BOEKBESPREKINGEN
Sake Stoppels Oefenruimte. Gemeente en parochie als gemeenschap van leerlingen. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 176 blz.; € 15,90.
Oefenruimte heeft meteen na verschijnen al de aandacht van verschillende blogs en bladen getrokken, en zowel lof als kritiek geoogst. Kennelijk raakt de auteur een gevoelige snaar met zijn pleidooi voor discipelschap. Zij die lovend zijn, menen dat het – kerkbreed – zeer nodig is dat hier over gedacht en geschreven wordt. In een tijd waarin de klassieke organisatievormen van de kerk sterk aan erosie onderhevig zijn, is het zoeken naar nieuwe wegen. Aandacht vragen voor discipelschap als levensvorm, is volgens Stoppels aandacht vragen voor een kernwoord in de Schrift, met oude papieren dus, en tevens oecumenische potentie. Heel nadrukkelijk wil hij dit woord weghalen uit de evangelisch-methodistische sfeer waar het al snel mee geassocieerd wordt. Terecht. Ik heb dit boek vooral gelezen als een boek waarin goede vragen worden gesteld, waar aan vanzelfsprekendheden wordt geschud en waarin relevante punten worden gemaakt. Nadrukkelijk stelt Stoppels de vraag aan de orde wat een kerk eigenlijk van mensen mag verwachten. ‘Wat niks kost, kan ook niks zijn.’ Toewijding is nodig, wil een kerkgemeenschap overleven, maar waar die toewijding dan precies uit zou moeten bestaan, daar hebben veel gemeenten eigenlijk niet echt bewust een idee van, constateert de auteur. Ik val hem daarin bij. Boeiend zijn ook de richtingen die Stoppels vervolgens wijst. Hij suggereert het ontwikkelen van een leefregel, iets wat hij nadrukkelijk niet ziet als een ‘dwangbuis’, maar als een ‘uitnodigend kader om mens ‘uit één stuk’ te worden’. De kerk is dan de oefenruimte, de gemeenschap van oefenende leerlingen. In de laatste hoofdstukken schetst Stoppels voorwaarden voor een goed leerklimaat. Hij stelt zich de vraag waar en hoe er in de kerk eigenlijk geleerd wordt en zou kunnen worden. Daarbij denkt hij bepaald niet alleen aan de traditionele vormen van catechisatie. Met name de suggesties rondom het benutten van ‘natuurlijke leermomenten’ (bijv. doop en huwelijk) bieden perspectief. Net als wat Stoppels schrijft over het mentoraat als leerweg in de gemeente. Met name als het gaat om het zoeken en vinden van ambtsdragers zou deze in feite oerklassieke vorm (leerling-gezel-meester) in de nabije toekomst wel eens heel relevant kunnen worden. Een boek waarin dus veel te leren valt, maar waarop ook de nodige (soms forse) kritiek kwam. Die kritiek had dan, als ik het goed zag, vooral betrekking op het gevaar dat er met al deze nadruk op discipelschap en levensstijl gemakkelijk een onderscheid ontstaat tussen wat ik nu maar even ‘A en Bkwaliteit christenen’ noem. Afgezien van het soms wat reflexmatige in deze reacties, zit daar toch ook wel een punt. Stoppels is zich daar enerzijds van bewust. Hij stelt zichzelf de vraag of de kerk op deze weg niet te ‘elitair’ wordt en of de ‘schare’ niet gemakkelijk uit beeld raakt. Toch weet hij ook mijns inziens dit gevaar niet op adequate wijze uit te schakelen. Daarin schuilt het gelijk van de critici. Discipelschap, levensstijl, moraal, actieve participatie – het kan toch zomaar een ‘moeterige’ sfeer opleveren. Heel benieuwd ben ik daarom of er overtuigender wegen te bewandelen zijn om juist aan dit gevaar te ontkomen en zo het terechte pleidooi voor discipelschap nog beter uit de verf te laten komen. Zelf ben ik momenteel erg geboeid