GOD IN DE LETTEREN
Uit de pers
Het jaar 2013 eindigde met het bericht dat de schrijver Willem Jan Otten de P.C. Hooftprijs ontvangt. Ik kan me nog goed herinneren dat hij in 2005 de Libris literatuurprijs won voor Specht en zoon, een spannende, beeldende roman die grote thema’s van het leven – schuld en vergeving – verwerkt. Die prijs voelde toen niet alleen als een erkenning voor zijn schrijverschap maar ook wel van zijn keuze voor het christelijke geloof.
TROUW
Emeritus hoogleraar letterkunde Jaap Goedegebuure schreef in Trouw van 4 januari een beschouwing onder de titel ‘God mag weer in de letteren’. Hij citeert de schrijver Joost Zwagerman, die er in Amerika achter kwam dat religie daar niet op gespannen voet hoeft te staan met artistiek en vernieuwend. Dat is in Nederland wel anders.
‘Veel kunstkenners en literatuurspecialisten, dat wil zeggen mensen die er stelselmatig van uitgaan dat zij het verlichte en weldenkende deel van de natie vertegenwoordigen, beschouwen religie als een historisch relict dat buiten de Amsterdamse grachtengordel nog schijnt te bestaan, maar daarbinnen alleen nog maar een meewarig lachje opwekt.’ (…)
Als voorbeeld van iemand die jarenlang smalende commentaren te horen kreeg over zijn werk, noemt Zwagerman Willem Jan Otten. Goedegebuure valt hem bij:
Het verhalende gedicht ‘De vlek’ (2011) dat op een indirecte manier de navolging van Christus verbeeldt, werd (…) afgedaan als ‘een te nadrukkelijke, katholieke zoekplaat’. Cloosterman [recensent, GvM] kwalificeerde het als een ‘mierzoete praline’ die zo vol zat met katholieke elementen en symboliek ‘dat het steeds moeilijker wordt haar serieus te nemen’. Terecht constateerde Otten in het Nederlands Dagblad naar aanleiding van de hem toegekende P.C. Hooftprijs, dat bij alle openheid voor religie en spiritualiteit de deuren weer dichtgaan zodra het gesprek de kant van het christelijk geloof op gaat.
Maar Goedegebuure ziet langzamerhand een omslag, ook al formuleert hij voorzichtig:
Sinds enige tijd begint het erop te lijken dat ook dag- en weekbladcritici (de al genoemde negatieve reacties op Willem Jan Ottens gedicht ‘De vlek’ en Vonne van der Meers roman ‘Het smalle pad van de liefde’ daargelaten) zich wat ontvankelijker en toleranter opstellen wanneer ze worden geconfronteerd met schrijvers die hun levensbeschouwing incorporeren in hun werk. Was NRC in het verleden hét podium voor religiekritiek, nu kregen Vonne van der Meer en Stevo Akkerman er recentelijk een welwillende ontvangst van criticus Arjen Fortuin. Ze werden niet alleen literair geprezen, ook hun religieuze thematiek werd met respect behandeld. Dat Jan Siebelinks ‘Knielen op een bed violen’ niet alleen succesvol was bij een groot en breed samengesteld publiek, maar ook bij literaire voor- en fijnproevers en bij de jury van de prestigieuze AKOprijs, is zeer veelzeggend.
Je mag gerust spreken van een nieuwe openheid, en dat van meer dan één kant. Onkerkelijke politici als Job Cohen en Frits Bolkestein onderstrepen het belang en zelfs de wenselijkheid van ‘bezielde verbanden’, omdat die in hun visie bijdragen aan de maatschappelijke cohesie. De wrok van een ex-calvinistisch auteur als Maarten ’t Hart heeft plaatsgemaakt voor het bijna liefdevol omzien van de ex-calvinistische Franca Treur. En de lezers van Treur, Siebelink, Otten, Van der Meer en andere schrijvers die zich op een of andere manier met het onderwerp ‘religie’ inlaten, hebben nog het minst last van koudwatervrees.
NRC HANDELSBLAD
Ter illustratie van die nieuwe openheid volgt hier een passage uit het gesprek dat Marjoleine de Vos in NRC Handelsblad met Otten had naar aanleiding van de toekenning van de P.C. Hooftprijs voor beschouwend proza. God en kerk, ze komen aan de orde maar niet zonder ruimte. De Vos:
Niemand vindt in jezelf denken aanstootgevend, maar als je zegt: ik richt me tot God, wordt dat een beetje gênant gevonden.
‘Dat heeft met godsbeelden te maken. Mensen zeggen dingen als: ‘Dan richt je je tot de sadist die de wereld heeft geschapen en niet eens ingrijpt’. Dat heeft niets te maken met wat ik bedoel.’
Gaat het in de kerk wel om wat u bedoelt?
‘Ja. Daar begrijpen we hetzelfde niet, al weet ik best dat mensen daar ook intussen in hun neus zitten te peuteren. Ik vind dat het er altijd zo verdraagzaam uit ziet, zo’n massa die zich richt tot één punt. Er zit geen agressie in.’
