het fraaie ‘Nederbreeuws’ van de Naardense bijbel.
PATROON
Het boek heeft een aansprekende compositie, een vast patroon. Freya, godin van de liefde bij de Germanen, krijgt uit handen van een gemaskerde vrouw een op perkament geschreven tekst: ‘Ic gelyfe on God’. Zo luidt het begin van het Apostolicum, ‘de oertekst van het christelijk geloof ’ in oude Angelsaksische taal. (Zie vertaling hiernaast.) Ze gaat in Epe en omgeving wandelen met telkens een van de apostelen, die haar één voor één een artikel van het Apostolicum uitleggen. Elk hoofdstuk laat dr. Vreekamp beginnen met een natuurbeschrijving. Hij presenteert elementen en symbolen uit de oude Maartenskerk van Epe of van historische plekken in de omgeving (zoals Het Ruwe Veen, Schaveren, Galgenberg, Koningshout), die passen bij het aan de orde zijnde geloofsartikel. De Joodse religie vormt schering en inslag in de beschrijvingen. Ook de Heliand, een oud-Saksisch episch gedicht over het leven van Jezus (ca. 525), komt regelmatig voor het voetlicht. Maar steeds draait het om de vraag ‘Wat is de onvervreemdbare kern van het christelijk geloof ?’ En daarover valt een vaak verrassend licht. Ik doe een greep en beperk me tot drie momenten.
VADER
‘Ik geloof in God, Vader.’ In het Oude Testament is God de Vader van Zijn zoon Israël, Zijn ‘eersteling’. Prachtig zoals dr. Vreekamp dat uitwerkt, zonder dat anderen zijn uitgesloten (Mal.2:10). Want in Israël heeft Hij één bijzondere Zoon. ‘U bent de Christus, de zoon van de levende God.’ Maar waar is dan de moeder? Hier benadrukt dr. Vreekamp het moederlijke in God, vanuit vele Schriftplaatsen. Vooral vanuit het scheppingsverhaal. De mens wordt gemaakt naar het beeld van God: mannelijk en vrouwelijk. God is geen man, God is geen vrouw, maar mannelijk en vrouwelijk tegelijk. De rommelende ingewanden van God (Jer. 31:20) staan voor de baarmoeder. God ontfermt Zich over Zijn Zoon, Zijn kind(eren), als een moeder die troost. Ook afvallige kinderen blijft Hij erbij roepen. Hier krijgt het patriarchale, de man die met vadermacht of zelfs geweld heerst over de vrouw, de doodsteek. Hier rijst ook een totaal ander beeld op van de Vader dan die in het Germaanse heidendom met zijn heldhaftige goden. Hoewel de Vader ook de toornende God kan zijn, al was het alleen al op Golgotha.
SCHEPPING
Als tweede moment noem ik het geloof in de Schepper. Hier geen langgerekte, vaak vruchteloze discussie over de uitleg van de ‘zes dagen’. Duisternis lag op de oervloed, ‘de woeste vormeloze aarde’. Dan roept God het licht tevoorschijn en gaat Hij orde scheppen in de chaos. Om te eindigen op de sjabbat, de dag van de rust. Dr. Vreekamp laat Petrus zeggen: ‘De Bijbel vertelt het mysterie van de schepping als een verhaal. In taal die van een dichter afkomstig is en voor de oren van een kind bestemd.’ De wetenschap zoekt het in de taal van het denken, ‘redelijk en kritisch’. De Bijbel heeft het óók over het heelal, maar zegt dan ‘hemel en aarde’. Dat is kort en krachtig. Het geloof ‘weet’ meer dan de wetenschap. De hemel is voor de wetenschap verborgen. Het is een hoopvolle gedachte dat wat woest en ledig was door God is omgevormd tot een levensruimte voor de mens: ‘Niet voor een woest-en-ledig heeft hij haar geschapen, om er te zetelen heeft hij haar gegrond’ (Jes.45:18 in de Naardense Bijbel).
JEZUS CHRISTUS
Het hoogtepunt in het boek is wat aan de orde komt in de hoofdstukken over de Christusbelijdenis. Dat Jezus leed, moest lijden, wil er bij Freya niet in. Maar dr. Vreekamp laat Jesaja 53 de revue passeren, het hoofdstuk over ‘de lijdende Knecht’. Alle mensen, zowel Joden als heidenen, stoten zich aan ‘deze lijdende Messias’ (Mark.10:33). Maar ‘het is dit lijden van Jezus dat in de verzoening, ook de zonden, de schuld wegdraagt’. Hier komt dr. Vreekamp duidelijk in conflict met het jodendom, dat hem dierbaar en vertrouwd is, maar dat rondom het jaar 1000 Jesaja 53 terzijde heeft gesteld, omdat christenen in dit hoofdstuk profetisch getekend hebben gezien het kruislijden van Christus als het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt. Wel stelt dr. Vreekamp dat de vraag of Jezus de Messias is ‘tussen Jood en heiden’ open blijft tot het einde der tijden. Dr. Vreekamp zelf gaat intussen steeds ‘van Mozes naar Jezus en omgekeerd’.
