TRADITIE EN MODERNE TIJD
Individualisering en Gereformeerde Bond [1]
De Nederlandse samenleving is sinds de jaren zestig van de vorige eeuw ingrijpend veranderd. Nederlanders braken met tradities en normen. Wat betekent deze ontwikkeling voor de Gereformeerde Bond?
Op veel terreinen is de afgelopen halve eeuw vrijheid gekomen om eigen keuzes te kunnen maken en de inrichting van het leven in eigen hand te nemen. Ook vrijheid ten opzichte van opvattingen die opgeld doen binnen de verbanden waartoe mensen behoren. Dit verschijnsel, aangeduid als een proces van individualisering, is allerwegen waarneembaar.
Vooral in de politiek en de sociale verhoudingen. Het gaat ook aan de kerken niet voorbij.
Wat deze ontwikkeling betekent voor traditionele kerkelijke gemeenten die verwant zijn aan de Gereformeerde Bond, is diepgaand onderzocht door dr. T. van de Lagemaat, in het dagelijks leven docent aan de Christelijke Hogeschool Ede. Hij promoveerde op 18 november aan de VU in Amsterdam op een sociologischtheologische studie onder de titel De stille evolutie. Individualisering in de Gereformeerde Bond.
HET ONDERZOEK
Het onderzoek is gericht op de periode 2000-2012 en heeft als specifiek doel een antwoord te vinden op de vraag in hoeverre individualisering in deze periode doorgewerkt heeft en waarneembaar is binnen de Gereformeerde Bond. Individualisering geldt hier als het ‘proces waarin individuen in toenemende mate hun eigen levensomstandigheden willen, kunnen en moeten invullen, zonder de vanzelfsprekende overname van opvattingen en gewoonten die gangbaar zijn in de samenlevingsverbanden waarin zij leven’.
Met de keuze van het jaar 2000 als begin van de onderzoeksperiode sluit de onderzoeker aan bij het sociologisch onderzoek van dr. J.E. Post. Bovendien treedt er rond die tijd een nieuwe generatie bestuurders aan, zoals P.J. Vergunst als algemeen secretaris en ds. G.D. Kamphuis als voorzitter. Van de Lagemaat onderzocht drie verschillende niveaus: het macroniveau (landelijk bestuur), het mesoniveau (gemeentelijk niveau) en het microniveau (gemeenteleden).
VERSCHEIDENHEID VAN DE BOND
De Gereformeerde Bond is nooit een homogene stroming geweest. Daarom schetst de auteur in een voorafgaand hoofdstuk een helder historisch beeld van het ontstaan en de ontwikkeling van de bond. Van meet af bestonden er meningsverschillen. In de begintijd betroffen die vooral het kerkelijk vraagstuk, aan te duiden met de termen ‘delers’ en ‘helers’. De eerste stroming sympathiseerde met de gedachte van afscheiding, de andere wenste vast te houden aan de bestaande kerk. Momenteel zijn deze aanduidingen minder geschikt, omdat de verschillen tussen de flanken nu meer van theologische aard zijn. Vandaar dat in de studie gekozen is voor de benaming ‘open bonders’ en ‘bevindelijke bonders’ . De open bonders zijn volgens Van de Lagemaat zichtbaar in de HGJB en de IZB en rond het blad Kontekstueel. Ze leggen nadruk op het verbond en de landelijke kerk en staan open voor vernieuwingen. Naar schatting vertegenwoordigen zij ongeveer 20 procent van de gemeenten. De bevindelijke bonders wortelen geestelijk meer in de Nadere Reformatie, staan kritisch ten opzichte van de cultuur en richten zich sterker op de plaatselijke gemeente. Een belangrijk deel van hen heeft in 2004 de Hervormde Kerk verlaten. Nu behoort hier nog ongeveer 4 procent van de gemeenten toe, zo lezen we in de studie. Ze zijn onder andere zichtbaar rond het Hervormd Jeugdwerk.
