De stille evolutie
In de nummers 06,07 en 08 van De Waarheidsvriend besprak oud-hoofdbestuurslid ir. L. van der Waal het proefschrift Een stille evolutie van dr. T. van de Lagemaat. Bij de redactie kwam hierop onderstaande reactie binnen. De auteurs laten graag weten dat de gedachtewisseling in goed overleg tot stand is gekomen.
DE STILLE EVOLUTIE [1]
Van de Lagemaat constateert in zijn boek een langzame maar onmiskenbare verandering onder hervormdgereformeerde gemeenteleden in de richting van een meer geïndividualiseerde levensstijl, waarbij bestaande opvattingen en gewoonten niet langer op een vanzelfsprekende manier overgenomen worden van kerkelijk leidinggevenden. Van de Lagemaat ziet in dit verband in de Gereformeerde Bond een ‘aanzienlijke kloof’ (392) tussen de opvattingen op lokaal niveau en die op landelijk niveau. Om die reden schetst hij aan het einde van zijn boek enkele wegen waarlangs het hoofdbestuur van de Bond met de verander(en)de situatie zou kunnen omgaan, zonder daarbij een keuze te maken voor één ervan. Hoewel Van der Waal duidelijk veel werk gemaakt heeft van zijn bespreking, en ook een informatieve en heldere weergave biedt van de inhoud Van de Lagemaats studie, doet hij vervolgens in zijn reactie erop mijns inziens geen recht aan de auteur. Als lid van de Gereformeerde Bond en ook van de beoordelingscommissie die betrokken was bij de aanvaarding van dit proefschrift aan de Vrije Universiteit, meen ik daar de vinger bij te moeten leggen. Het gaat er daarbij uiteraard niet om dat Van der Waal geen kritiek zou mogen hebben op Van de Lagemaats studie. Waar hij kritisch is op de wat onheldere verhouding tussen sociologie en theologie in het boek, ben ik het daar zelfs mee eens. Van der Waal schiet mijns inziens echter door wanneer hij aan Van de Lagemaat verwijt dat deze het gezag van de Schrift ter discussie zou stellen. Hij spreekt in dit verband van een ‘opzienbarende stellingname’ en ‘een omslag ten opzichte van de klassieke grondslag van de bond’ (07, blz.8). Hij meent dat hier sprake is van ‘een overreactie’, omdat Van de Lagemaat op de geconstateerde sociologische ontwikkelingen zou willen reageren door ‘de normativiteit van de Schrift dubieus te stellen’. Dit alles blijkt echter nergens uit het proefschrift. Integendeel, ieder die kennis neemt van Van de Lagemaats studie kan nagaan dat deze juist schrijft vanuit een hartelijke betrokkenheid op de doelstellingen van de Bond. Daar waar elders elke verwijzing naar God en geloof zelfs in het voorwoord van proefschriften ter discussie staat, valt in deze dissertatie juist op hoe constructief de auteur vanuit zijn eigen gelovige en kerkelijke positie mee mag en wil denken met hen die het voorwerp van zijn studie vormen. Ook in de slotparagrafen, waar Van der Waal de meeste moeite mee heeft, is Van de Lagemaats liefde voor de Gereformeerde Bond en zijn streven helder aanwezig. Wanneer Van de Lagemaat ervoor pleit dat in het landelijk beleid van de Bond ook bezinning plaatsvindt op de worsteling bij velen om het gezag van de Schrift, lijkt me dat iets anders dan dat dat gezag zelf ter discussie gesteld wordt. Dat dat laatste niet Van de Lagemaats bedoeling is, blijkt wel uit zijn pleidooi om te midden van de veranderingen juist terug te vallen op het sola Scriptura van de Reformatie (396). Van daaruit gaat het er echter wel om serieus te nemen wat er gaande is in de eigen achterban, ook op het punt van de omgang met de Schrift. Wanneer Van der Waal verder aan Van de Lagemaat verwijt ‘de eigen identiteit in een open gesprek met de cultuur ter discussie te stellen’, kan ik ook dat niet terugvinden in het proefschrift. Van de Lagemaat pleit inderdaad voor serieus gesprek over de ontwikkelingen die hij waarneemt. Dat gesprek is bij hem echter niet gericht op een eenzijdige aanpassing aan de cultuur door de bond. Van de Lagemaat is als socioloog te goed op de hoogte van de (door Van der Waal als baken in zee genoemde) ontwikkelingen die op dit punt destijds in de Gereformeerde Kerken plaatsvonden, dan dat hij deze route zou willen herhalen. Zijn zorg is echter dat de bond, wanneer hij slechts koerst op het adagium ‘alles houden bij wat het