door het werk van de Angelsaksische theoloog Samuel Wells. Wat me bij hem telkens opvalt, is zijn niet aflatende nadruk op de overvloed (‘abundance’) aan heil, zegen en goedheid die er bij God te vinden is. Wie van daaruit vertrekt en dan over discipelschap gaat spreken, zou wel eens in een ander taalregister terecht kunnen komen. Discipelschap wordt dan, meer dan in het boek van Stoppels, een weg van leren delen in de vreugde, de vrijheid en de overvloed van Gods genade. Minder gespannen en ‘moeterig’, meer vrij, meer vertrouwend, uitnodigend, meer ‘edel’, zou ik haast zeggen. Dat de boeken van Wells en de zijnen voornamelijk over het avondmaal gaan als bron voor de christelijke ethiek, terwijl het boek van Stoppels eindigt met een pleidooi voor de volwassendoop, vind ik dan ook een teken aan de wand. Ook hier geldt: je vertrekpunt bepaalt niet zelden je eindpunt. Juist in een voor de kerk complex getij, zou ik alle kaarten willen zetten op God Die trouw is en ‘een overvloedige fontein van alle goed’ (NGB) en pas daarna iets willen zeggen over de mondige gelovige. Dat laatste kan dan alleen maar nog overtuigender klinken.
W.P. VERMEULEN, GOUDRIAAN
Tim Keller Goed werk. Uitg. Van Wijnen, Franeker; 269 blz.; € 19,95.
Als Tim Keller, de dominee van de Redeemer Church in New York, in zijn nieuwste boek ingaat op de verbinding tussen christelijk geloof en werkvloer, kiest hij geen marginaal thema. Immers, in de Bijbel gaat het vanaf het allereerste begin over werk, waarbij het zonneklaar is dat God in Zijn goedheid wil dat de mens leeft in een voortdurend ritme van werk en rust. Daarom zoekt hij naar ‘een uitgebalanceerde theologie van werk en rust’. In het eerste deel zoomt Keller in op de betekenis van werk in de Schrift: ‘Een zinvol leven kan niet zonder werk, maar je kunt niet zeggen dat werk dé zin van het leven is.’ Werk heeft te maken met de waardigheid van mensen, omdat ze in hun arbeid God vertegenwoordigen. Om het met Luther te zeggen: ‘God melkt de koeien door de roeping van de melkmeisjes.’ Waar mensen intellectuele arbeid meer waarderen, benoemt de auteur dat we God (Genesis) aan het werk zien als tuinman en (Nieuwe Testament) timmerman. ‘Alledaags werk is nooit te gering om het patroon van Gods eigen werk te vertonen.’ Opvallend is dat hij in een pastoraal intermezzo niet ingaat op werkloosheid en op het leven van arbeidsongeschikten. In het tweede deel bespreekt Keller wat het inhoudt dat ons werk onder de vloek ligt. In een behoorlijk filosofisch betoog laat hij zien hoe de wereldbeschouwing van het evangelie zowel diepzinnig als alledaags is, zowel strategisch als tactisch invloed uitoefent op hoe je met werk omgaat. In het slot deel van dit boek is de auteur praktisch, als hij concretiseert op welke wijze een bijbelse benadering van werk voertuig van Gods liefdevolle zorg voor deze wereld is. Goed werk. Ons dagelijks werk en Gods plan voor de wereld sluit aan bij de focus van de Redeemer Church op het toerusten van gemeenteleden om gestalte te geven aan de navolging van Jezus in hun beroep. Redeemer wil geen breuk tussen de zondag en de maandag, wil evenmin dat christenen hun werk gebruiken om te evangeliseren, maar wil hen wel leren om hun leven en werk tot welzijn van anderen in te zetten. Goed werk is geschikt om als kring te bespreken, is een hulp in het gedurende 36 of 40 uur per week toepassen van bijbelse wijsheid.
P.J. VERGUNST
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's