Beide flanken hebben vloeiende grenzen met de brede middenstroom van de bond.
TWEE WIJKGEMEENTEN
Om de breedte van de bond in beeld te krijgen kiest Van de Lagemaat voor zijn onderzoek op micro- en mesoniveau voor twee wijkgemeenten in Ede die in hun onderlinge verschillen representatief geacht kunnen worden voor de verscheidenheid van de bond.
De wijkgemeenten 1&3, rond de Oude Kerk, zijn te rekenen tot de hoofdstroming van de bond en de wijkgemeente 8 rond de Bethelkerk is van het meer open type.
Om de volle breedte van het individualiseringsproces in kaart te brengen stelt de promovendus de volgende thema’s centraal:
• mondigheid in relatie tot het gezag van het ambt;
• waardering van liturgische veranderingen;
• binding aan de eigen gemeente;
• mate van steun voor traditionele geloofsopvattingen;
• positie van de vrouw in gezin en kerk.
De vraag is in hoeverre op deze terreinen de individualisering op de drie niveaus waarneembaar is.
BEVINDINGEN
Allereerst het macroniveau. Voor het onderzoek op landelijk niveau is een brede studie uitgevoerd van de bronnen en publicaties van het hoofdbestuur en verwante scribenten. Daaruit is geconcludeerd dat het proces van individualisering in het beleid op landelijk niveau niet zichtbaar is. Ten aanzien van de bekende identiteitskenmerken is er continuïteit met het verleden. Dat komt naar voren rond het ‘tegenover’ van het ambt, de keuze voor de psalmen, het belang van de prediking, de nadruk op de leerdiensten en de afwijzing van de vrouw in het ambt. De perforatie wordt nog in principe afgewezen, maar niet nadrukkelijk tegengegaan. Er is landelijk een groeiende verscheidenheid en doorwerking van de evangelicalisering, maar er wordt naar gestreefd de breedte vast te houden. Enige doorwerking van de individualisering is in het landelijk beleid echter nauwelijks waarneembaar.
Dit in tegenstelling tot wat naar voren komt uit het onderzoek onder de leden van de onderzochte wijkgemeenten. Dat is uitgevoerd via mondelinge en schriftelijke interviews onder 42 belijdende leden, verdeeld over de wijken − het microniveau.
Hier zijn de effecten van individualisering wel aanwezig, in wijk 8 van de Bethelkerk duidelijk meer dan in de wijken 1&3 van de Oude Kerk.
Dat betreft met name het ambt, dat zijn gezag moet kunnen waarmaken op basis van kennis en argumentatie, en de verminderde kerkelijke binding, die zich in wijk 8 vooral manifesteert in teruglopend bezoek van de tweede dienst. Wat de liturgie betreft is er waardering voor de psalmen, maar in de Bethelkerk openheid voor gebruik van het Liedboek.
Een kleine minderheid in deze wijk vertoont kenmerken van moderne of evangelische geloofsbeleving. Er is openheid voor een verbrede inzet van de vrouw in kerkelijke taken. Betreffende de openstelling van het ambt voor de vrouw is 34 procent voor en 26 procent niet tegen, maar zowel bij de voor- als tegenstanders ontbreekt het aan bijbelse argumenten. De perforatie zet door op grond van prediking en liturgie.
KERKENRADEN
Het tussenniveau, het beleid van de kerkenraden, onderzocht Van de Lagemaat op basis van verslagen van kerkenraadsvergaderingen, archiefstukken en correspondentie, wat hij aanvulde met interviews van kerkenraadsleden. Het beleid van de Oude Kerk vertoont verwantschap met de hoofdstroom van de Gereformeerde Bond. In deze wijkgemeente is een voorzichtige, stapsgewijze aanpassing waarneembaar, tegemoetkomend aan de wensen van de gemeenteleden.
Dit beperkt zich tot de invoering van ritmisch zingen en de veranderende praktijk van het dragen van een hoed door de vrouwen.
