Jezus aan het kruishout
Jan Luyken dichtte als twintigjarige heel anders dan toen hij dertig was. Verzen over Christus offer aan het kruis ontstonden pas in de tweede periode van zijn dichterschap.
Een van de mooiste liederen van Jacob Revius (1586- 1658) begint met de regels:
Zolang als ik op aarde leven zal
mijn Koning groot ik ere geven zal
met woord, met daad, met juichen
en gezang.
Hij heeft mij uitgetogen van de val,
geschreven in zijn uitverkoren tal,
dies mijne ziel Hem spelet lof en
dank.
De toonzetting van dit gedicht zullen we niet licht tegenkomen in de poëzie van de dichter en etser Jan Luyken (1649-1712). De calvinist Revius accentueert de dank dat God ons zondige mensen op aarde een zinvolle plaats en zinvolle opdracht heeft gegeven, dank vooral ook voor de redding van Godswege. De doopsgezinde Luyken daarentegen benadrukt evenals John Bunyan veeleer de pelgrimsidee, gepaard gaande met wereldmijdende en ook wereldontvliedende aspecten.
LATER
Overigens stond Luyken in dogmatisch opzicht niet zo ver bij de gereformeerden vandaan. Dr. H. van ’t Veld wijst er in zijn proefschrift over Luykens relatie tot Bunyan op dat hij onverkort vasthield aan centrale dogma’s als de zondeval en de verzoening door de kruisdood van Jezus. Het blijkt uit dichtregels als:
In Christus is het weer hersteld,
Wat Adam heeft verloren
Zo ook de volgende regels, waarin we de woorden van Jesaja herkennen over het schaap dat stom is voor zijn scheerders (Jes.53:7):
Gelijk als een schaapje ter slachting
moet gaan,
En stom is voor degenen die het
scheren,
Zo heeft ook het Lam Gods zijn
mond niet opgedaan,
Geduld en lijdzaamheid was zijn
verweren.
Echter, dit zijn wel versregels van de latere Jan Luyken. In de eerste periode van zijn dichterschap schreef hij andersoortige gedichten en zeker geen verzen over Christus’ offer aan het kruis.
BEKERING
In 1671 verscheen Luykens eerste dichtbundel, Duytse Lier geheten, met overwegend − niet uitsluitend − amoureuze, luchtige poëzie. Maar als zeven jaar later, in 1678 dus, zijn tweede bundel verschijnt, Jesus en de ziel, maakt alleen de titel al duidelijk dat hier een heel andere Luyken aan het woord is. In de periode tussen die beide bundels vond in het geestelijke leven van Luyken een ingrijpende verandering plaats, een ‘krachtdadige’ bekering. Een belangrijke bron over zijn leven, het Kort Verhaal van zijn leven en sterven, na zijn dood verschenen, formuleert het zo: ‘In ‘t 26e jaar zijns ouderdoms is hem de HEERE op een krachtdadige wijs aan zijn herte verschenen, (…).’
CHRISTUS’ OFFER
Hierna volgt in het Kort Verhaal een opmerkelijke mededeling: Luyken ging beseffen dat het ‘burgerlijke leven’ − een fatsoenlijk leven − niet genoeg is om voor eeuwig gered te worden. Zijn ommekeer was dus geen bekering van de kroeg naar de kerk, geen afscheid van losbandigheid maar van een te aardsgericht leven, met te weinig oog voor de noodzaak van Christus’ offer. De titels van de bundels na de Duytse Lier vermelden dan ook nadrukkelijk de naam ‘Jezus’: Jesus en de ziel (1678) en Voncken der Liefde Jesu (1687). Aan Christus’ lijden wijdde Luyken aangrijpende gedichten, waarvan het volgende een van de bekendste is.
Van Christus’ lijden
Wie hangt er zo deerlijk, geteisterd, geschonden,
Roosverwig, vol striemen en wonden,
Tot smaadheid en schande aan ’t kruishout verheven?
Wat heeft Hij, wat heeft Hij misdreven?
Dat is er het slachtlam, zo heilig geboren:
Tot breking en lessing van toren:
Zijn misdaad is liefde, uitvloeien en geven:
Dat kost Hem, dat kost Hem zijn leven.
Kost dat Hem zijn leven, die schoonste van allen,
Hoe is Hij in ’t lijden vervallen?
Of is het uit liefde en heilige minnen,
Wat zal Hij daarmede dan winnen?
Wat anders als ’t leven der eeuwige zielen
Die droevig in zonden vervielen –
Opdat Hij die schulden verzoene en boete,
Zo druipen zijn handen en voeten.
Ach, Jezus, beminde, hoogwaarde en schone,
Wie zal U, wie zal U belonen?
Uw weldaad die gaat ons vermogen te boven,
Wij willen U prijzen en loven!
deerlijk (r.1): deerniswekkend; Roosverwig (r.2): roodkleurig; toren (r.6): toorn
Niet iedereen zal dit een mooi gedicht vinden. Het doet soms wat overladen of barokachtig aan, met te zware emotionele accenten, zoals de lange opsomming in regel 1/2 en een regel als ‘druipen zijn handen en voeten’ (r.16). Dat had voor mij wel wat minder gekund. Een dichter als J.W. Schulte Nordholt daarentegen spreekt weer van ‘prachtige’ verzen. Hij heeft er dan ook voor gezorgd dat drie liederen van Luyken een plaats kregen in het Liedboek (1973).
VRAAG EN ANTWOORD
Het hele gedicht is gestempeld door verwondering. Het bouwschema is helder: vraag en antwoord, met als kernvraag: Waarom hangt Christus als ‘lam’ aan het kruis? Het antwoord is: om Gods toorn te lessen, om ‘eeuwige zielen’ te redden. Daarvoor gaf Christus Zijn leven. Een onbegrijpelijk wonder: Hij voor ons. Hier schieten woorden tekort. Vandaar de vraag: Wie kan U daarvoor belonen? Het antwoord van Luyken is: Golgotha gaat ons vermogen te boven!
Dr. J. de Gier uit Ede is neerlandicus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's