Het was daarom echter tekenend dat de vrouwelijke (liberale) rabbijn Tamarah Bemima tijdens de presentatie van het boek in de Grote Kerk van Epe de inhoud met betrekking tot de belijdenis van Jezus Christus als de beloofde Messias onder scherpe kritiek plaatste. De kloof van Joden en christenen wat betreft de Messias kwam hier scherp aan het licht. Overigens plaats ik hier wel een kanttekening. Bij de Galgenberg tekent dr. Vreekamp de kruisiging in alle verschrikkingen, tot in de meest gruwelijke details. Jesaja 53 tekent het Lam in Zijn lijden echter ook ‘als iemand voor wie men het gelaat verbergt’ (vs.3). Die uitvoerige beschrijving van het lichamelijke lijden, van de foltering had mijn inziens ingetogener gekund. De godverlatenheid gaat immers het diepst, niet te peilen. Daar laat dr. Vreekamp het kruislijden dan ook op uitlopen, in enkele regels. Met Psalm 22:2.
VRAGEN
Graag zou ik nog verder met de apostelen en Freyja, en dus met dr. Vreekamp op de achtergrond, meelopen langs al die andere plekken waar de artikelen van het Apostolicum opengaan. Van de grafheuvel en het Hol (het ‘neerstijgen’ in de hel), via Nierssen (de opstanding) tot aan de laatste pleisterplaats, de rivier, waar het gaat over het woordje amen: ‘De Amen, de trouwe getuige, het begin van de schepping Gods’. Met ‘melk en honing als voorsmaak van het beloofde land’. Maar er moet ook ruimte zijn voor enkele vragen. Vanwege de meeslepende taal zou men die gemakkelijk over het hoofd kunnen zien. In het hoofdstuk ‘De theologische hut’, over de belijdenis aangaande ‘de eniggeboren Zoon’, schetst dr. Vreekamp uitvoerig de ontwikkeling van de vrijzinnig hervormde gemeente Epe op ‘de overigens zo rechtzinnige Veluwe’. Naast de beschrijving van vrijzinnig Epe (zie ‘Globaal bekeken’ in De Waarheidsvriend van 4 november 2013) zou enige duiding van vrijzinnigheid op zijn plaats zijn geweest. Dr. Vreekamp plaatst de Germaanse goden Wodan, Thor en Freyja ook in de ‘vergadering der goden’, als ‘zonen van de Allerhoogste’ (Ps.82:60). Zo positief ? Of behoren ze tot het rijk der demonen? Jezus was zonder zonde. Toch houdt dr. Vreekamp open hoe de relatie tussen Jezus en Maria Magdalena is geweest: ’Hij was mens als wij, van vlees en bloed, het zou dus vreemd geweest zijn als hij het aardse leven niet in al zijn facetten had leren kennen. De wereld van het Hooglied van de liefde was hem niet onbekend.’ Hoe ver gaat dat, gegeven het ‘zonder zonde’? Bij alle waardering voor de beschrijving van de schepping stel ik toch de vraag naar de historiciteit wat betreft de unieke schepping van de mens en de zondeval. De vraag wanneer ‘in den beginne’ was en hoe lang de aarde woest en ledig bleef, voorafgaand aan de scheppingsdagen, laat Genesis 1 onbeantwoord. Maar lag het kwaad dan al in de chaos? Ik vraag dit met name ook omdat dr. Vreekamp spreekt over het ‘bittere raadsel’ van de schepping en hij ‘de roofzucht van mens en dier’ in ‘de dreigende chaos’ plaatst (77). Dr. G. van den Brink stelde bij de presentatie van het boek de terechte vraag of ‘ondanks de krachtige taal over het laatste oordeel, het raadsel van de wereldgeschiedenis uiteindelijk toch niet snel in universalistische zin (dus in de zin van een allen en alles omvattende verzoening) wordt opgelost’.
DOOP
Nog één wezenlijk aspect. De doop komt door het hele boek heen aan de orde. ‘De kerk kom je niet binnen dan door het water, het doopwater.’ Dat behoort ook tot ‘de code van het christendom’. Die code komt in dit boek als ‘onvervreemdbare kern van het christelijke geloof ’ in alle toonaarden rijk voor het voetlicht.
Dr.ir. J. van der Graaf uit Huizen is voormalig algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond.
HET KLEINE CREDO
1. Ik geloof
2. in God,
3. Vader
4. Almachtige
5. Schepper van de hemel en de aarde;
6. en ik geloof in de Heiland Christus,
7. Zijn eniggeboren Zoon,
8. onze Heer,
9. die was ontvangen door de Heilige Geest, en gebaard door Maria de maagd,
10. geleden onder Pontius Pilatus,
11. aan het kruishout gehangen,
12. Hij was dood en begraven,
1 3. en Hij steeg neer in de hel,
14. en Hij verrees uit de dood op de derde dag,
15. en Hij steeg op naar de hemel,
16. en zit nu aan de rechterzijde van God, de Almachtige Vader,
17. vanwaar Hij zal komen
18. om iedereen te oordelen, zowel de levenden als de doden.
19. En ik geloof in de Heilige Geest,
20. en de heilige gemeente, en de heilige gemeenschap,
21. en vergeving van de zonden,
22. en de opstanding van het vlees,
23. en daarna eeuwig leven.
24. Moge dit zo zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 2013
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's