De continuïteit overheerst in de periode van onderzoek en de individualisering krijgt slechts beperkt ruimte.
Dit geldt in zijn verscheidenheid eveneens voor de Bethelkerk.
Daar is het Liedboek geaccepteerd en de kleding van de kerkgangers meer informeel. Er zijn in deze wijkgemeente beperkte invloeden van modernisering en evangelicalisering. In de mate van participatie van vrouwen in activiteiten van de gemeente verschillen de wijken onderling, maar in beide wijken is er geen drang naar de vrouw in het ambt.
Gemeenteleden schikken zich in het algemeen naar het terughoudende beleid van de kerkenraden.
Samenvattend kun je zeggen dat het proces van individualisering het meest doorwerkt op het niveau van het individuele gemeentelid. Dit in tegenstelling tot het landelijk niveau, waar volgens Van de Lagemaat de doorwerking van de individualisering ten aanzien van de onderzochte vijf thema’s feitelijk geheel ontbreekt.
Als uitzondering hierop zou mijns inzien te noemen zijn de wijze van leiding geven. Deze is minder directief, meer gekenmerkt door het aanreiken van argumenten uit de Schrift. Ze is daarom bezwaarlijk als oligarchisch te typeren, zoals de auteur doet. (Een oligarchie is een regering van weinigen.)
De situatie bij de kerkenraden zit hier wat tussenin. Tussen beide wijkgemeenten bestaat een aanzienlijk verschil in thema’s die aan de orde zijn, maar in beide wijken wordt het beleid gekenmerkt door een proces van geleidelijkheid, van voorzichtige, weinig opvallende veranderingen, als reactie op wat leeft onder de leden. Een nauwelijks opgemerkte transformatie. Of, zoals de titel van de dissertatie zegt, Een stille evolutie.
POSITIE VAN DE BOND
Hoe moet de Gereformeerde Bond met de verschillen tussen eigen koers en gemeentelijk niveau beleidsmatig omgaan? Volgens Van de Lagemaat staat de bond voor de keuze om tegen de ontwikkelingen in te gaan of er sturing aan te geven. Individualisering hoeft zijns inziens niet als een bedreiging gezien te worden. Het is een feitelijke ontwikkeling die gemeenteleden en kerkelijk leidinggevenden uitnodigt hierop aansluiting te zoeken. Het onderzoek wijst uit dat er een duidelijk verschil bestaat tussen het landelijk beleid en wat er leeft onder gemeenteleden.
Daar kan de bond zijns inziens niet aan voorbijgaan.
BELEIDSKEUZES
Om tot een vermindering te komen van de spagaat waarin de bond zich momenteel bevindt, geeft Van de Lagemaat vanuit sociologisch en theologisch gezichtspunt een aantal aanbevelingen voor een gewijzigd beleid. Hij duidt deze koers aan met ‘Bewust vernieuwen op onderdelen’.
Het is een scenario dat Van de Lagemaat als de aangewezen weg aanreikt, maar dat moeilijk zal zijn omdat het verandering van standpunten vereist in zaken die eerder zijn afgewezen.
Als mogelijke alternatieven voor deze koers noemt hij ‘Blijven balanceren’ of ‘Hergroepering zoeken’. Met het eerste scenario van deze twee typeert hij de huidige bestuursstijl als balanceren tussen de eigen traditie en de moderne tijd. Een koers vanuit ijkpunten in het verleden, met het risico van enige isolatie en toenemende spanning met de open bonders.
Bij het scenario van ‘hergroepering’ zouden de open bonders plus een deel van de middengroep van de bond met de confessionelen en mogelijk met de evangelischen een brede stroming in de Protestantse Kerk kunnen vormen. De rest van de middengroep van de bond zou zich met de bevindelijke bonders kunnen richten op het bewaren van de afstand tot de moderne cultuur en gaan samenwerken met de reformatorische zuil.
Ir. L. van der Waal uit Ridderkerk is voormalig lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's