De meeste mensen associëren kerken en religie juist met agressie.
‘Dat is helemaal niet mijn ervaring. Wel als er gepreekt zou worden dat de heidenen uitgeroeid zouden moeten worden of zoiets, maar dat heb ik nog nooit gehoord.’
Heeft u zich wel eens geschaamd voor de katholieke kerk? Bijvoorbeeld met die misbruikschandalen?
‘Ik ben niet zo’n katholiek die denkt dat priesters zoiets nooit zouden kunnen doen, ik zie de kerk niet als een ideale gemeenschap. Als je in de kerk zat in zo’n week dat er weer van alles naar boven kwam, was het wel erg zuur als er dan niets over gezegd werd. Dat gebeurde wel eens. Dan was het moeilijk om je niet te schamen. Maar als iemand zijn verschrikking uitsprak, schaamde ik me niet meer.’
De kerk bakent juist wel af.
‘Dat is niet mijn ervaring. Iemand moet streng zijn en wetten stellen. Mijn ouders hadden nooit moeten scheiden. Toch ben ik ergens ook blij dat ze het wél gedaan hebben. Ik vind het goed dat de kerk scheiding absoluut afkeurt, maar op het moment dat het gebeurt, moet ze ook begrip tonen. Individueel rekkelijk zijn, maar streng in de wet, want zo’n wet doet recht aan de ernst van het leven, het wezenlijk tragische ervan. Op het moment dat je zelf wil trouwen wil je niet horen dat je ook best weer zou kunnen scheiden. Dat kleineert je huwelijk. Het verdriet van een scheiding heeft te maken met het gevoel dat het nooit had mogen gebeuren.’
NEDERLANDS DAGBLAD
Oek de Jong publiceerde vorig jaar in twee delen zijn magnum opus onder de titel Pier en oceaan. Jaap Goedegebuure noemt onder anderen deze schrijver als voorbeeld van auteurs die sinds de jaren tachtig weer onbekommerd over God en geloof schrijven. De literaire chroniqueur van het Nederlands Dagblad Hans Werkman kijkt daar in zijn rubriek ‘Lettergrepen’ op 27 december anders naar. Zonder dat hij uit is op een geheven vingertje, schrijft hij: ‘Deze roman ligt met zijn heidense levensgevoel ver uit de buurt van Jezus, heel ver.’ Werkman zet op een rij hoe ‘de christelijke literatuurkritiek’ heeft gereageerd en hij stelt aan het eind een scherpe vraag.
‘In het ‘Nederlands Dagblad’ (12.10. 2012) prijst Arie Kok ‘het vernuft, het vakmanschap, de virtuositeit’ van deze roman. Voor veertigers en vijftigers vindt hij het ‘een herkenbaar verhaal over een gereformeerde wereld die het langzaam maar zeker verliest’. Maar ook: ‘verlangen naar het eeuwige, naar het mysterie, loopt als een rode draad door ‘Pier en oceaan’’, maar dan wel ‘in de gedaante van het oude heidendom’. In het ‘Reformatorisch Dagblad’ (22. 10.2012) vermeldt Tjerk de Reus dat Oek de Jong ‘het speuren naar en peilen van een religieuze oriëntatie’ niet heeft opgegeven, maar daarin wel een ‘eigentijds heiden’ is.
Johan Bakker (ND 3.5.2013) ziet het zo: ‘Achthonderd bladzijden lang blijft De Jong boeien met een verhaal dat geworteld is in de gereformeerde wereld.
Anders dan eerdere schrijvers, rekent Abel Roorda niet af met zijn opvoeding, maar laat hij de zuil waaruit hij voortkwam eerlijk, afgewogen en respectvol herleven.’
Ten slotte Len Borgdorff in ‘Liter’ (sept. 2013). Hij prijst de mooie terloopsheid van de couleur locale. Hij heeft gehoord dat ‘mannen van zestig vooral uit de protestantse hoek’ het een prachtige en herkenbare roman vinden, maar hij voegt eraan toe dat ‘jongeren, godverlaters, stedelingen, meisjes, jongens’ er net zo over denken. Hij eindigt met twee uitroepen: ‘Wat een boek. Wat een prachtig boek.’
Opnieuw moet ik nadenken. Hoe komt het dat ‘onder ons’ de taxaties van deze roman nogal van elkaar verschillen?
Of moet ik een meer algemene vraag stellen? Deze: hoe wordt er momenteel gedacht over literatuurkritiek vanuit christelijk perspectief?’
God mag weer in de letteren, schreef Goedegebuure. Toch blijft de vraag wat daarmee bedoeld wordt. Is het de nieuwe openheid voor zingeving, transcendentie en mystiek die kennelijk al weldadig aandoet, of betreft het de authentieke literaire verwoording van de betekenis van het christelijke geloof en de God van de Bijbel?
Ds. G. van Meijeren uit Utrecht is interim-predikant in de Protestantse Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's