De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GLOBAAL BEKEKEN

4 minuten leestijd

In Kerk op Dordt schreef Peter Dillingh over ‘Het verdriet van de organist’.

‘Als ik m’n ogen dicht doe, is het net alsof ik in de Duyststraatkerk zit,” zei br. H.C. Urbanus na afloop van de feestelijke ingebruikneming van het orgel in de In Kerk op Dordt schreef Peter Dillingh over ‘Het verdriet van de organist’:

‘Als ik m’n ogen dicht doe, is het net alsof ik in de Duyststraatkerk zit’, zei br. H.C. Urbanus na afloop van de feestelijke ingebruikneming van het orgel in de Wilhelminakerk in november 2005. En hij kon het weten, want hij herinnerde zich nog goed hoe dat orgel had geklonken in Delfshaven, voordat het in de jaren vijftig rigoureus werd uitgebreid. Overigens bleek br. Urbanus verwant te zijn aan de eerste organist van de afscheiden gemeente in het Kromhout, Engel Colin. In de verte weliswaar, maar toch! Johannes Engelbertus Colin (*1810) was in Dordrecht geboren als zoon van een pruikenmaker uit Gent, Joachim Johannes Colin, en Johanna Wicherts, een kinderschoolhoudster uit Den Haag. Hij werd gedoopt in de Augustijnenkerk, waarbij werd aangetekend dat zijn vader ‘van den Roomschen godsdienst’ was. Aanvankelijk was Colin boekbinder. Vanaf 1840 dreef hij een boekhandel in de Tolbrugstraat-Waterzijde. In februari 1842 werd hij benoemd tot organist van de afgescheiden gemeente, die het orgel uit de oud-katholieke schuilkerk in de Mariënbornstraat had aangekocht. Maar al spoedig werd hij het slachtoffer van kerkelijke twisten, die de gemeente verdeelden. In december 1842 kreeg hij zijn ontslag. Zijn persoonlijk leven wordt getekend door onpeilbaar verdriet. In 1833 was hij getrouwd met Jenneke Coepijn (1812-1891). Uit dit huwelijk werden elf kinderen geboren. Negen kwamen levenloos ter wereld, een zoontje stierf na tien weken, een dochtertje na anderhalve dag. Begin 1848 vertrok Engel Colin naar de Verenigde Staten, terwijl zijn vrouw bij haar vader in Dordrecht achterbleef. In de akten van geboorte en overlijden van zijn jongste dochter werd in oktober 1848 over de vader aangetekend ‘volgens opgave zich thans in Noord America bevindende’. Na het overlijden van haar vader verhuisde Jenneke Coepijn in 1860 naar Gouda, waar ze introk bij haar zuster en zwager, Hendrica Coepijn (1803-1871) en Frederik Urbanus (1792-1877). Urbanus was oefenaar bij de afgescheiden gemeente aldaar. Deze Frederik was nu de betovergrootvader van onze br. Hendrik Coenraad Urbanus, die op 17 december jl. overleed.


Een stukje kerkgeschiedenis, opgetekend in een gedenkboek bij het 350-jarig bestaan van de hervormde gemeente in het Friese Harich, Tsjerke Harich en har foargongers.

In 1555 werd weduwe Trijn Jacobs uit Balk, die zich liet herdopen omdat zij zich bij de Menisten had aangesloten, tot de verdrinkingsdood veroordeeld. Zij had ‘een lage schatting van de heilige sacramenten’ was het oordeel. Ook de bekeerde priester Petrus Monac van Harich vluchtte bij de vervolgingen in 1567 naar het godsdienstvrije Emden. Hoe sterker de vervolging des te sneller groeide de actiegroep. Het bloed der martelaren is het zaad der kerk, ging hier ook op. (...) De beeldenstorm was er om ‘die afgriselyckheyt van de beelden uut den kerken te doen’. Onder kerk reinigen verstond men: het weghalen van alle heilige beelden en schilderwerk, het afbreken van het altaar en de afsluiting van het koor, het vullen van de ruimte met banken en gestoelten rondom de kansel, het witten van de beschilderde muren en gewelven, enz. Vooral de kloosters moesten het ontgelden. Voor de verkoop waren ze niks meer waard. De bevolking kreeg verlof om ze af te breken en de stenen (kloostermoppen) voor hun eigen woning of boerderij te gebruiken. Van veel kloosters werd het puin weggevoerd om de zeeweringen daarmee te versterken en gaten in de dijk te dichten. Ook werden de kloostermoppen gebruikt voor de aanleg van schansen. Om aan te geven welke kerk bij welk genootschap behoorde gebruikte men symbolen, zoals in ’t onderstaand rijmpje wordt aangegeven.

De Doopsgezinden hebben een houten huisje,

de Roomsen hebben een kruisje,

de Calvinisten hebben een haantje

en de Lutheranen hebben een zwaantje.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 2014

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 2014

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's