is’, het op den duur weleens van de cultuur zou kunnen verliezen. De ontwikkelingen die Van de Lagemaat signaleert liegen immers niet – dat is de winst van zijn sociologisch-empirische benadering. Bovendien kan men ze ook niet beperkt achten tot ‘de meer open gemeenten van de bond’ . Het zou immers naïef zijn om te denken dat ontwikkelingen die nú spelen in zulke meer open gemeenten halt zullen houden voor de drempel van de grote middenstroom. Hoe kan de GB in een dergelijk klimaat zijn doelstellingen het beste verwezenlijken? Dat is de vraag die Van de Lagemaat stelt, en zowel die vraag als de mogelijke antwoorden die hij schetst verdienen het mijns inziens op hun merites beoordeeld te worden. Ook Van de Lagemaat – althans zo begrijp ik zijn boek – gaat het er immers om ‘hoe we in het geseculariseerde klimaat staande blijven’ (09, blz.9). Van der Waals zorg is dus de zijne; juist daarom geeft hij zijn adviezen. Daartoe behoort óók de kritische blik naar binnen: verwarren we onze eigenlijke, geestelijke identiteit niet te vaak met uiterlijke identiteitskenmerken? We mogen over zulke vragen natuurlijk met elkaar van mening verschillen, maar dienen (juist dan!) wel aan elkaars motieven recht te doen. Daarom ben ik blij met de aanstaande studiedag over De stille evolutie, en hoop ik dat het laatste woord erover in dit blad nog niet is gezegd.
G. VAN DEN BRINK, WOERDEN
DE STILLE EVOLUTIE [2, SLOT]
Toen ik sprak van een ‘omslag’ ten opzichte van de klassieke positie van de Gereformeerde Bond en het dubieus stellen van de normativiteit van de Schrift ter sprake bracht, had ik het oog op relativerende uitspraken van Van de Lagemaat in dit verband. Een enkel citaat: ‘Er moet gekeken worden naar thema’s die voor heel de kerk van belang te zijn, waarbij de identiteit wel inspiratiebron moet zijn, maar niet in een soort cement gegoten moet worden. Het gaat niet om de letter van de belijdenis.’ Inderdaad, in de dissertatie wordt niet gepleit om de eigen identiteit ter discussie te stellen, maar dit gebeurt wel expliciet in De Waarheidsvriend van 21 november 2013, waar Van de Lagemaat in een interview zegt: ‘Dat behoud van de identiteit is net de bottleneck. Als je ziet dat er in de samenleving van alles verandert en je stelt je identiteit niet ter discussie dan plaats je jezelf in de marge. Het bestuur zou de veelkleurigheid moeten honoreren, worstelend met het gezag van de Schrift, waarin je problematiseert en er ruimte is voor twijfel.’ ‘Laat de Gereformeerde Bond geen bolwerk zijn van zekerheden.’ Nu kan na deze opmerkingen nog wel gezegd worden dat het uitgangspunt het sola Scriptura is, maar aan welke manier van Schriftlezen wordt dan gedacht en hoeveel betekenis wordt toegekend aan culturele omstandigheden? Veelzeggend in dit verband is bijvoorbeeld dat Van de Lagemaat in zijn dissertatie zegt dat de ‘veranderingen in de cultuur vragen om een heroverweging van de afwijzende houding ten opzichte van samenwonen, homoseksualiteit en dergelijke ethische kwesties, omdat deze gekoppeld is aan een bepaalde manier van bijbelgebruik’. Is het dan te veel gezegd als door mij gevraagd wordt het gesprek hierover te voeren zonder de normativiteit van de Schrift dubieus te stellen? De intenties van Van de Lagemaat om (toch wel met aanbevelingen) de Gereformeerde Bond van dienst te zijn, heb ik niet ter discussie gesteld. De uitkomsten van het onderzoek spreken een duidelijke taal. Ook zonder deze studie konden we trouwens al weten dat in meerdere gemeenten ontwikkelingen gaande zijn die zich verwijderen van het beleid van het hoofdbestuur. Die zijn zwaarwegend genoeg. Daar kunnen we inderdaad niet van weglopen. De vraag is echter of alle streven naar verandering kritiekloos moet worden aanvaard en aanleiding moet zijn om datgene wat onder ons vanouds vastheid en zekerheid heeft bij voorbaat ter discussie te stellen. Wellicht is ook te leren van gemeenten die deze weg al zijn ingeslagen en te zien of deze benadering daar tot de beoogde verdieping en opleving van het kerkelijk leven heeft geleid.
L. VAN DER WAAL, RIDDERKERK
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 2014
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's